30 Juli, 1914.

Aan Z. Excellentie den heer DAVIGNON, Minister van Buitenlandsche Zaken,

Mijnheer de Minister,

De dag van gisteren en eergisteren zijn voorbij gegaan, in

afwachting van de gebeurtenissen, die op de oorlogsverklaring van

Oostenrijk-Hongarije aan Servië moesten volgen. De meest tegenstrijdige

berichten worden verspreid, zonder dat het mogelijk zou zijn geweest, in

verband met de bedoelingen van de Keizerlijke Russische regeering, het

ware precies van het onware te onderscheiden. _Het staat slechts vast,

dat Duitschland zich hier, evenals in Weenen, moeite gegeven heeft een

middel te vinden, teneinde een algemeen conflict te vermijden._ Dat het

echter aan den eenen kant gestooten is, op de vastbeslotenheid van het

Weensche kabinet, geen stap terug te wijken, en aan den anderen kant op

het wantrouwen van het Petersburgsche kabinet, tegenover de verzekering

van Oostenrijk-Hongarije, dat het slechts aan eene bestraffing en niet

aan eene annexatie van Servië dacht.

De heer SASANOW heeft verklaard, dat het voor Rusland onmogelijk was,

zich niet gereed te houden en niet te mobiliseeren, dat echter deze

voorbereidingen niet tegen Duitschland waren gericht. Hedenmorgen

kondigt een officiëel communiqué aan de couranten aan, dat „de

reservisten in een _bepaald_ aantal gouvernementen onder de wapens

zijn geroepen”. _Wie de terughoudendheid van de Russische officiëele

communiqué's kent, kan gerust aannemen, dat overal gemobiliseerd wordt._

_De Duitsche gezant_ heeft heden morgen verklaard, dat hij aan het

einde is gekomen van zijne, sedert Zaterdag onafgebroken voortgezette,

bemoeiingen om tot een vergelijk te komen en dat hij bijna geen hoop

meer heeft. Zooals mij zooeven wordt medegedeeld, heeft zich ook de

_Engelsche gezant_ in gelijken geest uitgesproken. Engeland hoeft

onlangs een scheidsrechterlijke uitspraak voorgeslagen. De heer SASANOW

antwoordde: „Wij hebben dit Oostenrijk-Hongarije zelf voorgeslagen,

maar het heeft dit voorstel afgewezen”. Op het voorstel van eene

conferentie, heeft Duitschland met het voorstel van een vergelijk

tusschen de kabinetten geantwoord: Men zou zich werkelijk afvragen

of niet de geheele wereld den oorlog wenscht, en slechts probeert de

oorlogsverklaring nog wat uit te stellen, teneinde tijd te winnen.

_Engeland gaf aanvankelijk te verstaan dat het niet in een conflict

betrokken wilde worden. Sir George Buchanan sprak dit openlijk uit._

Heden is men er in St. Petersburg vast van overtuigd, ja men heeft

zelfs _de toezegging, dat Engeland Frankrijk helpen zal. Deze hulp

legt bijzonder veel gewicht in de schaal en heeft er niet weinig toe

bijgedragen om de oorlogspartij de overhand te verschaffen._

De Russische regeering heeft in de laatste dagen aan alle uitingen van

vriendschap voor Servië en vijandschap voor Oostenrijk den _vrijen

loop_ gelaten, en heeft op geenerlei wijze gepoogd die te verstikken.

In den Ministerraad die gisterenmorgen vroeg plaats vond, bleek nog

verschil van meening te bestaan. Het bekendmaken van de mobilisatie

werd verschoven, _maar sedert heeft er eene ommekeer plaats gehad. De

oorlogspartij heeft de overhand gekregen en van morgen vroeg om 4 uur

werd de mobilisatie bekend gemaakt._

Het leger, dat zich sterk voelt, is vol geestdrift en koestert groote

verwachtingen van de buitengewone vorderingen, die sedert den

Japanschen oorlog gemaakt zijn. _De marine_ is van de verwezenlijking

van haar vernieuwings- en reorganisatieplan nog zoover verwijderd, _dat

met haar bijna niet behoeft te worden rekening gehouden_. Dat is juist

de grond, waarom de toezegging van de Engelsche hulp eene zoo groote

beteekenis kreeg.

