Met de grootste verontrusting hoor ik van den indruk, dien het
optreden van Oostenrijk tegen Servië in je rijk maakt. De gewetenlooze
agitatie, die sedert jaren in Servië gevoerd is, heeft geleid tot
de weerzinwekkende misdaad, waarvan aartshertog FRANZ FERDINAND het
slachtoffer geworden is. De geest, die den Serviërs hun eigen Koning
en zijne gemalin liet vermoorden, heerscht ook thans nog in dat land.
Ongetwijfeld zul je het wel met mij eens zijn, dat wij beiden, gij
en ik, zoowel als alle souvereinen, een gemeenschappelijk belang
erbij hebben en er op staan moeten, dat al degenen, die voor den
afschuwelijken moord moreel verantwoordelijk zijn, hun verdiende straf
krijgen.
Aan den anderen kant zie ik echter ook geenszins over het hoofd, hoe
moeilijk het is voor jou en voor je regeering, tegen de stroomingen van
de openbare meening in te gaan. De hartelijke vriendschap gedachtig,
die ons beiden sedert langen tijd met vasten band verbindt, gebruik
ik al mijn invloed om Oostenrijk-Hongarije er toe te krijgen, naar
een openlijke en bevredigende overeenkomst met Rusland te streven.
Ik heb het vaste vertrouwen, dat gij mij bij mijn bemoeiingen, om
alle moeilijkheden die nog kunnen ontstaan uit den weg te ruimen,
ondersteunen zult.