Den Haag R. W. E. Wijnmalen 1915

+-----------------------------------------------------------------+

| |

| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |

| |

| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |

| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |

| moderniseren. |

| |

| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |

| einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kantlijnnoten |

| zijn verplaatst naar het begin van de alinea met de verwijzing. |

| |

| De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als |

| _cursief_. Vette tekst is weergegeven als #vet#, onderstreepte |

| tekst als =onderstreept= en uitgespatieerde tekst als |

| ~uitgespatieerd~. |

| |

| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |

| gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: o.a. |

| met/zonder accent. |

| |

| Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |

| aangebrachte correcties. |

| |

+-----------------------------------------------------------------+

Het

Duitsche Witboek

Documenten aangaande het

uitbreken van den oorlog

Met later daaraan toegevoegde

supplementen

Den Haag R. W. E. Wijnmalen 1915

~Het Duitsche Witboek.~

#Diplomatieke Documenten.#

[Kantlijn: Bijlage 1.]

Den 28en Juni van dit jaar zijn de Oostenrijksch-Hongaarsche

troonopvolger, aartshertog FRANZ FERDINAND en zijn gemalin, de hertogin

van Hohenberg, door de revolverschoten van een lid van een Servische

samenzweerdersbende gedood. Het onderzoek van de misdaad door de

Oostenrijksch-Hongaarsche autoriteiten heeft aan het licht gebracht,

dat het complot tegen het leven van den aartshertog-troonopvolger

te Belgrado, met medewerking van en begunstigd door ambtelijke

Servische personen gesmeed, met wapens uit Servische staatsdepots is

ten uitvoer gelegd. Deze misdaad moest heel de beschaafde wereld de

oogen openen, niet slechts voor het tegen het bezit en de integriteit

van de Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie gerichte streven van de

Servische politiek, maar ook voor de misdadige middelen, waarvoor

de groot-Servische propaganda in Servië ter bereiking van haar doel

niet terugschrikte. Het doel van deze politiek was het geleidelijk in

opstand brengen en ten slotte afscheiden van het zuidoostelijk gedeelte

van de Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie, ten einde dit met Servië

te vereenigen. Aan deze richting der Servische politiek hebben de

herhaalde en plechtige verklaringen, waarbij Servië Oostenrijk-Hongarije

zijn afkeer van deze politiek betuigde en het bevorderen van goede

betrekkingen als naburen beloofde, niet het geringste veranderd. Ten

derde male in den loop van de laatste 6 jaren brengt Servië op deze

wijze Europa aan den rand van een wereldoorlog. Het kon dit slechts

doen, omdat het meende, bij zijn streven door Rusland gesteund

te worden. De Russische politiek had zich spoedig na de door de

Turksche revolutie uitgelokte gebeurtenissen van het jaar 1908 er

op toegelegd een tegen het bezit van Turkije gericht verbond van de

Balkanstaten, in het leven te roepen. Dit Balkanverbond, dat er in het

jaar 1911 in slaagde Turkije zegevierend uit het grootste gedeelte

van zijn Europeesche bezittingen te verdringen, stortte wegens het

meeningsverschil omtrent de verdeeling van den buit, ineen. De Russische

politiek liet zich door dit fiasco niet afschrikken. Volgens het plan

van de Russische staatslieden moest een nieuw Balkanverbond, onder

Russisch patronaat, tot stand komen, welks spits niet meer tegen het

uit den Balkan verdrongen Turkije, maar tegen de bezittingen van de

Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie gericht zou zijn. De bedoeling was,

dat Servië, als tegemoetkoming voor de ten koste van de Donaumonarchie

verworven inlijving van Bosnië en Herzegowina, aan Bulgarije zou afstaan

de deelen van Macedonië, die het in den laatsten Balkanoorlog verworven

had. Met het oog hierop moest Boelgarije door isoleering murw gemaakt,

Roemenië door een, met behulp van Frankrijk, ondernomen propaganda, aan

Rusland geketend, en de aandacht van Servië op Bosnië en Herzegowina

gevestigd worden.

Onder deze omstandigheden moest Oostenrijk inzien, dat een langer

werkeloos toezien bij hetgeen er over de grens gebeurde, noch met

zijne waardigheid, noch met het zelfbehoud der monarchie was overeen

te brengen. De Keizerlijke en Koninklijke regeering deelde ons deze

opvatting mede, en verzocht haar onze meening daaromtrent te doen

geworden. Van ganscher harte konden wij onzen bondgenoot verklaren, dat

wij het geheel met zijne beoordeeling eens waren, en konden wij hem

verzekeren, dat eene actie, die hij voor noodzakelijk hield om aan de,

tegen het bezit der Monarchie gerichte beweging in Servië een einde te

maken, onze goedkeuring zou vinden. Wij waren ons hierbij ten volle

bewust, dat een mogelijk gewapend optreden van Oostenrijk-Hongarije

tegen Servië, Rusland naar voren zou brengen, en ons, in verband

met onze plichten als bondgenoot, in een oorlog kon wikkelen. Waar

wij echter inzagen, dat levensbelangen van Oostenrijk-Hongarije op

het spel stonden, konden wij onzen bondgenoot niet raden tot eene

inschikkelijkheid, die niet met zijne waardigheid overeen te brengen

was, noch hem onzen steun in dit ernstig oogenblik ontzeggen. Wij

konden dit te minder, omdat ook onze belangen door het voortdurend

woelen van Servië zoo gevoelig mogelijk bedreigd waren. Wanneer het

den Serviërs nog langer vergund ware geweest, onder bescherming van

Rusland en Frankrijk, het bezit van de naburige monarchie in gevaar te

brengen, dan zou dit de geleidelijke ineenstorting van Oostenrijk en de

onderwerping van alle Slaven onder Russischen scepter tengevolge gehad

hebben, waardoor de positie van het Germaansche ras in Midden-Europa

onhoudbaar zou geworden zijn. Een moreel verzwakt, door het opdringen

van het Russische Panslavisme ineenstortend Oostenrijk, zou voor ons

geen bondgenoot meer geweest zijn, waarop wij zouden kunnen rekenen, en

waarop wij ons zouden kunnen verlaten, zooals dit tegenover de steeds

dreigender wordende houding van onze oostelijke en westelijke naburen

voor ons noodzakelijk is. Wij lieten daarom Oostenrijk geheel de vrije

hand in zijn actie tegen Servië en hebben aan de voorbereiding daarvan

niet deelgenomen.

Oostenrijk koos daartoe den weg om in eene nota aan de Servische

regeering uitvoerig de door het gerechterlijk onderzoek na den moord te

Serajewo vastgestelde onmiddellijke samenhang tusschen den moord en de

door de Servische regeering niet alleen gedulde, maar zelfs ondersteunde

groot-Servische beweging aan te toonen, en van haar te verlangen, dat

deze agitatie volkomen zou ophouden en de schuldigen zouden worden

bestraft. Tegelijkertijd verlangde Oostenrijk-Hongarije als waarborg

voor een werkelijk ernstig onderzoek, het deelnemen van zijn ambtenaren

aan dit onderzoek op Servisch gebied, en een definitieve ontbinding van

de tegen Oostenrijk-Hongarije woelende Groot-Servische vereenigingen.

De Keizerlijke en Koninklijke regeering stelde een termijn van 48 uren

voor de onvoorwaardelijke aanneming van hare eischen. De Servische

regeering begon een dag nadat de Oostenrijksch-Hongaarsche nota haar

overhandigd was, met de mobilisatie. Toen na afloop van den termijn,

de Servische regeering een antwoord gaf, dat wel is waar op eenige

punten de wenschen van Oostenrijk-Hongarije vervulde, in hoofdzaak

echter duidelijk het streven liet doorschemeren, om zich door uitstel

en nieuwe onderhandelingen aan de gerechte eischen van de monarchie

te onttrekken, brak deze de diplomatieke betrekkingen met Servië af,

zonder zich met verdere onderhandelingen in te laten, of zich te laten

ophouden door verzekeringen van Servië, waarvan zij de waarde—tot haar

schade—voldoende kende.

Van dat oogenblik af bevond zich Oostenrijk feitelijk met Servië in

oorlogstoestand, die het dan ook door de officieele oorlogsverklaring

van den 28en Juli openlijk afkondigde.

Van het eerste begin van het conflict af hebben wij op het standpunt

gestaan, dat de heele zaak eene particuliere aangelegenheid van

Oostenrijk was, die het alleen met Servië moest uitvechten. Ons

geheele streven was er daarom op gericht, den oorlog te localiseeren,

en de andere mogendheden ervan te overtuigen, dat Oostenrijk in

gerechtvaardigde zelfverdediging en door de omstandigheden gedwongen,

tot een beroep op de wapens had moeten besluiten. Wij hebben met nadruk

het standpunt verdedigd dat geen beschaafde staat het recht had, in

dezen strijd tegen onbeschaafdheid en politieke misdadigersmoraal

Oostenrijk te hinderen en te trachten, de Serviërs aan hun verdiende

straf te onttrekken. In dezen geest hebben wij onze vertegenwoordigers

in het buitenland instructies gegeven.

[Kantlijn: Bijlage 1_b_ en 2.]

[Kantlijn: Bijlage 3.]

Tegelijkertijd deelde de Oostenrijksch-Hongaarsche regeering aan de

Russische regeering mede, dat de stap, dien zij in Servië gedaan

had, slechts bedoeld was als een defensieve maatregel tegenover de

Servische kuiperijen, dat Oostenrijk echter gedwongen was waarborgen te

eischen, dat Servië voortaan een vriendschappelijke houding tegenover

de Monarchie zou aannemen. Het lag volstrekt niet in de bedoeling van

Oostenrijk-Hongarije om eene verschuiving van de machtsverhoudingen

op den Balkan te veroorzaken. Toen wij verklaarden, dat de Duitsche

regeering alles wilde doen om het conflict te localiseeren, beloofden

zoowel de Fransche als de Engelsche regeering, naar hetzelfde doel te

zullen streven. Desniettemin gelukte het niet eene inmenging van Rusland

in het conflict tusschen Oostenrijk en Servië te verhinderen.

[Kantlijn: Bijlage 4.]

[Kantlijn: Bijlage 5.]

[Kantlijn: Bijlage 6, 7, 8 en 9.]