Zooals ik de eer had U heden te telegrapheeren (T. 10), schijnt iedere

hoop op eene vredelievende oplossing vervlogen te zijn, dat is de

opvatting in diplomatieke kringen.

Voor mijn telegram heb ik den weg over Stockholm, over den kabel van

de Nordiska gebruikt, daar deze zekerder is dan de andere. Dit bericht

vertrouw ik aan een particulieren koerier toe, die het in Duitschland op

de post zal doen.

Wil Mijnheer de Minister, de verzekering ontvangen van mijne grootste

hoogachting,

w. g. B. DE L'ESCAILLE.

Bijlage 29.

#Prins Heinrich aan den Koning van Engeland.#

Telegram van Z.K.H. Prins HEINRICH aan den Koning van Engeland, d.d. 30

Juli 1914.

Ben sedert gisteren hier, heb datgene, wat gij mij zoo vriendelijk l.l.

Zondag in Buckingham Palace gezegd hebt, WILHELM medegedeeld, die je

boodschap dankbaar ontvangen heeft.

WILHELM, _die zeer bezorgd is, doet zijn uiterste best, om aan het

verzoek, van_ NICOLAAS _te voldoen en te werken voor het behoud van den

vrede._ Hij staat voortdurend in telegrafisch verkeer met NICOLAAS, die

heden het bericht bevestigt, dat hij _last gegeven heeft tot militaire

maatregelen, die met eene mobilisatie gelijk staan_, en dat deze

maatregelen, reeds vijf dagen geleden getroffen zijn.

Bovendien ontvangen wij berichten dat _Frankrijk militaire

toebereidselen treft, terwijl wij nog geenerlei maatregelen genomen

hebben_, waartoe wij intusschen ieder oogenblik gedwongen kunnen worden,

als onze buren daarmede doorgaan. Dat zou dan een Europeesche oorlog

beteekenen.

_Als gij werkelijk en oprecht wenscht, dit vreeselijk ongeluk te

voorkomen, mag ik je dan voorstellen, je invloed op Frankrijk en

Rusland aan te wenden, opdat zij neutraal blijven._ Dat zou m. i. van

groot nut zijn. Ik houd dit voor eene onfeilbare, en misschien ook de

eenige mogelijkheid, om den vrede in Europa te redden. Ik wil hieraan

toevoegen, dat thans meer dan ooit Duitschland en Engeland elkaar

behoorden te helpen, om een vreeselijk onheil te voorkomen, dat anders

onafwendbaar schijnt.

Geloof mij, dat WILHELM zoo oprecht mogelijk is in zijne pogingen om

den vrede te bewaren. De militaire toebereidselen van zijn beide buren

zouden hem ten slotte echter kunnen dwingen, voor de veiligheid van zijn

eigen land, dat anders weerloos zou blijven, hun voorbeeld te volgen. Ik

heb WILHELM ingelicht over mijn telegram aan jou en hoop, dat gij mijne

mededeelingen ontvangen zult met de zelfde vriendschappelijke gevoelens,

die ze mij in de pen gegeven hebben.

w. g. HEINRICH.

Bijlage 30.

#De Koning van Engeland aan Prins Heinrich.#

Telegram van den Koning van Engeland aan Prins HEINRICH van Pruisen,

d.d. 30 Juli 1914.

Dank voor je telegram. Zeer verheugd te hooren van WILHELM'S pogingen,

om met NICOLAAS voor het behoud van den vrede samen te werken. Ik

koester den ernstigen wensch, _dat zulk een ongeluk, als een Europeesche

oorlog zijn zou, dat volstrekt niet meer zou zijn goed te maken,

voorkomen moge worden. Mijne regeering doet wat in haar macht is,

om Rusland en Frankrijk te overreden, verdere militaire maatregelen

op te schorten_, voor het geval dat Oostenrijk zich tevreden stelt

met de bezetting van Belgrado en het aangrenzende Servische gebied,

als onderpand voor eene bevredigende regeling van zijn eischen,

terwijl de andere landen dan tegelijkertijd hun oorlogstoebereidselen

staken. Ik vertrouw, dat WILHELM zijn grooten invloed zal gebruiken

om Oostenrijk te bewegen dit voorstel aan te nemen. Daardoor zou hij

bewijzen, dat Duitschland en Engeland samenwerken om te voorkomen wat

eene internationale catastrophe zou zijn. Wees zoo goed WILHELM te

verzekeren, dat ik alles zal doen wat in mijn macht ligt om den vrede in

Europa te bewaren.

w. g. GEORGE.

