§ 1. _Naam en begrip der Dogmatiek_ bl. 1-9. Namen der dogmatiek n.
1[A]. Het woord dogma 2. Gezag van het dogma 3. Materieele inhoud van
het dogma 4. 5.
[A] Deze cijfers duiden de nummers aan, waaronder de stof der
verschillende paragrafen verdeeld is.]
§ 2. _Encyclopaedische Plaats der Dogmatiek_ bl. 9-14. In de system.
Theologie 1. Onderscheid der Dogmatiek van de Symboliek, Catechetiek 2
en Ethiek 3.
§ 3. _Methode der Dogmatiek_ bl. 14-31. Schrift, kerk en persoonlijke
overtuiging als factoren, waarmede de Dogmatiek te rekenen heeft 1-3.
Kritische richting, die de kennis put uit het subject 4. Kerkelijke, die
de traditie onfeilbaar acht 5. Bijbelsche, die de Schrift raadpleegt
buiten de historie om 6. Beteekenis der kerk en van hare belijdenis voor
de Dogmatiek 7. Van de Schrift (en de openbaring Gods in de natuur,
theol. naturalis) 8. Van de persoonlijke overtuiging 9.
§ 4. _Indeeling der Dogmatiek_ bl. 31-51. Bij Clemens, Orig.,
Theodoretus, Damascenus, Augustinus 1, Lombardus, Bonaventura, Thomas
2, latere Roomsche theologen 3. Bij Melanchton, Calvijn 4, en latere
Geref. en Luth. theologen 5. Reactie tegen de synthet. methode bij
Calixtus, Coccejus 6, en nog sterker bij het Rationalisme 7, en is de
nieuwe theologie 8. Indeeling in algemeen en bijzonder deel, en van dit
laatste naar de synthetische orde 9. 10.
§ 5. _Geschiedenis en Litteratuur der Dogmatiek_ bl. 51-139.
Wetenschappelijke theologie, die bij de Apost. vaders nog niet voorkomt
1, wordt na de bestrijding van het geloof door Lucianus, Celsus,
Porphyrius, Julianus, de Gnostieken ter zelfverdediging bij de
Apologeten noodzakelijk 2, en gaat dan in de richting der N. Afr.,
Klein-Az., of Alex. School uiteen 3, en krijgt in den twist tegen het
monarchianisme in de 3e eeuw een vasten grondslag 4. Vaststelling en
verdediging van het trinitarisch en christologisch dogma in het Oosten
in de 4e tot de 8e eeuw 5. De dogmatische ontwikkeling loopt in het
Oosten uit op Joh. Damascenus 6, en zet zich dan wel voort maar is voor
een groot deel nog onbekend 7. De dogmatiek in het Westen draagt van
den aanvang af, reeds bij Tert., Cypr., Iren., een eigen karakter, al is
zij ook van het Oosten afhankelijk 8, en krijgt haar uitnemendsten tolk in
Augustinus 9. Gregorius leidde kerk en theologie over naar de nieuwe
volken, die eerst beide eenvoudig overnamen (Isidorus, Alcuinus) 10,
maar dan zelfstandig werden en in de scholastiek een eigen theologie
voortbrachten 11. De scholastiek verliep in drie perioden 12, en had
de mystiek naast zich 13. In het laatst der M. E. kwam zij in verval
en stond aan veel critiek bloot, maar zij herstelde zich na de Herv.
weer 14, en kwam vooral in Spanje tot bloei 15. In de 18e eeuw kwam de
Roomsche theologie onder invloed van het Rationalisme 16, en bleef daar
ook nog ten deele onder in de 19e eeuw (Hermes, Günther); maar zij wist
zich toch weer vrij te maken en trad als traditionalisme, romantisme,
bemiddelingstheologie en vooral als Thomisme weer zelfstandig op
17. De Luthersche Reformatie kreeg haar eersten dogmaticus in
Melanchton en haar consensus in de Form. Conc. 18, werd in de 17e
eeuw scholastisch ontwikkeld 19, maar in de 18e eeuw verzwakt door
Pietisme, Hernhuttisme, Rationalisme 20, 21, en sloot zich in deze
eeuw vooral bij de verschillende stelsels van wijsbegeerte aan, bij Kant
22, Jacobi 23, Schleiermacher 24, Hegel 25, Schelling 26, of trad op
als confessionalisme, Bijbelsche theologie 27, of neokantianisme 28. De
Zwitsersche Reformatie, die principieel van de Duitsche verschilt 29,
ontving haar dogmatisch systeem van Calvijn en vond ingang in Frankrijk,
Nederland, Engeland, Schotland, Duitschland 30. Tegen het einde der
16e eeuw kwam in de Geref. theologie de scholastische methode op, die
haar in verschillende landen tot grooten bloei bracht 31, maar door
Anab., Arm., Cartes., Coccejanisme 32, Amyraldisme, Independentisme,
Baptisme, Kwakerisme, Deisme tot verval kwam 33. Tolerantie, neologie,
supranaturalisme, neonomisme kwamen nu aan het woord 34. Maar tegenover
de negatieve richtingen in ons vaderland van supranaturalisme,
Groninger en moderne theologie kwam er eene herleving van de positieve
theologie door Afscheiding en Reveil, Utrechtsche en ethisch-iren.
richting en door het ontwakend Calvinisme 35, eene herleving, die ook
elders voorkomt, maar gewoonlijk een minder beslist Geref. karakter
draagt, Duitschland 35, Zwitserland en Frankrijk 36. Engeland en
Schotland 37, Amerika 38, 39.