[Kantlijn: Bijlage 10, 10_a_ en 10_b_.]

De Russische regeering gaf den 18en Juli een ambtelijk communiqué uit,

waarin gezegd werd, dat Rusland in het conflict tusschen Servië en

Oostenrijk onmogelijk onverschillig kon blijven. Ditzelfde verklaarde de

Russische minister van buitenlandsche zaken, de heer SASANOW tegenover

den Keizerlijken ambassadeur Graaf POURTALÈS. Des namiddags van den

26en Juli liet de K. en K. regeering nogmaals door haar ambassadeur

in St. Petersburg verklaren, dat Oostenrijk-Hongarije geenerlei

veroveringsplannen had en slechts begeerde, eindelijk eens rust te

krijgen aan zijne grenzen. In den loop van denzelfden dag bereikten

reeds de eerste berichten over Russische mobilisatie, Berlijn. Nog den

26en 's avonds werd den keizerlijken ambassadeurs te Londen, Parijs

en St. Petersburg opgedragen de regeeringen van Engeland, Frankrijk

en Rusland ernstig te wijzen op het gevaar, van deze Russische

mobilisaties. Nadat Oostenrijk-Hongarije Rusland officieel verklaard

had, dat het geen uitbreiding van gebied in Servië nastreefde, lag

de beslissing over den wereldvrede uitsluitend in St. Petersburg.

Nog denzelfden dag werd den Keizerlijken gezant te St. Petersburg

opgedragen, de Russische regeering het volgende te verklaren:

Voorbereidende militaire maatregelen van Rusland zouden ons tot

tegenmaatregelen dwingen; die zouden moeten bestaan in de mobilisatie

van het leger. Mobilisatie zou echter oorlog beteekenen. Daar

ons Frankrijk's plichten tegenover Rusland bekend waren, zou deze

mobilisatie tegen Rusland en Frankrijk tegelijk gericht worden. Wij

mochten niet aannemen, dat Rusland een dergelijken Europeeschen oorlog

zou willen ontketenen. Daar Oostenrijk-Hongarije het bezit van het

koninkrijk Servië niet wilde aantasten, waren wij van meening, dat

Rusland een afwachtende houding kon aannemen. De wensch van Rusland, om

het bezit van het koninkrijk Servië ongeschonden te bewaren, zouden wij

te eer kunnen ondersteunen, omdat dit bezit door Oostenrijk-Hongarije

volstrekt niet bedreigd werd. Het zou gemakkelijk zijn, bij het verdere

verloop der aangelegenheid een grondslag te vinden voor eene minnelijke

schikking.

[Kantlijn: Bijlage 11.]

Den 27en Juli verklaarde de Russische minister van oorlog SUCHOMLINOW

den Duitschen militairen attaché onder eerewoord, dat het bevel tot

mobilisatie nog niet gegeven was. Er werden slechts voorbereidende

maatregelen getroffen, geen paard was opgevorderd, geen reservist

opgeroepen. Als Oostenrijk-Hongarije de Servische grens overschreed,

zouden de naar Oostenrijk gerichte militaire districten Kiew, Odessa,

Moskou, Kazan gemobiliseerd worden. Onder geen omstandigheden echter de

aan het Duitsche front gelegene: St. Petersburg, Wilna en Warschau. Op

de vraag van den militairen attaché, met welk doel de mobilisatie tegen

Oostenrijk plaats vond, antwoordde de Russische Minister van Oorlog

door zijn schouders op te halen en te verwijzen naar de diplomaten. De

militaire attaché bestempelde daarop de mobilisatiemaatregelen tegen

Oostenrijk-Hongarije als ook voor Duitschland zeer gevaarlijk. De daarop

volgende dagen volgden de berichten over Russische mobilisaties elkaar

zeer snel op. Daaronder waren ook berichten over toebereidselen aan de

Duitsche grens, zooals de afkondiging van den staat van oorlog over

Kownow, het vertrek van het garnizoen van Warschau en de versterking van

het garnizoen van Alexandrowo. Den 27en Juli kwamen de eerste berichten

over voorbereidende maatregelen van Frankrijk. Het XIV korps staakte de

manoeuvres en keerde in zijn garnizoen terug.

Intusschen zijn wij pogingen blijven doen, om door een zeer krachtige

inwerking op de kabinetten een localisatie van het conflict door te

zetten.

[Kantlijn: Bijlage 12.]

[Kantlijn: Bijlage 13.]

[Kantlijn: Bijlage 14.]

[Kantlijn: Bijlage 15.]

[Kantlijn: Bijlage 16.]

Den 26en Juli had Sir EDWARD GREY het voorstel gedaan, het geschil

tusschen Oostenrijk-Hongarije te brengen voor een onder zijn

voorzitterschap samen te roepen conferentie van de ambassadeurs van

Duitschland, Frankrijk en Italië. Ten opzichte van dit voorstel

hebben wij verklaard, dat wij, hoezeer wij de bedoeling ervan ook

waardeerden, aan een dergelijke conferentie geen deel konden nemen,

daar wij Oostenrijk in zake zijne afrekening met Servië niet voor een

Europeesch gerecht konden brengen. Frankrijk heeft het voorstel van

Sir EDWARD GREY goedgekeurd, maar het is tenslotte daarop gestrand,

dat Oostenrijk het zooals te voorzien was, van de hand wees. Getrouw

aan ons beginsel, dat eene bemiddelingsactie zich niet uitstrekken

kon tot het conflict tusschen Oostenrijk en Servië, dat geheel eene

Oostenrijksch-Hongaarsche aangelegenheid was, maar alleen tot de

verhouding tusschen Oostenrijk-Hongarije en Rusland, hebben wij onze

pogingen voortgezet om eene minnelijke schikking tusschen deze twee

mogendheden tot stand te brengen. Wij zijn echter ook bereid geweest,

nadat het conferentievoorstel verworpen was, een nieuw voorstel van Sir

EDWARD GREY naar Weenen over te brengen, waarin hij Oostenrijk-Hongarije

in overweging gaf, om òf het Servische antwoord als voldoende te

beschouwen, òf anders als grondslag voor verdere besprekingen. De

Oostenrijksch-Hongaarsche regeering heeft, bij alle waardeering voor

onze werkzaamheid als bemiddelaar, ten opzichte van dit voorstel

opgemerkt, dat het na het openen der vijandelijkheden te laat kwam.

[Kantlijn: Bijlage 17.]

Desniettemin hebben wij onze bemiddelingspogingen tot het uiterste

voortgezet, en hebben wij in Weenen den raad gegeven, alle

tegemoetkomendheid te toonen, die met de waardigheid der Monarchie

overeen te brengen was. Helaas zijn deze bemiddelingspogingen nog voor

ze tot een resultaat hadden gevoerd, gestaakt moeten worden, wegens

de militaire toebereidselen van Rusland en Frankrijk. Den 29en Juli

heeft de Russische regeering in Berlijn ambtelijk medegedeeld, dat

zij 4 legerdistricten had gemobiliseerd. Tegelijkertijd kregen wij

nadere mededeelingen over snel opschietende militaire toebereidselen

van Frankrijk, te water en te land. Denzelfden dag had de Keizerlijke

ambassadeur te St. Petersburg een gesprek met den Russischen minister

van buitenlandsche zaken, waarover hij telegrafisch het volgende meldde:

„De minister trachtte mij ertoe over te halen, dat ik bij mijne

regeering zou pleiten voor het deelnemen aan een conferentie van vier

mogendheden, teneinde middelen te vinden om Oostenrijk-Hongarije

langs vriendschappelijken weg te bewegen, die eischen welke de

souvereiniteit van Servië aantastten op te geven. Ik heb, terwijl ik

slechts toezegde van het onderhoud verslag te zullen doen, mij op het

standpunt geplaatst, dat mij, nadat Rusland tot den noodlottigen stap

der mobilisatie besloten had, iedere gedachtenwisseling hierover zeer

moeilijk, zoo niet onmogelijk toescheen. Wat Rusland thans van ons

tegenover Oostenrijk verlangde, was hetzelfde, als dat waarvan het

Oostenrijk-Hongarije tegenover Servië een verwijt maakte, n.l. een

ingrijpen in de souvereine rechten.

Oostenrijk-Hongarije had door zijne verklaring niet naar

gebiedsuitbreiding te streven, beloofd, rekening te houden met de

Russische belangen, wat een groote concessie is van de zijde van een

oorlogvoerenden staat. Men behoorde daarom de Donaumonarchie haar

aangelegenheid met Servië alleen te laten regelen. Bij het sluiten van

den vrede zou er nog altijd gelegenheid bestaan terug te komen op het

ontzien van de souvereiniteit van Servië.

Zeer ernstig heb ik hieraan toegevoegd, dat op het oogenblik de geheele

Austro-Servische aangelegenheid tegenover het gevaar van een Europeesch

conflict op den achtergrond getreden was, en ik heb mij alle moeite

gegeven, den minister de grootte van het gevaar onder de oogen te

brengen.

Het was niet mogelijk SASANOW van de gedachte af te brengen, dat Rusland

Servië niet in den steek mocht laten.”

Eveneens den 29en Juli rapporteerde de militaire attaché te St.

Petersburg het volgende over een onderhoud, dat hij had gehad met den

chef van den Russischen generalen staf:

„De chef van den generalen staf heeft mij verzocht bij hem te komen

en mij medegedeeld, dat hij zoo juist van Zijne Majesteit kwam. Hij

had van den minister van oorlog de opdracht gekregen, om mij nogmaals

te bevestigen, dat alles zoo gebleven was als de minister het mij 2

dagen geleden had medegedeeld. Hij bood mij schriftelijk bevestiging

aan en gaf mij op de plechtigste wijze zijn eerewoord, dat nergens

eene mobilisatie, d. w. z. het oproepen van een enkelen man of een

enkel paard, tot op dit uur, 3 uur namiddags, had plaats gehad. Voor

de toekomst kon hij daarvoor niet instaan, maar wel zeer uitdrukkelijk

bevestigen, dat op het front, dat naar onze grenzen gericht is,

door Zijne Majesteit geen mobilisatie gewenscht werd. Er zijn hier

echter vele berichten ingekomen over het oproepen van reservisten in

verschillende deelen van het rijk, ook in Warschau en in Wilna. Ik heb

daarom den generaal voorgehouden, dat ik door zijne mededeelingen voor

een raadsel geplaatst werd. Hij antwoordde mij echter op zijn woord als

officier, dat deze berichten onjuist waren, hoewel het mogelijk was, dat

misschien hier of daar valsch alarm geslagen was.

