§ 20. _De onbegrijpelijkheid Gods_ bl. 1-24. De dogmatiek leeft in
het mysterie, want zij heeft altijd te doen met God, die volgens de
H. S. onbegrijpelijk en zelfs met geen naam te noemen is 1. Deze
onbegrijpelijkheid Gods is ook buiten het terrein der bijz. openbaring
erkend 2, in de christ. theol. van de kerkvaders 3, 4, van de
scholastici 5, van de reformatoren opgenomen 6, en in de nieuwere
philosophie vervangen door de volstrekte onkenbaarheid Gods 7, 8. De
gronden, welke dit agnosticisme aanvoert 9, zijn, al is er zeer zeker
geen adaequate kennis van God, niet houdbaar, wijl het agnosticisme
alle spreken bij ons over God en alle openbaring van Gods zijde aan ons
onmogelijk zou maken 10. De loochening van de kenbaarheid Gods sluit in,
dat God zich niet heeft willen en niet heeft kunnen openbaren, en dat
wij ook zelfs den grond missen, om zijn bestaan aan te nemen 11.
§ 21. _De kenbaarheid Gods_ (_cognitio Dei insita_) bl. 24-44. God is
kenbaar, voorzoover Hij zich openbaart. En dat Hij zich openbaart, staat
vast volgens Schrift en natuur en wordt door alle menschen bevestigd;
atheisten zijn er schier niet 1. De natuurlijkheid, algemeenheid en
noodzakelijkheid der Godskennis hebben velen geleid tot het geloof aan
aangeboren begrippen 2, 3. Maar de christ. theol. verwierp deze leer,
niet alleen patres en scholastici 4, maar ook Luth. en Geref. 5, wijl
zij tot rationalisme of mysticisme voerde 6. Doch daarmede werd niet
ontkend, dat de mensch de potentia en inclinatio meebrengt, om vanzelf,
zonder wetenschappelijke redeneering tot eenige kennisse Gods te komen 7.
§ 22. _De kenbaarheid Gods_ (_cognitio Dei acquisita_) bl. 44-62.
De cognitio Dei insita wordt vermeerderd door de langs den weg van
nadenken en redeneering verkregen cognitio Dei acquisita 1. Beide
behooren tot de theologia naturalis, die geen product is van de
menschelijke rede maar in de Schrift is opgenomen en door den geloovige
uit de natuur wordt afgeleid 2. De H. S. bewijst Gods bestaan niet
maar getuigt ervan 3. De zoogen. bewijzen voor Gods bestaan, deels
over-, deels onderschat 4, n.l. het ontologisch 5, kosmologisch 6,
teleologisch 7, en moreel bewijs 8, heeten ten onrechte bewijzen maar zijn
signa en testimonia, dat God zich niet onbetuigd laat aan den mensch 9.
§ 23. _De Namen Gods_ bl. 62-78. Al wat van God door zijne openbaring
kenbaar wordt, vat de H. S. saam onder de namen, waarmede God, op grond
van zijne openbaring (nomen editum), genoemd wordt (nomen inditum) 1. Al
die namen zijn anthropomorphistisch 2, en naar de analogie in schepselen
gevormd 3, maar dit terecht, wijl God zelf in en door de schepselen zich
openbaart en op geen andere wijze noembaar is 4. Zij geven daarom wel
geen adaequate doch ook geen onware 5, maar eene ectypische, analoge
kennis van God 6.
§ 24. _Indeeling der namen Gods_ bl. 78-102. De H. S. eert gelijkelijk
alle deugden Gods en kent de onderscheiding niet tusschen wezen
en eigenschappen 1, die later in de theologie opkwam en het wezen
Gods deed omschrijven als het Absolute of als Souverein of als Vader
enz., 2-4, en de eigenschappen daarvan afzonderde 5. Maar er is
bij God geen onderscheid tusschen wezen en eigenschappen 6, al zijn
ook de eigenschappen onderling verschillend ratione ratiocinata 7.
De eigenschappen werden op velerlei wijze ingedeeld 8, maar al die
indeelingen komen zakelijk overeen en worden door dezelfde bezwaren
gedrukt, zoodat eene goede indeeling moeilijk te vinden is 9.
§ 25. _De eigennamen Gods_ bl. 102-115, in ruimer zin zoo genomen, zijn
die, waarmede God benoemd en aangesproken wordt, zooals θεος, deus, God
1, in de H. S., El, Elohim, Eljon, Adonai 2, El Schaddai, Ihvh 3, Ihvh
Zebaoth 4, κυριος, πατηρ, Vader, Zoon en H. Geest 5.
§ 26. _De wezensnamen Gods_ bl. 115-227, welke vóór de leer der
triniteit dienen behandeld te worden, bevatten eerst die, waarmede
God als de _Zijnde_ in volstrekten zin wordt aangeduid, n.l. de
onafhankelijkheid 1, de onveranderlijkheid 2, de oneindigheid, welke
weder insluit de eeuwigheid 3, en de alomtegenwoordigheid 4. Vervolgens
zijn er namen, die ons God doen kennen als den Levende, als _Geest_,
n.l. de eenvoudigheid 5, de geestelijkheid 6, de onzienlijkheid 7.