Bijlage 31.

#Keizer Wilhelm aan Koning George.#

Telegram van Z. M. den Keizer aan den Koning van Engeland, d.d. 31 Juli

1914.

Zeer bedankt voor je vriendelijke mededeeling. Je voorstellen komen

overeen met mijn denkbeelden en met de mededeelingen, die ik hedennacht

uit Weenen ontvangen en naar London doorgezonden heb. Ik heb juist

van den kanselier bericht gekregen, dat hij _zooeven mededeeling

ontvangen heeft, dat NICOLAAS heden de mobilisatie van zijn geheele

leger en vloot heeft bevolen. Hij heeft niet eens den uitslag van de

bemiddeling, waaraan ik werk, afgewacht en mij geheel zonder bericht

gelaten. Ik ga naar Berlijn, teneinde zorg te dragen voor de veiligheid

aan mijn oostelijke grens_, waar reeds sterke Russische afdeelingen zijn

opgesteld.

w. g. WILHELM.

Bijlage 32.

#Keizer Wilhelm aan Koning George.#

Telegram van Z. M. den Keizer aan den Koning van Engeland, d.d. 1

Augustus 1914.

Ik heb zooeven de mededeeling van je regeering gekregen, waarbij zij

de _neutraliteit van Frankrijk onder waarborg van Groot-Brittanië_

aanbiedt. Bij dit aanbod was de vraag gevoegd, of _Duitschland onder

deze omstandigheden ervan zou willen afzien, Frankrijk aan te vallen_.

Om technische redenen moet de mobilisatie naar twee fronten naar het

oosten en naar het westen, waartoe ik hedenmiddag last gegeven heb,

haar beloop hebben, zooals zij voorbereid is. _Tegenbevel kan niet meer

gegeven worden_, omdat je telegram helaas te laat kwam. _Als echter

Frankrijk mij zijne neutraliteit aanbiedt, die door het leger en de

vloot van Engeland gewaarborgd moeten worden, zal ik natuurlijk afzien

van een aanval op Frankrijk_, en mijn troepen elders gebruiken. Ik hoop

dat Frankrijk niet zenuwachtig wordt. _De troepen aan mijn grens krijgen

juist telegraphisch en telefonisch bevel, het Fransche gebied niet te

overschrijden._

w. g. WILHELM.

Bijlage 33.

#Telegram van den Keizerlijken ambassadeur in Londen aan den

Rijkskanselier, d.d. 1 Augustus 1914.#

Zooeven heeft mij Sir EDWARD GREY aan de telefoon geroepen en mij

gevraagd, of ik meende te kunnen verklaren, dat in geval Frankrijk

neutraal bleef in een Duitsch-Russischen oorlog, wij de Franschen niet

zouden aanvallen. Ik verklaarde hem, dat ik meende, de verantwoording

daarvoor op mij te kunnen nemen.

w. g. LICHNOWSKY.

Bijlage 34.

#Rijkskanselier Von Bethmann Hollweg aan den Ambassadeur Prins

Lichnowsky.#

Telegram van den rijkskanselier aan den keizerlijken ambassadeur te

Londen, d.d. 1 Augustus 1914.

_Duitschland is bereid, in het Engelsche voorstel te treden, als

Engeland met zijn strijdmacht voor de onvoorwaardelijke neutraliteit

van Frankrijk in het Duitsch-Russisch conflict borg staat._ De Duitsche

mobilisatie heeft heden, op grond van Rusland's uitdagende houding

plaats gevonden, vóór de Engelsche voorstellen hier aangekomen waren.

Dientengevolge is ook aan onzen opmarsch aan de Fransche grens niets

meer te veranderen. _Wij staan er echter voor in, dat de Fransche grens

tot Maandag 3 Augustus, des avonds om 7 uur, door onze troepen niet zal

overschreden worden, als tegen dat tijdstip Engeland zijne toezegging

gedaan heeft._

w. g. BETHMANN HOLLWEG.

Bijlage 35.

#Koning George aan Keizer Wilhelm.#

Telegram van den Koning van Engeland aan Z. M. den Keizer d.d. 1

Augustus 1914.