Ik moet het gesprek, met het oog op de talrijke positieve berichten

over het onder de wapenen roepen, beschouwen als een poging om ons te

misleiden over den omvang van de maatregelen, die tot nu toe genomen

zijn.”

Toen de Russische regeering op de verschillende vragen naar de redenen

van haar dreigende houding er steeds op wees, dat Oostenrijk-Hongarije

nog geen besprekingen in St. Petersburg begonnen was, kreeg de

Oostenrijksch-Hongaarsche ambassadeur in St. Petersburg den 29en Juli

op ons initiatief de opdracht, met den heer SASANOW de besprekingen te

beginnen. Graaf SZAPARY kreeg machtiging de, door het uitbreken van

den oorlog weliswaar reeds verouderde, nota aan Servië tegenover den

Russischen minister toe te lichten en elk voorstel in ontvangst te

nemen, dat men van Russische zijde doen zou. Ook moest hij met SASANOW

alle quaesties bespreken, welke de betrekkingen tusschen Oostenrijk en

Rusland onmiddellijk betroffen.

[Kantlijn: Bijlage 19.]

Zij aan zij met Engeland hebben wij onafgebroken voortgewerkt aan

de bemiddelingsactie, en in Weenen ieder voorstel ondersteund,

waarvan wij konden hopen dat het de mogelijkheid zou openen voor eene

vreedzame oplossing van het conflict. Nog den 30en hebben wij een

Engelsch voorstel naar Weenen overgebracht, dat als basis voor de

onderhandelingen stelde, dat Oostenrijk-Hongarije na Servië te zijn

binnengerukt, daar zijn voorwaarden zou dicteeren. Wij moesten aannemen

dat Rusland deze basis aanvaarden zou.

[Kantlijn: Bijlage 18, 20, 21, 22, 23, 23_a_.]

Terwijl in den tijd van den 29en tot den 31en Juli deze onze pogingen

tot bemiddeling, door de Engelsche diplomatie ondersteund, met steeds

meer nadruk werden voortgezet, kwamen er steeds nieuwe zich ophoopende

berichten over Russische mobilisatiemaatregelen. Troepenopeenhoopingen

aan de Oost-Pruisische grens, en het afkondigen van den staat van

oorlog over alle belangrijke plaatsen aan de Westgrens van Rusland

lieten geen twijfel meer over, dat de Russische mobilisatie ook tegen

ons in vollen gang was, terwijl men tegelijkertijd tegenover onzen

vertegenwoordiger te St. Petersburg alle maatregelen van dezen aard

opnieuw op eerewoord loochende. Nog eer het antwoord uit Weenen op het

laatste Engelsch-Duitsche bemiddelingsvoorstel, welks strekking en

grondslag in St. Petersburg bekend geweest moest zijn, in Berlijn kon

aankomen, gaf Rusland last tot de algemeene mobilisatie. Op diezelfde

dagen vond tusschen Z. M. den Keizer en Koning en den Tsaar NICOLAAS

een telegrammenwisseling plaats, waarin Z. M. den Tsaar wees op het

dreigende karakter van de Russische mobilisatie en op het feit, dat hij

zijn eigen bemiddelend optreden nog steeds voortzette.

Den 31en Juli richtte de Tsaar aan Z. M. den Keizer het volgende

telegram:

„Ik dank je van harte voor je bemiddeling, die de hoop doet herleven,

dat alles nog vreedzaam kan eindigen. Het is technisch onmogelijk onze

militaire maatregelen te staken, die noodzakelijk zijn geworden door

de mobilisatie van Oostenrijk. Wij zijn er ver van af, een oorlog

te wenschen. Zoolang de onderhandelingen met Oostenrijk over Servië

voortduren, zullen mijn troepen geen uitdagende actie ondernemen. Daar

geef ik je plechtig mijn woord op. Ik vertrouw met alle kracht op Gods

genade en hoop op het succes van je bemiddeling in Weenen, voor het

welzijn van onze landen en voor den vrede van Europa.

Je je hartelijk toegenegene

NICOLAAS”.

Dit telegram van den Tsaar kruiste het volgende, eveneens den 31en Juli

om 2 uur namiddags afgezonden telegram van Z. M. den Keizer:

„Naar aanleiding van je beroep op mijn vriendschap en je verzoek om mijn

hulp, ben ik eene bemiddelingsactie begonnen tusschen jouw regeering en

de Oostenrijksch-Hongaarsche. Terwijl deze actie in gang was, zijn je

troepen tegen het met mij verbonden Oostenrijk-Hongarije gemobiliseerd,

waardoor, zooals ik je reeds heb medegedeeld, mijne bemiddeling vrijwel

nutteloos geworden is. Desniettemin heb ik die voortgezet. Nu krijg

ik betrouwbare berichten over ernstige oorlogstoebereidselen ook aan

mijn oostelijke grens. De verantwoordelijkheid voor de veiligheid van

mijn rijk dwingt mij tot verdedigende tegenmaatregelen. Ik ben met

mijne pogingen om den wereldvrede te redden, gegaan tot aan de uiterste

grenzen van het mogelijke. Niet ik draag de verantwoordelijkheid voor

het ongeluk, dat nu de geheele beschaafde wereld bedreigt. Nog op dit

oogenblik ligt het in jouw hand, het af te wenden. Niemand bedreigt de

eer of de macht van Rusland, dat wel den uitslag van mijne bemiddeling

had kunnen afwachten. De vriendschap voor jou en voor je rijk, die mijn

grootvader op zijn sterfbed op mij heeft overgedragen, is mij altijd

heilig geweest, en ik heb trouw aan de zijde van Rusland gestaan, als

het in groote moeilijkheden verkeerde: vooral in zijn laatsten oorlog.

Gij kunt den vrede van Europa op dit oogenblik nog redden, als Rusland

besluit zijn militaire maatregelen te staken, die eene bedreiging zijn

voor Duitschland en Oostenrijk-Hongarije”.

Nog eer dit telegram zijne bestemming bereikte, was reeds de op den

morgen van denzelfden dag bevolen, blijkbaar tegen ons gerichte

mobilisatie van alle Russische strijdkrachten in vollen gang. Het

telegram van den Tsaar echter was om 2 uur 's middags ingeleverd.

[Kantlijn: Bijlage 24.]

Na het bekend worden van de algemeene mobilisatie van Rusland te

Berlijn, kreeg des namiddags van den 31en Juli de keizerlijke

ambassadeur te St. Petersburg bevel, de Russische regeering ervan

in kennis te stellen, dat Duitschland als tegenmaatregel tegen de

algemeene mobilisatie van het Russische leger en de Russische vloot den

staat van oorlog had afgekondigd, waarop de mobilisatie moest volgen,

wanneer Rusland niet binnen 12 uur zijn militaire maatregelen tegen

Oostenrijk-Hongarije staakte en Duitschland daarvan in kennis stelde.

[Kantlijn: Bijlage 25.]

Tegelijkertijd kreeg de keizerlijke ambassadeur te Parijs de opdracht,

binnen 18 uur van de Fransche regeering eene verklaring te verlangen, of

zij in een Duitsch-Russische oorlog al dan niet onzijdig zou blijven.

De Russische regeering heeft door haar mobilisatie, die de veiligheid

van het rijk in gevaar bracht, het moeizame bemiddelingswerk van de

Europeesche staatskanselarijen, kort voor het welslagen, te niet gedaan.

De mobilisatiemaatregelen, over den ernst waarvan men de Russische

regeering van den beginne af niet in twijfel gelaten had, en het

voortdurend loochenen van deze maatregelen, toonen duidelijk aan, dat

Rusland den oorlog wilde.

De Keizerlijke ambassadeur te St. Petersburg heeft de hem opgedragen

mededeeling, den 31en Juli 's nachts om 12 uur aan den heer SASANOW

gedaan. Een antwoord van de Russische regeering hierop heeft ons nooit

bereikt. Twee uur na afloop van den in deze mededeeling gestelden

termijn, heeft de Tsaar aan Z. M. den Keizer getelegrafeerd:

„Ik heb je telegram ontvangen. Ik begrijp dat gij gedwongen zijt te

mobiliseeren, maar ik zou gaarne van jou dezelfde waarborg hebben, die

ik je gegeven heb, nl. dat deze maatregelen niet oorlog beteekenen,

en dat we zullen voortgaan met onderhandelen, tot heil van onze beide

landen en van den algemeenen vrede, die ons zoozeer ter harte gaat.

Onze langbeproefde vriendschap moet het met Gods hulp gelukken,

bloedvergieten te voorkomen. Dringend verwacht ik vol vertrouwen je

antwoord”.

Hierop antwoordde Z. M. de Keizer:

„Ik dank je voor je telegram. Ik heb je regeering gisteren den weg

aangewezen, waarop de oorlog nog te vermijden is. Ofschoon ik om een

antwoord tegen hedenmiddag had verzocht, heeft mij tot nog toe geen

telegram van mijn ambassadeur met een antwoord van je regeering bereikt.

Ik ben daardoor gedwongen, mijn leger te mobiliseeren. Een onmiddellijk,

duidelijk antwoord van je regeering, dat geen aanleiding kan geven tot

misverstand, is het eenige middel, om onafzienbare ellende te voorkomen.

Voor dat ik dit antwoord gekregen heb, ben ik tot mijn leedwezen niet

in staat, nader op den inhoud van je telegram in te gaan. Ik moet zoo

ernstig mogelijk van je verlangen, dat gij onmiddellijk je troepen bevel

geeft, onder geen omstandigheden ook maar de geringste schending van

onze grenzen te begaan”.

[Kantlijn: Bijlage 26.]

Daar de termijn, dien wij aan Rusland hadden gesteld, verstreken was

zonder dat wij een antwoord hadden gekregen op onze vraag, beval

Z. M. de Keizer en Koning den 1en Augustus 's middags om 5 uur de

mobilisatie van het geheele Duitsche leger en van de keizerlijke marine.

