§ 29. _De Schepping_ bl. 386-424 is het begin der uitvoering van Gods
raad. Haar leer neemt in de H. S. eene breede plaats in 1, en is alleen
te verstaan door het geloof, zoodat de Heidenen haar niet kenden en
de philosophie haar gewoonlijk verwierp, om de wereld pantheistisch of
materialistisch te verklaren 2. Pantheisme en materialisme zijn echter
beide onbekwaam, om ons den oorsprong der dingen te doen kennen 3. De
christelijke kerk hield zich dan ook aan de leer der H. S. 4, en leerde
eene schepping uit niets 5, welke door God drieëenig, Vader, Zoon en
Geest, tot stand was gebracht 6, en bepaaldelijk den Zoon tot Middelaar
heeft 7. Zij had niet plaats in, maar viel saam met de schepping van
den tijd 8, en had haar oorzaak niet in Gods overvloeiende volheid van
zijn noch in zijne armoede en behoefte 9, maar in Gods wil, die daarbij
de heerlijkheid van zijn naam beoogt 10. Als product van Gods wil, is de
wereld één geheel, dat de grootste verscheidenheid in zich bevat.
§ 30. _De geestelijke wereld_ bl. 424-456 omvat de wezens, die
gewoonlijk den naam van engelen dragen. Hun bestaan wordt schier in
alle godsdiensten aangenomen, maar is toch ook menigmaal verworpen
1; wijsgeerig en historisch onbewijsbaar, is het voor de religie,
schoon geen centraal dogma, toch van belang 2. De Schrift heeft
voor hen niet één gemeenschappelijken naam, maar noemt verschillende
klassen 3. Zij zijn echter daarin toch één, dat zij allen geschapene
4, geestelijke, onlichamelijke 5, redelijke 6, zedelijke wezens zijn 7,
wezenlijk onderscheiden van den mensen, die beeld Gods is 8, tot een
buitengewonen en gewonen dienst in het koninkrijk der hemelen geroepen,
die echter geen personeele bescherming en voorbede insluit 9, en op
geen godsdienstige vereering aanspraak geeft 10.
§ 31. _De stoffelijke wereld_ bl. 456-489 blijft in haar oorsprong
buiten de H. S. onverklaard 1, maar ontstaat volgens Gen. 1:1 door
schepping uit niets (creatio prima) en wordt in de zes dagen toebereid
(creatio secunda) 2, waarbij eene bepaalde orde valt op te merken 3. Dit
hexaemeron werd in de christ. theologie dikwerf uitvoerig behandeld
en zonder bezwaar naar de heerschende wereldbeschouwing (ptolem.
kopernik.) gewijzigd 4. Maar de hypothese van Kant en Laplace 5, alsmede
die van de op de aardlagen gebouwde ontwikkelingsperioden der aarde zijn
met de Schrift moeilijk overeen te brengen 6. De pogingen tot verzoening
kunnen niet geslaagd heeten 7, al bevatten zij ook goede elementen
8. Maar eene juiste opvatting van het scheppingsverhaal 9, en eene
zuivere schifting tusschen het zekere en het onzekere in de geologische
wetenschap brengen toch eene voorloopige overeenstemming 10.
§ 32. _De oorsprong van den mensch_ bl. 490-507 is in het eerste en
tweede scheppingsverhaal verschillend beschreven maar volgens beide
verhalen aan Gods scheppende almacht te danken 1. De christ. kerk hield
dezen goddelijken oorsprong van den mensch tegen alle materialistische,
evolutionistische verklaring in vroeger en later tijd vast 2, en vond
daarin ook bij vele mannen van wetenschap, die het darwinisme bestreden,
steun 3. En voorts is tusschen de H. S. en de hedendaagsche wetenschap
niet alleen de oorsprong van den mensch in geschil, maar ook de
ouderdom 4, de eenheid 5, en de bakermat der menschheid 6.
§ 33. _Het wezen van den mensch_ bl. 508-545 ligt volgens de H. S.
daarin, dat hij beeld Gods is 1. De inhoud van dit beeld werd in de
christ. kerk verschillend opgevat. Vooral kwamen er allengs twee
opvattingen tegenover elkander te staan, de naturalistische 2, die
door historie, Schrift en gezonde redeneering gelijkelijk weersproken
wordt 3, en de supranaturalistische, die in de Roomsche leer van het
donum superadditum tot ontwikkeling kwam 4, maar op eene valsche
conceptie van den mensch en van zijne bestemming berust 5. De Hervorming
leerde daarom, dat het beeld Gods wezenlijk eigen was aan den mensch
6, niet als eene substantie, maar als eene bij het wezen des menschen
behoorende qualiteit 7. De gansche mensch is toch beeld Gods, gelijk
de Gereformeerden met hun onderscheiding van beeld Gods in ruimer en
enger zin tegen de Lutherschen erkenden, naar ziel en geest, die geen
twee substantiën zijn, en naar al hun vermogens 8, naar de deugden van
kennis, gerechtigheid en heiligheid (justitia originalis) en zelfs
in zekeren zin naar het lichaam 9. De menschelijke natuur is onder de
werken der schepping de hoogste openbaring Gods 10.
§ 34. _De bestemming van den mensch_ bl. 545-571. Adam, schoon Gods
beeld, had volgens de H. S. terstond het hoogste nog niet en werd
daarom in het verbond der werken geplaatst 1. De christ. theologie
heeft deze waarheid niet ten volle erkend en Adams toestand beurtelings
te laag of te hoog geschat. Maar de Geref. hebben haar in de leer van
het foedus operum opgenomen 2, eene leer, die, schoon al te schoolsch
ontwikkeld, toch eene diepe gedachte bevat, wijl zij de religie als
gemeenschap met God handhaaft 3, met Adams staat vóór den val ten volle
rekening houdt 4, den rijkdom van het beeld Gods eerst in het menschelijk
geslacht zich ontvouwen laat 5, en daarom ook verklaart, waarom
Roomschen en Gereformeerden, in onderscheiding van de Lutherschen, over
het algemeen aanhangers van het creatianisme waren 6, 7.