In antwoord op je telegram, dat ik zooeven ontvangen heb, meen ik,

dat _een misverstand_ moet bestaan betreffende eene opmerking, welke

gevallen is tijdens een vriendschappelijk onderhoud tusschen prins

LICHNOWSKY en Sir EDWARD GREY, toen zij de vraag behandelden, hoe men

een werkelijken strijd tusschen het Duitsche en Fransche leger zou

kunnen vermijden, zoolang nog de mogelijkheid bestaat, dat Oostenrijk

en Rusland tot eene overeenkomst komen. Sir EDWARD GREY zal prins

LICHNOWSKY morgenochtend opzoeken, om uit te maken, of er van zijn kant

een misverstand bestaat.

w. g. GEORGE.

Bijlage 36.

#Prins Lichnowsky aan Rijkskanselier Von Bethmann Hollweg.#

Telegram van den keizerlijken ambassadeur te Londen aan den

rijkskanselier, d.d. 2 Augustus 1914.

_Het door Sir EDWARD GREY opgeworpen denkbeeld_, dat op den wensch

berustte, om de mogelijkheid te scheppen van eene duurzame neutraliteit

van Engeland, _is zonder ruggespraak met Frankrijk, en zonder kennis van

de mobilisatie geuit, en intusschen als volkomen hopeloos opgegeven_.

w. g. LICHNOWSKY.

Bijlage 37.

#Woordelijke inhoud van de telegraphische bevelen aan den Duitschen

gezant te Brussel van den 2en Augustus 1914.#

De Keizerlijke regeering is in het bezit van betrouwbare berichten

over den _voorgenomen opmarsch van de Fransche strijdkrachten aan de

Maas_ in de richting Givet–Namur. Zij laten _geen twijfel_ bestaan

omtrent de _bedoeling van Frankrijk om door Belgisch gebied Duitschland

aan te grijpen_. De keizerlijke regeering kan zich niet aan de vrees

onttrekken, dat _België met den besten wil niet in staat zal zijn een

Franschen aanslag met zooveel hoop op goeden uitslag af te weren_, dat

daarin voldoende zekerheid kan worden gevonden tegen de bedreiging van

Duitschland. Het is _een gebod van zelfbehoud voor Duitschland den

vijandelijken aanval te voorkomen_.

Het zou daarom der Duitsche regeering zeer veel leed doen, wanneer

België er een daad van vijandschap tegen zichzelf in zou zien, wanneer

de maatregelen van Duitschland's tegenstanders het dwingen uit tegenweer

ook zijnerzijds het Belgische grondgebied te betreden. Teneinde alle

misverstand uit te sluiten verklaart de Keizerlijke regeering het

volgende:

1. _Duitschland beoogt geenerlei vijandelijkheden tegen België._ Wanneer

België bereid is in den aanstaanden oorlog tegenover Duitschland

eene welwillende neutraliteit in acht te nemen, _dan verplicht zich

de Duitsche regeering bij het sluiten van den vrede het bezit en

de onafhankelijkheid van het Koninkrijk in zijn vollen omvang te

waarborgen_.

2. Duitschland verplicht zich onder bovengenoemd voorbehoud _het gebied

van het Koninkrijk weder te ontruimen zoodra de vrede gesloten is_.

3. Bij eene vriendschappelijke houding van België is Duitschland

bereid, in overeenstemming met de Koninklijk Belgische autoriteiten

_alle behoeften zijner troepen contant te betalen en iedere schade te

vergoeden_, die wellicht door de Duitsche troepen zou kunnen worden

veroorzaakt.

_Mocht België vijandig tegen de Duitsche troepen optreden_, in het

bijzonder door weerstand van de Maas-versterkingen, of door vernieling

van spoorwegen, wegen, tunnels enz., last veroorzaken, _dan zal

Duitschland tot zijn leedwezen gedwongen zijn, het Koninkrijk als vijand

te beschouwen. In dit geval zou Duitschland tegenover het Koninkrijk

geenerlei verplichting op zich kunnen nemen_, maar zou de verdere

regeling van de verhouding der beide staten tot elkander aan _de

beslissing der wapenen_ moeten worden overgelaten.

Bijlage 38.