De Keizerlijke ambassadeur te St. Petersburg had intusschen opdracht

gekregen, als de Russische regeering binnen den gestelden termijn geen

bevredigend antwoord zou geven, haar te verklaren, dat wij ons na het

afwijzen van onzen eisch beschouwden in oorlogstoestand te verkeeren.

Alvorens ons echter nog een bericht over het uitvoeren van deze opdracht

bereikte, overschreden Russische troepen onze grenzen, en wel op den

namiddag van den 1en Augustus, den zelfden namiddag dus, waarop het

zooeven vermelde telegram van den Tsaar was afgezonden. Zij rukten

voorwaarts op Duitsch gebied.

Hiermede had Rusland den oorlog tegen ons begonnen.

Intusschen had de Keizerlijke ambassadeur te Parijs den 31en Juli om 7

uur 's avonds de vraag, die hem opgedragen was, aan het Fransche kabinet

gesteld.

[Kantlijn: Bijlage 27.]

De Fransche minister-president heeft daarop den 1en Augustus om 1 uur

's middags een dubbelzinnig en onbevredigend antwoord gegeven, dat geen

duidelijke voorstelling geeft van de houding, die Frankrijk van plan was

aan te nemen, daar het er zich toe bepaalt te verklaren, dat Frankrijk

zou doen wat zijn belangen het geboden. Eenige uren later, om 5 uur

namiddags, werd last gegeven tot de mobilisatie van het geheele Fransche

leger en de geheele Fransche vloot.

Den morgen van den volgenden dag opende Frankrijk de vijandelijkheden.

Afgesloten den 2en Augustus des namiddags.

Bijlage 1.

#Norddeutsche Allgemeine Zeitung, 25 Juli 1914.#

_De Nota van Oostenrijk-Hongarije aan Servië._

Berlijn, den 24 Juli.

De Oostenrijksch-Hongaarsche gezant te Belgrado heeft gisteren avond

om 6 uur aan de Servische regeering een _verbaalnota_ overgereikt met

de _eischen der Oostenrijksch-Hongaarsche regeering_. In de nota wordt

het _antwoord tot Zaterdag den 25 Juli, 6 uur 's avonds_ verlangd. De

woordelijke inhoud luidt als volgt:

Den 31en Maart 1909 heeft de Koninklijk Servische gezant bij het

Weensche hof in opdracht zijner regeering de volgende verklaring

afgelegd: Servië erkent, dat het door den in Bosnië ontstanen toestand

niet in zijne rechten wordt gekrenkt en dat het zich in verband daarmede

zal aanpassen aan de besluiten, welke de mogendheden met betrekking

tot artikel 25 van het verdrag van Berlijn, zullen nemen. Terwijl

Servië de raadgevingen der Groote Mogendheden opvolgt, verbindt het

zich de houding van protest en weerstand, die het met betrekking tot de

annexatie sedert gepasseerden October heeft ingenomen, te laten varen,

en verbindt het zich verder, de richting zijner tegenwoordige politiek

tegenover Oostenrijk-Hongarije te veranderen en voor den vervolge met

dit laatste land betrekkingen van vriendschappelijke nabuurschap te

zullen onderhouden.

De geschiedenis van de laatste jaren en in het bijzonder de smartelijke

gebeurtenissen van den 28en Juni hebben het bestaan van een subversieve

beweging in Servië bewezen, die tot bedoeling heeft bepaalde deelen

van het grondgebied der Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie van

die monarchie af te scheiden. Deze beweging, die onder de oogen

der Servische regeering ontstond, heeft zich buiten het gebied des

koninkrijks door daden van terrorisme, door een rij van aanslagen en

door moorden, kenbaar gemaakt.

Wel verre van de in de verklaring van 31 Maart 1909 vervatte formeele

verplichtingen na te komen, heeft de Koninklijk Servische regeering

niets gedaan om deze beweging te onderdrukken. Zij duldde het misdadige

drijven der verschillende tegen de Monarchie gerichte vereenigingen, de

teugellooze taal der pers, de verheerlijking van de hoofdschuldigen aan

de aanslagen, de deelneming van officieren en ambtenaren aan subversieve

woelingen, zij duldde eene ongezonde propaganda bij het openbaar

onderwijs en duldde ten slotte alle manifestaties, die er de Servische

bevolking toe konden brengen de Monarchie te haten en hare instellingen

te verachten.

Nog tot op het oogenblik, waarop de gebeurtenissen van 28 Juni de

geheele wereld, de vreeselijke gevolgen van een dergelijk dulden hebben

getoond, is de Servische regeering deze beweging blijven dulden.

Uit de verklaringen en bekentenissen van de misdadige hoofdschuldigen

aan het attentaat van 28 Juni, blijkt, dat de moord van Serajewo in

Belgrado werd voorbereid, dat de moordenaars de wapens en bommen,

waarvan zij voorzien waren, ontvingen van Servische officieren en

ambtenaren, die lid waren van de Narodna Odbrana, en dat ten slotte de

overbrenging van de misdadigers en van hun wapens naar Servië geschiedde

door middel van leidende Servische grensorganen.

De genoemde resultaten van het onderzoek maken het voor de K. en K.

regeering niet mogelijk, nog langer in de houding van afwachtende

lankmoedigheid te volharden, die zij gedurende vele jaren had ingenomen,

tegenover die woelingen, welke hun middelpunt hebben in Belgrado en van

daaruit op het gebied der Monarchie worden overgebracht. Deze resultaten

maken het der K. en K. regeering veel meer tot plicht, aan woelingen,

die eene voortdurende bedreiging vormen voor de rust der Monarchie, een

einde te maken.

Teneinde dit doel te bereiken, ziet de K. en K. regeering zich gedwongen

van de Servische regeering eene _officieele verzekering te eischen, dat

zij de tegen Oostenrijk-Hongarije gerichte propaganda veroordeelt_,

d. w. z. de totaliteit van de machinaties, welker einddoel is, van de

Monarchie, gebieden los te maken, die haar toebehooren en dat zij _zich

verplicht, deze misdadige en terroristische propaganda met alle middelen

te onderdrukken_.

Teneinde aan deze verplichtingen een plechtig karakter te geven, zal de

Koninklijk Servische regeering op de eerste pagina van haar officieel

orgaan van 26/13 Juli de volgende verklaring openbaar maken:

„De Koninklijk Servische regeering veroordeelt de tegen

Oostenrijk-Hongarije gerichte propaganda, d. w. z. de totaliteit van die

machinaties, welker einddoel is het van de Oostenrijksch-Hongaarsche

monarchie losmaken van deelen van het grondgebied, dat die Monarchie

toebehoort en zij betreurt oprecht de vreeselijke gevolgen van deze

misdadige handelingen.

De Koninklijk Servische regeering betreurt, dat Servische officieren

en ambtenaren aan de bovengenoemde propaganda hebben deelgenomen

en daardoor de betrekkingen van vriendschappelijke nabuurschap in

gevaar hebben gebracht, welke de Koninklijke regeering zich door hare

verklaring van 31 Maart 1909 zoo plechtig mogelijk verbonden had, te

zullen onderhouden.

De Koninklijke regeering, die iedere gedachte aan en iedere

poging tot inmenging in het lot der bewoners van welk deel der

Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie ook, afkeurt en van zich wijst,

beschouwt het als hare plicht, er de officieren en ambtenaren en de

geheele bevolking van het Koninkrijk zeer nadrukkelijk op te wijzen,

dat zij voor den vervolge met de uiterste gestrengheid zal optreden

tegen die personen, welke zich aan dusdanige handelingen zouden schuldig

maken en dat zij zich alle moeite zal geven, dusdanige handelingen te

voorkomen en te onderdrukken.

Deze verklaring zal tegelijkertijd door eene dagorder van Zijne

Majesteit den Koning ter kennis worden gebracht van het Koninklijk leger

en in het officiëele orgaan van het leger worden openbaar gemaakt.

De Koninklijk Servische regeering verplicht zich bovendien:

1. iedere publicatie te onderdrukken, die tot haat tegen en verachting

voor de Monarchie aanzet en waarvan de algemeene strekking gericht is

tegen de territoriale integriteit van den laatsten staat;

2. onmiddellijk over te gaan tot de ontbinding van de vereeniging

„Narodna Odbrana”, op alle propagandamiddelen van die vereeniging

beslag te leggen en op dezelfde wijze op te treden tegen de andere

vereenigingen, die zich bezighouden met de propaganda tegen

Oostenrijk-Hongarije. De Koninklijke regeering zal de noodige

maatregelen treffen, opdat de ontbonden vereenigingen niet onder een

anderen naam of onder een anderen vorm, blijven voortbestaan;

3. zonder verwijl uit het openbaar onderwijs in Servië, zoowel wat

betreft het onderwijzend personeel alsook wat betreft de leermiddelen,

alles te verwijderen, wat gebruikt wordt of zou kunnen gebruikt worden,

om de propaganda tegen Oostenrijk-Hongarije voedsel te verschaffen;

4. uit het leger en uit de regeeringscolleges en het civiele bestuur

alle officieren en ambtenaren te verwijderen, die zich aan propaganda

tegen Oostenrijk-Hongarije hebben schuldig gemaakt en waarvan de K.

en K. regeering zich voorbehoudt de namen bekend te maken, onder

mededeeling van het tegen hen getuigende materiaal, dat in haar bezit is;

5. goed te vinden, dat bij de onderdrukking der tegen de integriteit

der monarchie gerichte subversieve beweging, in Servië ambtenaren der K.

en K. regeering medewerken;

6. een gerechterlijk onderzoek in te leiden tegen die deelnemers aan het

complot van 28 Juni, die zich op Servisch grondgebied bevinden.

Door de K. en K. regeering daartoe gedelegeerde ambtenaren zullen aan

het betreffend gerechterlijk onderzoek deelnemen;

7. met de grootste snelheid over te gaan tot de arrestatie van den

majoor VOJA TANKOSIC en van een zekeren MILAN CIGANOVIC, beiden

Servische staatsambtenaren, die door de resultaten van het gerechterlijk

onderzoek gecompromitteerd zijn;

8. door krachtdadige maatregelen te verhinderen, dat Servische

autoriteiten deelnemen aan het smokkelen van wapens en explosiemiddelen

over de grens;

Die ambtenaren bij den grensdienst van Schabatz en Loznica, die de

hoofdschuldigen aan de misdaad van Serajewo behulpzaam waren bij het

overschrijden der grens, uit den dienst te ontslaan en streng te

straffen;

9. de K. en K. regeering opheldering te geven over de niet te

rechtvaardigen uitlatingen van hooge Servische ambtenaren in Servië

en in het buitenland, die zonder rekening te houden met hunne hooge

positie, niet geaarzeld hebben, zich na den aanslag van 28 Juni in

interviews op vijandelijke wijze over Oostenrijk-Hongarije uit te laten;

10. de K. en K. regeering zonder verwijl van de uitvoering der in de

vorige punten samengevatte maatregelen op de hoogte te brengen.

