H.

Halesius, Alexander, Zijn methode in de Theol. I, 82v.;

over het donum superadditum II, 518v.

Hamelius, Over de inspiratie I, 312.

Hamilton, William Over de kenbaarheid Gods II, 15.

Harnack, Zijn strijd met Zahn over de geschiedenis van den N. T.

kanon I, 337;

over de theologische dogmata I, 511, 513v.;

over het Art. „ontvangen van den Heiligen Geest” III, 268v.

Hartmann, Ed. von, Over h. onbewuste II, 56v., 148, 156v.;

over de heilsorde III, 459v.

Hase, I, 104.

Hatch, Edwin, Over de theolog. dogmata I, 135, 511v.

Hegel, Zijn wijsgeerig stelsel en invloed op de Theol. I, 106, 432,

436v.;

over de religie I, 187v.;

over de openbaring I, 266;

zijn verdienste en fout I, 436v.;

over de kenbaarheid Gods II, 14, 19;

over de bewijzen voor Gods bestaan II, 52;

zijn Godsbegrip II, 83, 267;

over de geestel. natuur Gods II, 148;

over den oorsprong der wereld II, 203, 391; III, 47;

zijn dialectische methode en haar tripliciteit II, 300;

over het Jodendom III, 202;

over den persoon van Christus III, 249;

symbolische opvatting van het werk van Christus III, 327;

over de heilsorde III, 460, 468;

over de Kerk IV, 20.

Helmholtz, Over de qualitatieve eigenschappen d. dingen I, 147v.

Herbert van Cherbury, I, 125.

Hermes, I, 94.

Herrmann, Over den grond van het geloof in den persoon van Christus

I, 453v.

Hieronymus, I, 72;

zijn beperking van Gods alwetendh. II, 160; III, 11.

Hilarius Pictaviensis I, 71.

Hodge, Ch. I, 138.

Hoekstra, Zijn aansluiting aan Kant I, 450.

Hofmann, Over de Dogmatiek I, 434.

Holden, Over de inspiratie I, 313.

Holtius, I, 126; III, 453.

Honert, J. van den, Over geloof en rechtvaardigmaking III, 454.

Hopkins, Sam. I, 137.

Huss, Joh. I, 87.

Gereformeerde dogmatiek. Vierde deel · 第 43 / 83 题