#De schending der Belgische neutraliteit door Engeland en België.#

Door de verklaringen van Sir EDWARD GREY zelf is de bewering der

Engelsche regeering, dat de schending der Belgische neutraliteit door

Duitschland het ingrijpen van Engeland in den tegenwoordigen oorlog

heeft veroorzaakt, reeds bewezen, onhoudbaar te zijn. Op het pathos

van zedelijke verontwaardiging waarmede het Duitsche binnenrukken in

België van Engelsche zijde is gebruikt, tot het stemming maken tegen

Duitschland bij de neutralen, valt een nieuw en eigenaardig licht door

zekere documenten die het Duitsche legerbestuur in de archieven van den

Belgischen Generalen Staf te Brussel ontdekt heeft.

Uit den inhoud van het dossier, hetwelk het opschrift draagt

„Intervention anglaise en Belgique” blijkt dat reeds in het jaar _1906_

aan het zenden van een Engelsch expeditiecorps naar België, voor het

geval van een Fransch-Duitschen oorlog, is gedacht geworden. Volgens

een aangetroffen schrijven van den Belgischen Minister van Oorlog van

10 April 1906 heeft de chef van den Belgischen Generalen Staf met den

toenmaligen Engelschen militairen attaché te Brussel, luitenant-kolonel

BARNARDISTON op diens voorstel in herhaalde besprekingen een uitgebreid

plan voor gemeenschappelijke operaties van een Engelsch expeditiecorps

van 100.000 man met het Belgische leger tegen Duitschland uitgewerkt.

Het plan vond de goedkeuring van den chef van den Engelschen

Generalen Staf, generaal-majoor GRIERSON. Alle opgaven van sterkte en

samenstelling van de Engelsche troependeelen, over de samenstelling van

het expeditiecorps, de landingsplaatsen, eene nauwkeurige tijdberekening

voor het transport vanaf de landingsplaatsen, enz., werden den

Belgischen Generalen Staf geleverd. Op grond van deze berichten heeft

de Belgische Generale Staf het transport van Engelsche troepen naar het

Belgische operatiegebied en hunne onderdakbrenging en voeding aldaar,

nauwkeurig voorbereid. Tot in alle details is de samenwerking zorgvuldig

uitgewerkt. Zoo zouden het Engelsche leger een groot aantal tolken en

Belgische gendarmes ter beschikking gesteld worden en de noodige kaarten

worden geleverd. Zelfs aan de verpleging van de Engelsche gewonden was

reeds gedacht geworden.

Duinkerken, Calais en Boulogne waren als landingsplaatsen voor

de Engelsche troepen bestemd. Van hieruit zouden zij met Belgisch

spoorwegmaterieel naar het operatiegebied worden gebracht. De

voorgenomen landing in Fransche havens en het vervoer door Fransch

grondgebied, bewijst, dat aan de Engelsch-Belgische besprekingen

gelijksoortige met den Franschen Generalen Staf zijn voorafgegaan.

De drie mogendheden hebben de plannen voor een samenwerken van de

„verbonden legers” zooals zij in het stuk genoemd worden, nauwkeurig

vastgesteld. Daarvoor getuigt ook, dat tusschen de geheime stukken een

kaart van den Franschen opmarsen werd ontdekt.

Het genoemde schrijven bevat eenige opmerkingen van bijzonder belang.

Zoo wordt er op een bepaalde plaats gezegd, dat de luitenant-kolonel

BARNARDISTON gemerkt heeft, dat men op dat oogenblik op de ondersteuning

van Holland niet zou kunnen rekenen. Hij heeft verder vertrouwelijk

medegedeeld, dat de Engelsche regeering de bedoeling heeft, de basis

van den toevoer der Engelsche intendance naar Antwerpen te verplaatsen,

zoodra de Noordzee van alle Duitsche oorlogsschepen zou zijn gezuiverd.

Verder bracht de Engelsche militaire attaché, de inrichting van een

Belgischen spionnagedienst in de Rijnprovincie ter sprake.