De K. en K. regeering verwacht het antwoord der Koninklijke regeering op

zijn laatst op Zaterdag den 25en dezer maand te 6 ure des namiddags.

Eene memorie betreffende de resultaten van het gerechterlijk onderzoek

van Serajewo, voor zoover zij betrekking hebben op de sub 7 en 8

genoemde ambtenaren, is aan deze nota toegevoegd.

Bijlage. Het bij de rechtbank te Serajewo tegen GABRILO PRINCIP c. s.

aanhangig gemaakte gerechterlijk onderzoek wegens den op den 28en Juni

van dit jaar beganen sluipmoord, dan wel wegens medeplichtigheid aan

dien sluipmoord, heeft tot dusverre de volgende resultaten opgeleverd:

1. Het plan, den aartshertog FRANZ FERDINAND gedurende zijn verblijf in

Serajewo te vermoorden, werd in Belgrado door GABRILO PRINCIP, NEDELJKO

GABRINOVIC, een zekeren MILAN CIGANOVIC en TRIFHO GRABEZ met medewerking

van den majoor VOJA TANKOSIC opgemaakt.

2. De zes bommen en de vier browningpistolen, waarvan zich de

misdadigers als werktuigen bedienden, werden PRINCIP, GABRINOVIC en

GRABEZ in Belgrado door een zekeren MILAN CIGANOVIC en den majoor VOJA

TANKOSIC verschaft en ter hand gesteld.

3. De bommen zijn handgranaten, die afkomstig zijn uit het wapendepôt

van het Servische leger te Kragujevac.

4. Teneinde het welslagen van den aanslag te verzekeren, onderwees MILAN

CIGANOVIC, PRINCIP, GABRINOVIC en GRABEZ de hanteering van granaten en

gaf in een bosch naast het schietveld van Topschider, PRINCIP en GRABEZ,

les in het schieten met browningpistolen.

5. Teneinde PRINCIP, GABRINOVIC en GRABEZ het overschrijden der

Bosnisch-Herzegowinasche grens en het binnensmokkelen der wapens

mogelijk te maken, werd een geheel geheim transportsysteem door

CIGANOVIC georganiseerd. Het binnenbrengen van de misdadigers en van

hunne wapens in Bosnië en Herzegowina werd door de grenscommandanten van

Schabatz (Rade Popovic) en Loznica en door de tolbeambten RUDOVOJ GIBIC

van Loznica met hulp van verscheidene andere personen uitgevoerd.

Bijlage 1_a_.

#Norddeutsche Allgemeine Zeitung 29 Juli 1914.#

_Oostenrijk-Hongarije en de Servische Nota._

Weenen, 27 Juli. De Nota van de Koninklijk Servische regeering van 12/25

Juli 1914 heeft den volgenden inhoud:

De Koninklijke regeering heeft de mededeeling van de K. en K. regeering

van den 10en dezer ontvangen en is overtuigd, dat haar antwoord ieder

misverstand zal uit den weg nemen, dat dreigt de betrekkingen van

vriendschappelijke nabuurschap tusschen de Oostenrijksche monarchie en

het koninkrijk Servië te verstoren.

De Koninklijke regeering is er zich van bewust, dat tegenover de

groote naburige monarchie bij geen enkele gelegenheid die protesten

werden vernieuwd, welke destijds zoowel in de Skupschtina alsook in de

verklaringen en handelingen van de verantwoordelijke vertegenwoordigers

van den staat tot uitdrukking werden gebracht en waaraan door de

verklaring der Servische regeering van 18 Maart 1909 een einde kwam,

en dat verder, sedert dien tijd, noch door de verschillende elkander

opvolgende regeeringen van het Koninkrijk noch door deszelfs ambtenaren,

eene poging werd gedaan, den in Bosnië en Herzegowina geschapen

politieken en staatsrechterlijken toestand te veranderen.

De Koninklijke regeering stelt vast, dat de K. en K. regeering in deze

richting geenerlei aanmerkingen heeft gemaakt, met uitzondering van

het geval van een leerboek, in welk geval de K. en K. regeering eene

volkomen bevredigende verklaring heeft ontvangen. Servië heeft gedurende

den Balkancrisis in talrijke gevallen bewijzen geleverd voor zijn

vredelievende en gematigde politiek en het is slechts aan Servië en aan

de offers, die het uitsluitend in het belang van den Europeeschen vrede

gebracht heeft, te danken, als deze vrede is bewaard gebleven.

In verband hiermede merkt de _Oostenrijksch-Hongaarsche regeering_ op:

De Koninklijk Servische regeering bepaalt er zich toe, vast te stellen,

dat sedert het afgeven van de verklaring van 18 Maart 1909 van de zijde

der Servische regeering en hare ambtenaren geene poging tot verandering

der positie van Bosnië en Herzegowina werd ondernomen.

Daarmede wijkt zij op bewust willekeurige wijze af van datgene, wat aan

onzen stap ten grondslag lag, aangezien wij niet beweerd hebben, dat zij

en hare ambtenaren in deze richting officieel iets hebben ondernomen.

Onze opmerking dient veel meer aan te toonen, dat zij niettegenstaande

de in de aangehaalde nota op zich genomen verplichtingen, heeft

nagelaten, de beweging, welke tegen de territoriale integriteit der

Monarchie gericht was, te onderdrukken.

Hare verplichting bestond daarin, de geheele richting harer politiek

te veranderen en tot de Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie in eene

betrekking te treden van vriendschappelijke nabuurschap, dus niet alleen

in het niet aantasten van het bezitrecht der monarchie op Bosnië.

_De Servische nota vervolgt dan:_

De Koninklijke regeering kan niet worden verantwoordelijk gemaakt

voor uitlatingen, die een particulier karakter dragen, zooals

krantenartikelen en de vreedzame arbeid van vereenigingen, uitlatingen,

die in bijna alle landen zeer gewone verschijnselen zijn en die in

het algemeen aan de contrôle van den staat ontsnappen. De Koninklijke

regeering is hiervoor te minder verantwoordelijk, waar zij bij de

oplossing van eene geheele rij van quaesties, die tusschen Servië en

Oostenrijk-Hongarije gerezen zijn, groote tegemoetkoming getoond heeft,

waardoor het haar gelukt is het grootste deel daarvan ten gunste van de

vooruitgang der beide naburige landen op te lossen.

_Aanmerking der K. en K. regeering:_

De bewering der Koninklijk Servische regeering, dat de uitlatingen der

pers en de werkzaamheid van vereenigingen een particulier karakter

dragen en dat de staat deze niet kan controleeren staat lijnrecht

tegenover de instellingen der moderne staten en zelfs tegenover de meest

liberale richting op het gebied van het pers- en vereenigingsrecht

hetwelk een publiek-rechterlijk karakter heeft en de pers zoowel als de

vereenigingen onder het toezicht van den staat stelt. Overigens houden

ook de Servische instellingen met de noodzakelijkheid van een dergelijk

toezicht rekening. Het tegen de Servische regeering gerichte verwijt

bedoelt juist aan te toonen, dat zij ten eenenmale heeft nagelaten,

toezicht te houden op hare pers en hare vereenigingen, waarvan zij de

werking in een der Monarchie vijandigen zin kende.

_De Servische nota vervolgt:_

De Koninklijke regeering was derhalve door de bewering, dat Servische

onderdanen aan de voorbereiding van den te Serajewo gepleegden aanslag

hadden deelgenomen, smartelijk verrast. Zij had verwacht uitgenoodigd

te worden bij de onderzoekingen over deze misdaad, hare medewerking te

verleenen en was bereid, ten einde hare algeheele correktheid door daden

te bewijzen, alle personen te vervolgen, omtrent welke men haar gegevens

zou hebben verschaft.

_Kantteekening van de K. en K. regeering._

Deze bewering is onjuist. De Servische regeering was omtrent de tegen

bepaalde personen bestaande verdenking nauwkeurig onderricht en niet

alleen in de gelegenheid, maar zelfs volgens hare binnenlandsche

wetgeving, verplicht, geheel uit zich zelve, onderzoekingen in te

stellen. Zij heeft in deze richting niets gedaan.

_De Servische Nota._

In overeenstemming met de wenschen der K. en K. regeering is de

Koninklijke regeering derhalve bereid, iederen Servischen onderdaan,

voor wiens deelneming aan de Serajewosche misdaad haar bewijzen

worden geleverd, zonder aanzien van positie en rang, voor het gerecht

te brengen. Zij verplicht zich inzonderheid op de eerste pagina van

het ambtelijk orgaan de volgende mededeeling openbaar te maken. De

Koninklijk Servische regeering veroordeelt iedere propaganda, die tegen

Oostenrijk-Hongarije zou zijn gericht, d. w. z. de totaliteit der

machinaties, welke als einddoel het losrukken van enkele gebiedsdeelen

der Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie op het oog hebben, en zij

betreurt oprecht de treurige gevolgen van dit misdadig drijven.

_Kantteekening van de K. en K. regeering._

Onze eisch luidde: „De Koninklijk Servische regeering veroordeelt de

tegen Oostenrijk-Hongarije gerichte propaganda....”

De door de Koninklijk Servische regeering aangebrachte veranderingen in

de door ons geëischte verklaring, beteekent, dat eene dusdanige tegen

Oostenrijk-Hongarije gerichte propaganda niet bestaat, of dat haar van

eene dusdanige propaganda niets bekend is. Deze formule is onoprecht

en achterhoudend, daar de Servische regeering daarmede voor later het

achterdeurtje openhoudt, dat zij de thans bestaande propaganda door deze

verklaringen niet heeft gedesavoueerd en niet heeft toegegeven, dat

deze der Monarchie vijandig is, waaruit zij verder zou kunnen afleiden,

dat zij tot onderdrukking van eene propaganda, die gelijk is aan de

tegenwoordige, niet zou zijn verplicht.

