O.

Occam, Zijn Nominalisme I, 84; II, 212.

Oort, Over de doodenvereering onder Israel IV, 363v.

Opzoomer, I, 130.

Origenes, Zijn indeeling van de dogmat. stof I, 32;

zijn theologie I, 60v.;

over praescientia en praedestinatie II, 162;

over de Trin. II, 255;

over de schepping als een eeuwige daad Gods II, 409;

over de oorspronkelijke gelijkheid aller schepselen II, 442, 549;

III, 70; IV, 500;

over de beschermengelen II, 447;

over de wederherstelling aller dingen III, 390; IV, 500;

over het louteringsvuur IV, 377, 500.

Os, van den, Over het geloof III, 454.

Osiander, Over het archetype van het beeld Gods in den mensch

II, 535, 542;

over het werk van Christus III, 320, 332.

Osterwald, I, 127.

Owen, I, 123.

Gereformeerde dogmatiek. Vierde deel · 第 50 / 83 题