Het aangetroffen militaire materiaal ontvangt eene waardevolle

aanvulling door een rapport van Baron GREINDL, die lange jaren Belgisch

gezant te Berlijn was, aan den Belgischen Minister van Buitenlandsche

Zaken, dat zich eveneens onder de geheime papieren bevond, waarin met

groote scherpzinnigheid de aan het Engelsche aanbod ten grondslag

liggende bijbedoelingen worden onthuld, en waarin de gezant wijst op

het bedenkelijke van de situatie, waarin zich België door een eenzijdig

partijkiezen ten gunste van de entente-mogendheden had begeven. In het

zeer uitvoerige rapport dat van den 23en September 1911 dateert, en

waarvan wij ons de volledige publicatie voorbehouden, zet Baron GREINDL

uiteen, dat het hem medegedeelde plan van den Belgischen Generalen Staf

voor de verdediging van de Belgische neutraliteit in het geval van een

Fransch-Duitschen oorlog zich alleen bezig houdt met de vraag, welke

militaire maatregelen men moet nemen voor het geval dat Duitschland de

Belgische neutraliteit schendt. Voor de hypothese van een Franschen

aanval op Duitschland door België was echter evenveel te zeggen. De

gezant zet dan verder het volgende uiteen:

Bijlage 39.

#Rapport van den Belgischen Gezant te Berlijn van den 23en September

1911.#

Van Fransche zijde dreigt ons het gevaar niet alleen in het zuiden

van Luxemburg. Het bedreigt ons langs onze geheele gemeenschappelijke

grens. Voor deze veronderstelling zijn wij niet alleen op vermoedens

aangewezen, wij hebben daarvoor positieve aanknoopingspunten.

De gedachte aan eene omvattende beweging vanuit het noorden, behoort

ongetwijfeld tot de combinaties van den entente cordiale. Wanneer dit

niet het geval was, dan zou het plan om Vlissingen te versterken niet

zulk een geschreeuw in Parijs en Londen hebben doen opgaan. Men heeft

daar de reden in het geheel niet geheim gehouden, waarom men wenschte

dat de Schelde geheel onverdedigd bleef. Men beoogde daarmee een

Engelsch garnizoen ongehinderd naar Antwerpen te kunnen overbrengen.

Men had alzoo de bedoeling, zich bij ons een operatie-basis voor een

offensief in de richting van den Neder-Rijn en Westphalen te verschaffen

en ons dan mee te slepen, wat niet moeilijk zou geweest zijn, want na

prijsgave van ons nationaal reduit, zouden wij door onze eigen schuld

van iedere mogelijkheid hebben afstand gedaan, weerstand te bieden

aan de eischen van onze twijfelachtige beschermers, nadat wij zoo

onverstandig geweest waren ze daar toe te laten. De evenzoo perfide

als naieve mededeelingen van den kolonel BARNARDISTON ten tijde van het

afsluiten van de entente cordiale hebben ons duidelijk getoond waar het

om ging. Toen het bleek dat wij ons door het z.g. dreigende gevaar van

de sluiting van de Schelde niet lieten bang maken werd het plan wel niet

opgegeven, maar zoo gewijzigd, dat het Engelsche hulpleger niet aan de

kust, maar in de naastbijliggende Fransche haven zou worden geland.

Hiervoor spreken ook de onthullingen van den kapitein FABER, die evenmin

zijn gedementeerd als de berichten uit de couranten, waardoor zij zijn

bevestigd of in enkele punten aangevuld. Deze in Calais of Duinkerken

gelande armee zou niet langs onze grens naar Longwy marcheeren teneinde

Duitschland te bereiken. Zij zou direct bij ons vanuit het noord-westen

binnendringen, dat zou haar het voordeel verschaffen onmiddellijk in

actie te kunnen treden en het Belgische leger in een streek te treffen,

waar wij, indien wij een slag zouden willen wagen ons op geen vesting

zouden kunnen steunen. Het zou het haar mogelijk maken, rijke provinciën

met hulpmiddelen van allerlei soort te bezetten, in ieder geval echter

onze mobiliseering te verhinderen, of die slechts toe te laten, nadat

wij ons formeel zouden hebben verplicht de mobiliseering slechts tot

voordeel van Engeland en zijne bondgenooten door te voeren. Het is

dringend noodzakelijk vooruit een strijdplan voor het Belgische leger

ook voor deze mogelijkheid op te maken. Dat gebiedt zoowel het belang

van onze militaire defensie, alsook de leiding van onze buitenlandsche

politiek voor het geval van een oorlog tusschen Duitschland en

Frankrijk”.