_De Servische Nota._

De Koninklijke regeering betreurt, dat luidens de mededeeling der K.

en K. regeering bepaalde Servische officieren en ambtenaren aan de

zooeven genoemde propaganda hebben medegewerkt, en dat deze daardoor

de betrekkingen van vriendschappelijke nabuurschap in gevaar gebracht

hebben, tot welker inachtneming de Koninklijke regeering zich door hare

verklaring van 31 Maart 1909 plechtig verbonden had.

„De regeering...” gelijkluidend met den verlangden text.

_Kantteekening der K. en K. regeering._

De door ons geëischte formuleering luidde: „De Koninklijke regeering

betreurt, dat Servische officieren en ambtenaren... medegewerkt

hebben...”

Ook door deze formuleering en de verdere bijvoeging „luidens de

mededeeling der K. en K. regeering”, tracht de Servische regeering

hetzelfde te bereiken wat reeds boven door ons werd aangeduid: voor de

toekomst de vrije hand te houden.

_De Servische Nota._

De Koninklijke regeering verplicht zich verder:

1. Bij gelegenheid van de eerstvolgende gewone zitting van de

skupschtina aan de perswet eene bepaling toe te voegen, volgens welke

ophitsing tot haat tegen en verachting voor de Monarchie, zoomede

iedere publicatie waarvan de algemeene strekking gericht is tegen de

territoriale integriteit van Oostenrijk-Hongarije, ten strengste zal

worden gestraft.

Zij verbindt zich, met het oog op de in de naaste toekomst plaats

vindende grondwetsherziening aan artikel 22 van de grondwet eene alinea

toe te voegen, welke het in beslag nemen van dusdanige publicaties

veroorlooft, iets wat volgens de duidelijke bepalingen van artikel 22

der grondwet thans onmogelijk is.

_Kantteekening van de K. en K. regeering._

Wij hadden verlangd:

1. Iedere publicatie te onderdrukken, die aanzet tot haat tegen en

verachting voor de Monarchie en welker strekking gericht is tegen de

territoriale integriteit van de Monarchie.

Wij wilden alzoo Servië de verplichting opleggen, er voor te zorgen,

dat dusdanige persaanvallen in de toekomst zouden achterwege blijven,

wij wenschten alzoo op dit punt een bepaald resultaat te bereiken.

In plaats daarvan biedt Servië ons de indiening van twee wetten aan,

welke als middel zouden moeten dienen om dit resultaat te bereiken, en

wel

_a_) Een wet, waardoor de daarvoor in aanmerking komende, der Monarchie

vijandige, persuitingen subjectief zullen kunnen worden bestraft, wat

ons absoluut onverschillig is, te meer daar het bekend is, dat de

subjectieve vervolging van persdelicten uiterst zelden mogelijk is en

dat bij eene daarmede in overeenstemming zijnde laksche toepassing van

een dergelijke wet, ook de weinige gevallen, die daaronder vallen, niet

zouden worden gestraft, alzoo een voorstel dat onzen eisch in geen enkel

opzicht tegemoet komt, en dat ons daarom niet de geringste garantie

biedt voor het door ons gewenschte resultaat;

_b_) een aanvullingswet op artikel 22 der constitutie, hetwelk de

confiscatie zou veroorloven—een voorslag, die ons evenmin kan

bevredigen, aangezien het bestaan van zulk een wet in Servië ons niets

helpt, wanneer niet de regeering zich verplicht die wet ook toe te

passen, wat ons echter niet beloofd werd.

Deze voorstellen zijn dus geheel onbevredigend—en dit te meer daar

zij ook in zooverre ontwijkend zijn, dat ons niet gezegd wordt, binnen

welken tijd die wetten zullen worden ingediend en daar in geval van eene

verwerping der wetsvoorstellen door de skupschtina—om van een eventueel

aftreden der regeering in het geheel niet te spreken—alles bij het oude

zou blijven.

_De Servische Nota._

2. De regeering bezit geen enkel bewijs en ook de nota van de K. en K.

regeering levert haar dit niet, dat de vereeniging „Narodna Odbrana”

en andere gelijksoortige vereenigingen tot op den huidigen dag door

een van hunne leden eenige misdadige handeling van dezen aard zouden

hebben begaan. Intusschen zal de Koninklijke regeering aan den eisch der

K. en K. regeering gevolg geven en de vereeniging „Narodna Odbrana”,

zoomede iedere vereeniging, die tegen Oostenrijk-Hongarije mocht werken,

ontbinden.

_Kantteekening der K. en K. regeering._

De der Monarchie vijandige propaganda van „Narodna Odbrana” en van de

met deze verbonden vereenigingen, vervult in Servië het geheele openbare

leven; het is derhalve eene geheel ongepaste gereserveerdheid, wanneer

de Servische regeering beweert, dat haar daarvan niets bekend is.

Geheel afgezien hiervan is de door ons gestelde eisch niet volkomen

vervuld, daar wij bovendien verlangd hebben: op de propagandamiddelen

dier vereenigingen beslag te leggen en het wederoprichten der ontbonden

vereenigingen onder een anderen naam en in anderen vorm te verhinderen.

In deze beide richtingen zwijgt het kabinet van Belgrado volkomen, zoo

dat ons ook door de ons gedane halve toezegging, geen waarborg wordt

geschonken, dat door de ontbinding van de der Monarchie vijandige

associaties, in het bijzonder van de „Narodna Odbrana”, aan hun drijven

definitief een einde zal worden gemaakt.

_De Servische Nota._

3. De Koninklijk Servische regeering verbindt zich zonder verwijl uit

het openbaar onderwijs in Servië alles te verwijderen, wat de tegen

Oostenrijk-Hongarije gerichte propaganda zou kunnen steunen, wanneer

haar door de K. en K. regeering positieve bewijzen voor die propaganda

worden geleverd.

_Kantteekening van de K. en K. regeering._

Ook in dit geval verlangt de Servische regeering eerst bewijzen, dat

bij het Servische openbaar onderwijs eene der Monarchie vijandige

propaganda wordt gevoerd, terwijl zij toch moet weten, dat de bij de

Servische scholen ingevoerde leerboeken in deze richting stof bevatten,

die aan critiek onderhevig is en dat een groot deel van de Servische

onderwijzers in het kamp der „Narodna Odbrana” en van de met deze

verbonden vereenigingen staat.

Overigens heeft de Servische regeering ook hier aan een deel van onze

eischen niet zóó voldaan, als wij dit verlangd hebben, wijl zij in

haren text den door ons gewenschten tusschenzin „zoowel wat betreft het

onderwijzend personeel, als wat betreft de leermiddelen”, wegliet, een

tusschenzin, die duidelijk aantoont, waar men de der Monarchie vijandige

propaganda in de Servische school, zoeken moet.

_De Servische Nota._

4. De Koninklijke regeering is ook bereid die officieren en ambtenaren

uit den militairen en civielen dienst te ontslaan, waarvan door

gerechterlijk onderzoek wordt vastgesteld, dat zij zich aan handelingen

tegen de territoriale integriteit der Monarchie hebben schuldig gemaakt;

zij verwacht, dat de K. en K. regeering haar door middel van het

instellen van eene gerechtelijke vervolging de namen zal mededeelen van

die officieren en ambtenaren en van de feiten, die hen ten laste worden

gelegd.

_Kantteekening der K. en K. regeering._

Waar de Koninklijk Servische regeering hare toezegging de betreffende

officieren en ambtenaren uit den militairen en civielen dienst te

ontslaan, verbindt aan de omstandigheid, dat deze personen door een

gerechterlijk onderzoek zullen worden schuldig bevonden beperkt zij hare

toezegging tot die gevallen, in welke deze personen een strafrechterlijk

vast te stellen delict ten laste ligt. Daar wij echter de verwijdering

van die officieren en ambtenaren verlangen, welke eene der Monarchie

vijandige propaganda voerden, wat immers in het algemeen in Servië geen

gerechtelijk strafbare zaak is, schijnt aan onze eischen ook op dit

punt niet te worden voldaan.

_Nota der Koninklijk Servische regeering._

5. De Koninklijke regeering moet bekennen, dat zij zich niet ten volle

rekenschap kan geven omtrent den zin en de draagwijdte van dit verlangen

der K. en K. regeering, hetwelk bedoelt, dat de Koninklijk Servische

regeering zich zou verplichten op haar grondgebied de medewerking van

de ambtenaren der K. en K. regeering toe te laten, echter verklaart

zij, dat zij bereid is, iedere medewerking aan te nemen, welke in

overeenstemming is met de grondslagen van het volkenrecht en van het

strafproces en die verder in overeenstemming is met de betrekkingen van

vriendschappelijke nabuurschap.

_Kantteekening van de K. en K. regeering._

Met deze vraag heeft het algemeene volkenrecht even weinig te maken

als het strafprocesrecht. Het gaat hier om eene aangelegenheid waarmee

alleen de staatspolitie te maken heeft en die langs den weg van eene

bijzondere overeenkomst is op te lossen. De gereserveerdheid van Servië

is daarom onbegrijpelijk en ware door haar vagen algemeenen vorm

geschikt tot onoverkomenlijke bezwaren aanleiding te geven bij het

afsluiten van de betreffende overeenkomst.

_Nota van de Koninklijke Servische regeering._

6. De Koninklijke regeering houdt het begrijpelijker wijze voor

haar plicht tegen alle personen, die bij het complot van 15/28 Juni

betrokken waren of betrokken zouden geweest zijn en die zich op haar

gebied bevinden, een gerechterlijk onderzoek in te leiden. Wat de

medewerking van hiertoe speciaal gedelegeerde ambtenaren van de K. en

K. regeering aan dit onderzoek betreft, zoo kan zij een dergelijke

deelneming niet aannemen, daar dit in strijd zou zijn met de grondwet,

en met de wet op de strafprocedure. Maar in enkele gevallen zou den

Oostenrijksch-Hongaarschen ambtenaren mededeeling kunnen worden gedaan

van de resultaten van het gerechterlijk onderzoek.

