Ik heb je telegram ontvangen en deel je wensch tot behoud van den
vrede. Ik kan echter—zooals ik je in mijn eerste telegram zeide—het
optreden van Oostenrijk-Hongarije niet als een „schandelijke oorlog”
beschouwen. Oostenrijk-Hongarije weet bij ervaring, dat beloften van
Servië, als zij slechts op papier staan, volslagen onbetrouwbaar zijn.
Naar mijn meening moet men het optreden van Oostenrijk-Hongarije als
eene poging beschouwen, volle garantie te verkrijgen dat de beloften van
Servië ook werkelijk in daden zullen worden omgezet. In deze meening
word ik versterkt door de verklaring van het Oostenrijksche kabinet,
dat Oostenrijk-Hongarije geen territoriale veroveringen ten koste van
Servië op het oog heeft. Ik meen daarom, dat het voor Rusland zeer
goed mogelijk is, bij den oorlog tusschen Oostenrijk en Servië de rol
van toeschouwer te blijven spelen, zonder Europa in den vreeselijksten
oorlog te betrekken, dien het ooit heeft beleefd. Ik geloof, dat eene
directe overeenkomst tusschen jouw regeering en Weenen mogelijk en
wenschelijk is, eene schikking, die—zooals ik je reeds zeide—mijn
regeering uit alle macht tracht te bevorderen. Militaire maatregelen
van Rusland, die Oostenrijk-Hongarije als een dreigement kon opvatten,
zouden natuurlijk een ongeluk bespoedigen, dat wij beiden wenschen te
vermijden, en zouden ook mijn positie als bemiddelaar, die ik, naar
aanleiding van je beroep op mijn vriendschap en hulp, bereidwillig op
mij genomen heb, ondermijnen.
w. g. WILHELM.
Bijlage 23.
#4. Z. M. aan den Tsaar.#