Deze uiteenzettingen van eene zijde, die vrij is van vooroordeel,

stellen op overtuigende wijze het feit vast, dat hetzelfde Engeland,

dat zich nu gedraagt als beschermer van de Belgische neutraliteit,

België verleid heeft tot een eenzijdig partijkiezen ten gunste der

entente-mogendheden en dat het op een bepaalden tijd zelfs aan eene

schending van de Hollandsche neutraliteit gedacht heeft. Verder blijkt

daaruit, dat de Belgische regeering, toen zij aan de Engelsche

influisteringen gehoor schonk, zich heeft schuldig gemaakt aan eene

ernstige schending van de plichten, die op haar als neutrale mogendheid

rustten. De nakoming van deze plichten zou hebben gevorderd, dat de

Belgische regeering in hare verdedigingsplannen ook met de schending

der Belgische neutraliteit door Frankrijk zou hebben rekening gehouden

en dat zij voor dat geval gelijksoortige overeenkomsten met Duitschland

zou hebben gesloten, zooals zij dat nu gedaan heeft met Frankrijk en

Engeland. De ontdekte stukken vormen een documentair bewijs voor het ter

toon aangevende plaatse in Duitschland reeds lang voor het uitbreken

van den oorlog bekende feit, dat België het met de entente-mogendheden

oogluikend was eens geworden. Zij dient als eene rechtvaardiging voor

ons militair optreden en als eene bevestiging van de informaties, die

de Duitsche legeraanvoering ontvangen had over de Fransche bedoelingen.

Zij mogen er het Belgische volk de oogen voor openen, aan wie het de

catastrophe te danken heeft, die thans over het ongelukkige land gekomen

is.

Bijlage 40.

#Telegram van den Minister van Buitenlandsche Zaken aan den Keizerlijken

Gezant te Tokio van 12 Augustus 1914.#

Oost-Aziatisch eskader bevel gegeven vijandelijke daden tegen Engeland

na te laten voor het geval Japan neutraal blijft. Verzoek Japansche

regeering mededeeling doen.

* * * * *

Hierop is van de zijde van Japan nimmer geantwoord.

Bijlage 41.

#Ultimatum overgereikt door den Keizerlijk Japanschen Chargé d'affaires

Baron Funakoshi den 17en Augustus 1914.#

„De Keizerlijk Japansche regeering beschouwt het in de tegenwoordige

omstandigheden als uiterst gewichtig en noodzakelijk maatregelen te

nemen om alle oorzaken voor eene storing van den vrede uit den weg te

ruimen en voor het algemeen belang te werken, dat het bondsverdrag

tusschen Japan en Groot-Brittanië op het oog heeft, teneinde een vasten

en voortdurenden vrede in Oost-Azië te verzekeren, welker vestiging het

doel was van het bovengenoemde verdrag. Ze houdt het daarom oprecht voor

hare plicht de Keizerlijk Duitsche regeering den raad te geven de beide

navolgende voorstellen uit te voeren.

Eerstens. Onmiddellijk uit de Japansche en Chineesche wateren de

Duitsche oorlogsschepen en bewapende vaartuigen van alle soort terug te

roepen en die welke niet kunnen worden teruggeroepen, onmiddellijk te

ontwapenen.

Tweedens. Tot ultimo 15 September 1914, het geheele pachtgebied

Kiautschou zonder voorwaarden en zonder schadeloosstelling aan de

Keizerlijke Japansche autoriteiten over te geven met het doel het

naderhand aan China terug te geven.

De Keizerlijk Japansche regeering kondigt tegelijkertijd aan, dat

zij, wanneer zij niet op ultimo 23 Augustus 1914 des namiddags van de

Keizerlijk Duitsche regeering een antwoord zal hebben ontvangen, hetwelk

de aanneming zonder voorwaarden inhoudt, van de door de Keizerlijk

Japansche regeering gegeven raadgevingen, zij zich genoodzaakt zal zien

te handelen, zooals zij het volgens den stand der zaken noodzakelijk

mocht oordeelen.”

Bijlage 42.

#Antwoord van de Keizerlijke regeering aan den Keizerlijk Japanschen

Chargé d'Affaires den 23en Augustus 1914 mondeling gegeven.#

„Op de Japansche eischen heeft de Duitsche regeering geenerlei antwoord

te geven. Zij ziet zich daarom genoodzaakt den Keizerlijken gezant te

Tokio terug te roepen en den Japanschen chargé d'affaires te Berlijn

zijn passen te geven”.