Verder zijn er namen, die het Goddelijk wezen omschrijven als volkomen
zichzelf bewust, als _Licht_, n.l. kennis van zichzelven en van de
wereld (waarbij de praescientia en de scientia media ter sprake komt)
8, wijsheid (ideeën in God) 9, waarachtigheid 10. Voorts zijn er namen,
die ons wijzen op de ethische natuur van Gods wezen en Hem doen kennen
als den _Heilige_, n.l. goedheid (goedertierenheid, barmhartigheid,
lankmoedigheid, genade, liefde) 11, heiligheid 12, heerlijkheid 13,
gerechtigheid 14. En eindelijk zijn er namen, waarin God ons tegemoet
treedt als de absolute macht, als _Souverein_, n.l. de wil, die als
propensio Dei in se ipsum (necessaria) en als propensio in creaturas
(libera) onderscheiden wordt 15, in laatstgenoemden zin wel als vrij
maar niet als pure willekeur te denken is 16, voorts in voluntas
beneplaciti en signi uiteenvalt 17, en eindelijk als almacht te eeren is
18.
§ 27. _De personeele namen Gods_ bl. 227-312 doen ons in het ééne
Goddelijke wezen de zelfonderscheidingen kennen, welke reeds in het
O. T. (Elohim of Ihvh brengt alles tot stand door Woord en Geest)
voorkomen 1, maar, vooral ook in tegenstelling met de dwaalleer der
tusschenwezens in de Joodsche philosophie 2, 3, in het N. Test. veel
helderder worden geopenbaard. Het N. Test. leert niet alleen, dat alles
in natuur en genade tot stand komt door Vader, Zoon en Geest 4, maar
doet ons ook iets kennen van de relatiën tusschen deze drie personen,
als het den Vader in metaph. zin den Vader van Christus 5, Christus in
specialen zin het Woord, den Zoon, het Beeld Gods 6, en den Geest in
bijzonderen zin Geest des Vaders en des Zoons noemt 7. Deze gegevens der
H. S. leidden de kerk tot de belijdenis van de triniteit, een leerstuk,
dat in den eersten tijd door Justinus, Irenaeus, Tertullianus, Origenes
ontwikkeld 8, vervolgens vooral door Athanasius 9 en Augustinus
uitgewerkt en verdedigd werd 10, maar door Arianisme en Sabellianisme
11, en de daarbij zich aansluitende richtingen sterk bestreden werd
12, 13. De termen, die bij dit dogma gebruikelijk zijn, wezen, personen,
drieëenheid enz., zijn wel niet uit de Schrift genomen maar zijn daarom
niet ongeoorloofd 14. Het woord wezen duidt de Godheid, de Goddelijke
natuur aan, gelijk die in de personen bestaat 15. Personen heeten de
drie zelfstandige modi subsistendi in het ééne Goddelijk wezen 16, die
van dat wezen niet re maar toch realiter verschillen en onderling
onderscheiden zijn in namen, personeele eigenschappen en wijze van werken
17. De eerste persoon heeft als personeele eigenschap de paternitas
18. De tweede persoon is de Zoon, die door geestelijke, eenvoudige,
eeuwige generatie uit het wezen des Vaders is gegenereerd 19. De derde
persoon is de Geest, wiens persoonlijkheid en Godheid, schoon in de kerk
later erkend dan die des Zoons, voor leer en leven van het hoogste
belang is 20, en wiens personeele eigenschap de εκπορευσις is, niet
alleen uit den Vader 21, maar ook uit den Zoon, Filioque 22. Deze
ontologische triniteit spiegelt zich af in de oeconomische, welke met
de eenheid ook het onderscheid der drie personen in de openbaring doet
uitkomen 23, maar zij is, schoon het zeer veel beproefd is, moeilijk door
beelden op te helderen of door redeneeringen te bewijzen 24. Toch is zij
voor de leer van God, van schepping en herschepping, ja voor heel de
christelijke religie van de grootste beteekenis 25.
§ 28. _De Raad Gods_ bl. 313-385, die, als omvattend de opera
essentialia ad intra, het verband aanwijst tusschen God en zijne werken
(opera ad extra), komt in het O. T. vooral voor als feit in de
historie 1, en blijkt in het N. T. duidelijk te zijn eeuwig, persoonlijk
en betrekking hebbende op de bestemming hiernamaals 2. Maar in de
christ. kerk werd de leer der praedestinatie door de Grieksche kerk,
door Pelagianisme, Semipelagianisme 3, door de Roomsche kerk 4, en
zelfs door de Lutherschen verzwakt 5, terwijl de Gereformeerden haar
wel handhaafden, maar over de methode van behandeling 6, en over de
infral. of supral. orde der decreten verschilden 7, en vele anderen,
Socin., Remonstr. enz., ze ontkenden of in een wijsgeerig determinisme
omzetten of in pelag. of semipel. zin wijzigden 8. Nu is Gods raad niets
anders dan zijn eenvoudig en eeuwig besluit over al wat in den tijd zijn
of geschieden zal 9, allereerst omvattend de providentia in den zin
van ratio ordinis rerum 10, en vervolgens de praedestinatio, die
door het Pelag. voor de praescientia ingeruild 11, en vooral op drie
punten bestreden wordt 12. Onder de Geref. was er verschil over hare
infral. of supral. orde 13, die beide iets voor en iets tegen hebben
14 en geen van beide de ware oplossing bieden 15. De reprobatio, die
in de H. S. herhaaldelijk voorkomt, behoort in zekeren zin beslist tot
de praedestinatie 16, maar behoort er toch in een anderen zin toe dan
de electie 17, in welke de praedestinatie haar einde bereikt en tot
haar volle realiteit komt 18, want de verkiezing heeft Christus en zijne
gemeente tot voorwerp en de eere Gods in de redding van de gevallen
wereld tot doel 19.