_Kantteekening der K. en K. regeering._

Ons verlangen was geheel duidelijk en niet mis te verstaan. Wij

verlangden het inleiden van een gerechterlijk onderzoek tegen de

deelnemers aan het complot. Deelneming van K. en K. ambtenaren aan de

hierop betrekking hebbende onderzoekingen (recherche in tegenstelling

met enquête judiciaire). Wij hebben er geen oogenblik aan gedacht K. en

K. ambtenaren aan de Servische gerechtszittingen te doen deelnemen. Zij

zouden slechts aan het vóóronderzoek van de politie medewerken, hetwelk

het materiaal voor het proces zou moeten aanvoeren en schiften. Wanneer

de Servische regeering ons hier misverstaat, dan doet zij dit bewust,

want het onderscheid tusschen enquête judiciaire en een eenvoudige

recherche moeten ieder duidelijk zijn. Daar zij zich aan iedere contrôle

van het in te leiden proces wenschte te onttrekken, hetwelk bij correcte

doorvoering hoogst ongewenschte resultaten voor haar opleveren zou en

daar er voor haar geen mogelijkheid bestaat op plausible gronden de

medewerking onzer ambtenaren aan de politie enquête van de hand te

wijzen (voorbeelden voor een dergelijk ingrijpen van de politie bestaan

in grooten getale) heeft zij zich op een standpunt geplaatst hetwelk

hare afwijzing den schijn van recht moet geven en ons verlangen, als

niet voor inwilliging vatbaar, moet stempelen.

_Nota van de Servische regeering._

7. De Koninklijke regeering heeft nog denzelfden avond van den

dag waarop zij de nota ontving, den majoor VOISLAR TANKOSIC doen

arresteeren, wat echter MILAN CIGANOVIC betreft, die een onderdaan van

de Oostenrijksch-Hongaarsche Monarchie is, en die tot den 15en Juni als

aspirant bij de directie der spoorwegen werkzaam was, deze kon tot nu

toe niet worden ontdekt, weshalve een bevel tot inhechtenisneming werd

uitgevaardigd.

De K. en K. regeering wordt uitgenoodigd ten behoeve van het voortzetten

van het gerechterlijk onderzoek, zoo snel mogelijk de punten, welke

aanleiding hebben gegeven tot verdenking, en de bij het gerechterlijk

onderzoek te Serajewo verzamelde bewijzen voor de schuld der beklaagden

in den aangegeven vorm bekend te maken.

_Kantteekening van de K. en K. regeering._

Dit antwoord is achterhoudend. CIGANOVIC ging luidens het door ons

ingestelde onderzoek 3 dagen na den aanslag, toen bekend werd dat

CIGANOVIC aan het complot had deelgenomen, met verlof, en begaf zich

in opdracht van de prefectuur van politie in Belgrado naar Ribari.

Het is dus om te beginnen onjuist, dat CIGANOVIC reeds den 15/28 Juni

den Servischen staatsdienst verliet. Hierbij komt dat de prefect van

politie van Belgrado, op wiens bevel het vertrek van CIGANOVIC heeft

plaatsgevonden, en die wist waar deze zich ophield in een interview

verklaarde, dat iemand van den naam MILAN CIGANOVIC in Belgrado niet

bestond.

_Nota van de Servische regeering._

8. De Servische regeering zal de bestaande maatregelen tot onderdrukking

van den smokkelhandel in wapens en explosieve stoffen verscherpen

en uitbreiden. Het is vanzelf sprekend, dat zij onmiddellijk een

onderzoek zal inleiden, en de ambtenaren van den grensdienst op de lijn

Sabac–Loznica die hun plicht hebben verzuimd en de hoofdschuldigen aan

de misdaad de grens hebben laten overschrijden, streng zal straffen.

9. De Koninklijke regeering is gaarne bereid verklaringen te geven over

de uitlatingen welke hare ambtenaren in Servië en in het buitenland na

den aanslag in interviews hebben gedaan en die volgens de beweringen

der K. en K. regeering vijandig waren tegenover de Monarchie, zoodra

de K. en K. regeering de plaatsen dezer uiteenzettingen aangeeft, en

zal hebben bewezen, dat deze uitlatingen inderdaad door de betreffende

ambtenaren zijn gedaan. De Koninklijke regeering zal er zelfs zorg voor

dragen de noodige bewijzen en het noodige overtuigingsmateriaal daarvoor

te verzamelen.

_Kantteekening van de K. en K. regeering._

De betrekkelijke interviews moeten der Koninklijk Servische regeering

zeer nauwkeurig bekend zijn. Wanneer zij van de K. en K. regeering

verlangt dat deze haar alle mogelijke details omtrent deze interviews

verschaft, en wanneer zij zich een formeel onderzoek voorbehoudt, toont

zij aan, dat zij ook aan dit verlangen niet ernstig wil voldoen.

_Nota van de Servische regeering._

10. De Koninklijke regeering zal voor zoover dit niet reeds in deze

nota geschied is, de K. en K. regeering op de hoogte stellen van de

uitvoering der maatregelen die in de voorafgaande punten genoemd worden,

zoodra een van die maatregelen bevolen en uitgevoerd wordt.

De Koninklijke regeering gelooft, dat het in het gemeenschappelijk

belang is, zich bij de oplossing dezer aangelegenheid niet te overijlen

en is daarom voor het geval de K. en K. regeering door dit antwoord niet

bevredigd mocht zijn, als steeds bereid eene vredelievende oplossing

aan te nemen, zij het door het overdragen van de beslissing over dit

vraagstuk aan het internationale gerecht in Den Haag, zij het door

het overlaten van de beslissing aan de Groote Mogendheden, die hebben

medegewerkt aan het uitwerken van de door de Servische regeering den

18/31 Maart 1909 afgegeven verklaring.

#Uit het Oostenrijksch-Hongaarsche materiaal.#

Weenen, 27 Juli. Het in de Oostenrijksch-Hongaarsche circulaire aan de

buitenlandsche gezantschappen in de aangelegenheid van het Servische

conflict genoemde dossier wordt heden openbaar gemaakt.

In deze memorie wordt er op gewezen, dat de van Servië uitgaande

beweging, die zich ten doel gesteld heeft, de zuidelijke deelen van

Oostenrijk-Hongarije van de Monarchie los te rukken teneinde ze met

Servië tot een staatseenheid te verbinden reeds lang geleden een aanvang

heeft genomen. Deze propaganda die, wat haar einddoel betreft, zichzelf

steeds gelijk blijft, en slechts wat de aan te wenden middelen en hare

intensiteit betreft, veranderingen doormaakt, bereikte gedurende den

tijd der annexatiecrisis haar hoogtepunt en trad toen openlijk met

hare denkbeelden voor den dag. Terwijl aan den eenen kant de geheele

Servische pers tot den strijd tegen de Monarchie opriep, vormden

zich—afgezien van andere propagandamiddelen—vereenigingen, die dezen

strijd voorbereidden, onder welke de „Narodna Odbrana” de belangrijkste

was. Voortgekomen uit een revolutionnair comité constitueerde zich

deze van het Ministerie van Buitenlandsche Zaken te Belgrado volkomen

afhankelijke organisatie onder leiding van staatslieden en officieren

waaronder de generaal JANKOVIC en de vroegere minister IVANOVIC. Ook

majoor OJA TANKOVIC en MILAN PRIBICEVIC behooren tot de grondleggers.

Deze vereeniging heeft zich ten doel gesteld, het vormen en uitrusten

van vrijcorpsen met het oog op den toekomstigen oorlog tegen de

Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie te bevorderen. In eene aan de

memorie toegevoegde bijlage wordt een uittreksel openbaar gemaakt

uit het door het hoofdbestuur der „Narodna Odbrana” uitgegeven

vereenigsorgaan van denzelfden naam, in welk orgaan in verscheidene

artikelen de werkzaamheid en het doel van deze vereeniging uitvoerig

worden verklaard. Het heet daarin, dat de hoofdtaak der „Narodna

Odbrana” is: de verbinding met hare broederen van verre en nabij aan

de andere zijde der grens en met onze overige vrienden in de wereld.

_Oostenrijk wordt als de eerste en grootste vijand aangeduid._ Waar de

„Narodna Odbrana” de noodzakelijkheid van den strijd met Oostenrijk

predikt, daar predikt zij een heilige waarheid betreffende onzen

nationalen toestand. Het slothoofdstuk bevat een beroep op de regeering

en aan het volk van Servië om zich met alle middelen op den strijd voor

te bereiden, die door de annexatie is geprofeteerd.

De memorie schildert, volgens het getuigenis van een door de „Narodna

Odbrana” aangeworven komitatschi, de toenmalige werkzaamheid van de

„Narodna Odbrana”, die een school onderhield welke geleid werd door twee

kapiteins, waaronder TANKOVIC, in welke _school benden werden opgeleid_

en welke scholen door generaal JANKOVIC en kapitein MILAN PRIBICEVIC

regelmatig werden geïnspecteerd. Verder werden de komitatschi's

onderricht in _schieten_ en _bommen werpen_, in _het leggen van mijnen_

en _het opblazen van spoorwegbruggen_. Na de plechtige verklaring van

de Servische regeering van het jaar 1909 scheen ook het einde van deze

organisatie te zijn gekomen. Deze verwachtingen zijn echter niet in

vervulling gegaan, integendeel werd de propaganda door de Servische

pers voortgezet. De memorie voegt als voorbeeld aan, de wijze waarop de

aanslag tegen den Bosnischen „Landeschef” VAREASNIN publicistisch werd

gebruikt doordat de attentator als Servisch nationaal held werd gevierd

en zijn daad werd verheerlijkt. Deze bladen werden niet alleen in Servië

verspreid, maar ook langs wel georganiseerde sluipwegen in de Monarchie

binnengesmokkeld.

Onder dezelfde leiding als bij haar stichting werd de „Narodna Odbrana”

onlangs het centrum van eene agitatie waartoe _de scherpschuttersbond

met 762 aangesloten vereenigingen, een Sokolbond met 3500 leden en

verscheidene andere vereenigingen behoorden_.