+-----------------------------------------------------------+

| |

| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |

| |

| De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: |

| |

| Bron (B:) -- Correctie (C:) |

| |

| B: Russische minister van oorlog SSUCHOMLINOW |

| C: Russische minister van oorlog SUCHOMLINOW |

| B: Moskou, Kasan gemobiliseerd worden. |

| C: Moskou, Kazan gemobiliseerd worden. |

| B: met den heer Sasanow de besprekingen te |

| C: met den heer SASANOW de besprekingen te |

| B: Kantlijn: Bijlage 25 |

| C: Kantlijn: Bijlage 25. |

| B: gerichte progaganda, d. w. z. |

| C: gerichte propaganda, d. w. z. |

| B: onmiddelijk over te gaan tot |

| C: onmiddellijk over te gaan tot |

| B: majoor VOJA TANKKOSIC en van een |

| C: majoor VOJA TANKOSIC en van een |

| B: den majoor VOJA TANKKOSIC opgemaakt. |

| C: den majoor VOJA TANKOSIC opgemaakt. |

| B: TANKKOSIC verschaft en ter |

| C: TANKOSIC verschaft en ter |

| B: GIGANOVIC, PRINCIP, GABRINOVIC |

| C: CIGANOVIC, PRINCIP, GABRINOVIC |

| B: subjective vervolging van persdelicten |

| C: subjectieve vervolging van persdelicten |

| B: gerechterlijk strafbare zaak is, schijnt |

| C: gerechtelijk strafbare zaak is, schijnt |

| B: bij het complot van 15/18 Juni |

| C: bij het complot van 15/28 Juni |

| B: van de K. en K. regeering |

| C: van de K. en K. regeering. |

| B: de generaal JANCOVIC en de vroegere |

| C: de generaal JANKOVIC en de vroegere |

| B: toont de „Narodna Obrana” haar werkelijk |

| C: toont de „Narodna Odbrana” haar werkelijk |

| B: licht op de veelzijdige bui- buitenlandsche |

| C: licht op de veelzijdige buitenlandsche |

| B: onderzoeken of de Soholvereenigingen in |

| C: onderzoeken of de Sokolvereenigingen in |

| B: werden door MILAN PRIMICEVIC vroegere |

| C: werden door MILAN PRIBICEVIC vroegere |

| B: onder bedenkelijke omstandigheden toegebracht |

| C: onder bedenkelijke omstandigheden toe gebracht |

| B: met behulp van PRIMICEVIC en DARSIC de |

| C: met behulp van PRIBICEVIC en DARSIC de |

| B: Uwe Exellentie wordt verzocht der |

| C: Uwe Excellentie wordt verzocht der |

| B: Oostenrijk plechtig verklaart heeft geen |

| C: Oostenrijk plechtig verklaard heeft geen |

| B: voor een eventeele verstoring |

| C: voor een eventueele verstoring |

| B: d.d. 1 Augustus 12,52 n.m. |

| C: d.d. 1 Augustus 12.52 n.m. |

| B: a une solution pacifique. Se rendant á |

| C: à une solution pacifique. Se rendant à |

| B: l'Angleterre était appliqué á |

| C: l'Angleterre était appliqué à |

| B: Cabinets de Vienne et de St. Petersbourg, |

| C: Cabinets de Vienne et de St. Pétersbourg, |

| B: d.d. 1 Augustus 1,05 n.m. |

| C: d.d. 1 Augustus 1.05 n.m. |

| B: aan eene bestraffiing en niet |

| C: aan eene bestraffing en niet |

| B: aanvankelijk te verstaam dat het niet |

| C: aanvankelijk te verstaan dat het niet |

| B: dat Nicolaas heden de mobilisatie |

| C: dat NICOLAAS heden de mobilisatie |

| B: onder waarborg van Groot-Brittanie |

| C: onder waarborg van Groot-Brittanië |

| B: door Sir Edward Grey opgeworpen |

| C: door Sir EDWARD GREY opgeworpen |

| B: Japanschen chargé affaires te Berlijn |

| C: Japanschen chargé d'affaires te Berlijn |

| |

+-----------------------------------------------------------+

Het Duitsche Witboek: Documenten aangaande het uitbreken van den oorlog · 第 6 / 6 题