Onder den dekmantel van eene beschavingsvereeniging optredend, die

slechts de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van de Servische

bevolking, zoowel als haar materieele vooruitgang ter harte gaat, toont

de „Narodna Odbrana” haar werkelijk gereorganiseerd program in het

boven geciteerde uittreksel uit haar vereenigingsorgaan, in hetwelk

„de heilige waarheid” wordt gepredikt, dat het eene _onafwijsbare

noodzakelijkheid is tegen Oostenrijk zijn eersten grootsten vijand

deze uitroeiingsoorlog met geweer en kanon te voeren_ en het volk met

alle middelen voor te bereiden op den strijd ter bevrijding van het

onderworpen gebied, in hetwelk vele millioenen geknechte broeders

smachten. De in de memorie geciteerde oproepingen en redevoeringen

van dezelfde soort werpen het licht op de veelzijdige buitenlandsche

werkzaamheid der Narodna Odbrana en van hare dochtervereenigingen,

die in het houden van voordrachttourneeën en in het deelnemen aan

de feesten van Bosnische vereenigingen, waarbij dikwijls leden voor

de bovengenoemde Servische vereenigingen geworven worden, bestaat.

Tegenwoordig is men nog bezig te onderzoeken of de Sokolvereenigingen in

Servië er dezelfde vereenigingen in de Monarchie toe overhaalden zich

met hen te vereenigen tot een tot dusver geheim gehouden verbond. Door

vertrouwensmannen en afgezanten werd er beroering gebracht in de kringen

der volwassenen en van de jeugd, die niet tot oordeelen in staat is. Zoo

werden door MILAN PRIBICEVIC vroegere Honved-officieren en een luitenant

van de gendarmerie er onder bedenkelijke omstandigheden toe gebracht

den dienst in het leger der Monarchie te verlaten. In de normaalscholen

der onderwijzers werd een verregaande agitatie ontwikkeld. De

verlangde oorlog tegen de Monarchie werd in militair opzicht ook in

zooverre voorbereid, dat Servische gezanten voor het geval van het

uitbreken van de vijandelijkheden, werden belast met het vernielen van

transportmiddelen en het aanwakkeren van oproertjes en panieken. Dit

alles wordt in een bijzondere bijlage vastgelegd.

De memorie schildert verder den samenhang tusschen deze werkzaamheid

van de „Narodna Odbrana” en de dochterorganisaties met de aanslagen op

den Koninklijken commissaris in Agram, CUVAJ, in Juni 1913, de aanslag

van DOJCIC in Agram in 1913 tegen SKERLECZ en de mislukte aanslag van

SCHÄFER op den 20en Mei in den Agrammer schouwburg. Het handelt verder

over den samenhang met _den aanslag op den troonopvolger en diens

gemalin_, over de wijze waarop reeds de jongens in de school door de

ideeën der „Narodna Odbrana” vergiftigd werden en hoe zich de bedrijvers

van den aanslag met behulp van PRIBICEVIC en DARSIC de werktuigen voor

den aanslag verschaften, waarbij in het bijzonder de rol van den majoor

TANKOSIC wordt blootgelegd, die de moordwapens leverde, zoowel als de

rol van een zekeren CIGANOVIC, een gewezen komitatschi, die nu beambte

is bij de directie van de Servische spoorwegen te Belgrado en die reeds

in 1909 als kweekeling van de bendenschool der toenmalige „Narodna

Odbrana” opdook. Verder wordt de wijze blootgelegd, waarop bommen

en wapenen ongemerkt in Bosnië binnengesmokkeld werden, welke geen

twijfel laat dat dit een welvoorbereide en voor de geheime doeleinden

der Narodna dikwijls gebruikte sluipweg was. Een bijlage bevat een

uittreksel van de acten van het krijgsgerecht te Serajewo over het

_onderzoek betreffende den aanslag_ op Aartshertog FRANZ FERDINAND en

diens gemalin. Volgens deze bijlage hebben PRINCIP, GABRINOVIC, GRABEZ,

CRUPILOVIC en PAPOVIC bekend, in gemeenschap met den voortvluchtigen

MEHMEDBASIC een complot gevormd te hebben tot het vermoorden van den

aartshertog en hem met dit doel te hebben opgewacht. GABRINOVIC bekent

de bom te hebben geworpen en GRABRILO PRINCIP den aanslag met het

browningpistool te hebben uitgevoerd. Beide daders geven toe bij het

plegen van de daad de bedoeling gehad te hebben een moord te begaan.

De overige deelen van de bijlage bevatten verdere verklaringen van de

beschuldigden voor den rechter van instructie over het ontstaan van het

complot, de herkomst der bommen, die fabriekmatig werden vervaardigd,

voor militaire doeleinden bestemd waren en, te oordeelen naar de

oorspronkelijke verpakking, kwamen uit het Servische wapenmagazijn te

Kragujevac. Eindelijk geeft de bijlage informaties over het transport

van de drie bedrijvers van den aanslag en van de wapenen van Servië

naar Bosnië. Uit het verdere protocol der getuigenverhooren blijkt,

dat een onderdaan der Monarchie eenige dagen voor den aanslag het

Oostenrijksch-Hongaarsche konsulaat te Belgrado mededeeling wilde

doen van zijn vermoeden, dat er een plan bestond tot het plegen

van een aanslag op den aartshertog gedurende diens aanwezigheid in

Bosnië. Die man zou nu door Belgradosche politiebeambten, die hem

even voor het betreden van het konsulaat op onbeduidende gronden

arresteerden, verhinderd zijn geworden, zijne mededeeling te doen.

Verder blijkt uit het protocol van het getuigenverhoor, dat de

betreffende _politieambtenaren van den voorgenomen aanslag kennis

hebben gedragen_. Overmits deze verklaringen nog niet zijn kunnen

worden onderzocht, kan voorloopig over de juistheid daarvan nog

niet geoordeeld worden. In de bijlage van de memorie staat: voor de

ontvangzaal van het Servische Ministerie van Oorlog bevinden zich aan

den wand vier allegorische schilderijen, waarvan drie voorstellingen

zijn van Servische wapensuccessen, terwijl het vierde de vervulling der

der Monarchie vijandige denkbeelden in Servië verzinnebeeldt. Over een

landschap hetwelk gedeeltelijk gebergte (Bosnië) gedeeltelijk vlakte

(Zuid-Hongarije) vertoont, gaat de Zora, het morgenrood der Servische

toekomstidealen op. Op den voorgrond staat een gewapende vrouwengestalte

op wier schild de namen staan van alle „nog te bevrijden provinciën”:

Bosnië, Herzegowina, Wojwodina, Syrmië, Dalmatië, enz.

Bijlage 1_b_.

#De Rijkskanselier aan de Keizerlijke gezanten te Parijs, Londen en

St. Petersburg, den 23en Juli 1914.#

De publicaties van de Oostenrijksch-Hongaarsche regeering over

de omstandigheden, waaronder de aanslag op den Oostenrijkschen

troonopvolger en zijn gemalin heeft plaats gevonden, toonen zoo openlijk

mogelijk de doeleinden, welke zich de Groot-Servische propaganda

gesteld heeft en de middelen waarvan zij zich ter bereiking daarvan

bedient. Ook moet door de bekend gemaakte feiten de laatste twijfel

verdwijnen, dat het centrum van de actie die streeft naar het losmaken

van de Zuid-Slavische provinciën der Oostenrijksch-Hongaarsche

Monarchie en de vereeniging van deze met het Servische koninkrijk in

Belgrado te zoeken is, en daar, althans met toelating van de zijde

van leden der regeering en van het leger, arbeidt. Het begin van

de Servische woelingen ligt reeds een lange rij van jaren terug.

In zeer marquanten vorm trad het Groot-Servische chauvinisme te

voorschijn gedurende de Bosnische crisis. Slechts aan de verregaande

zelfbeheersching en gematigdheid der Oostenrijksch-Hongaarsche regeering

en het energiek ingrijpen der Groote Mogendheden was het toe te

schrijven dat de provocaties, waaraan Oostenrijk-Hongarije in dezen

tijd van de zijde van Servië was blootgesteld, niet tot een conflict

voerden. De belofte van toekomstig goed gedrag, die de Servische

regeering toentertijd gegeven heeft, is zij nooit nagekomen. Onder

de oogen, tenminste onder stilzwijgend toelaten van het ambtelijke

Servië heeft de Groot-Servische propaganda intusschen voortdurend aan

omvang en intensiviteit toegenomen. Op hare rekening is de jongste

misdaad te plaatsen, waarvan de draden naar Belgrado voeren. Er is

op ondubbelzinnige wijze gebleken, dat het noch met de waardigheid,

noch met het zelfbehoud van de Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie

zou zijn overeen te brengen, om het drijven aan de andere zijde der

grens, waardoor de veiligheid en de integriteit van haar grondgebied

voortdurend wordt bedreigd, nog langer werkeloos aan te zien. In

verband met deze omstandigheden kunnen het optreden en de eischen der

Oostenrijksch-Hongaarsche regeering slechts als gerechtvaardigd worden

beschouwd. Desniettegenstaande sluit de houding, die de openbare meening

zoowel als de regeering in Servië den laatsten tijd ingenomen hebben,

de vrees niet uit, dat de Servische regeering er voor bedanken zal, aan

deze eischen te voldoen en dat zij zich zal laten bewegen, tegenover

Oostenrijk-Hongarije eene uitdagende houding aan te nemen. In dat geval

zou de Oostenrijksch-Hongaarsche regeering wanneer zij niet voor goed

van hare positie als groote mogendheid zou willen afstand doen, niets

anders overblijven als hare eischen tegenover de Servische regeering

door sterken druk en desnoods door het toevlucht nemen tot militaire

maatregelen door te zetten, waarbij de keuze der middelen aan haar moet

worden overgelaten. Ik heb de eer Uwe Excellentie, enz., te verzoeken

U in dezen zin tegenover (den tegenwoordigen vertegenwoordiger van den

heer VIVIANI), (Sir EDWARD GREY) (den heer SASANOW) uit te spreken en

daarbij in het bijzonder den nadruk te leggen op de opvatting, dat men

in de onderhavige quaestie te doen heeft met eene aangelegenheid, die

uitsluitend tusschen Oostenrijk-Hongarije en Servië moet worden beslist,

waarbij het het ernstige streven der mogendheden moet zijn de quaestie

te beperken tot de beide daarbij direct betrokkenen. Wij wenschen

dringend de localiseering van het conflict, omdat ieder ingrijpen van

eene andere macht in verband met de verschillende verbondsplichten

onafzienbare consequenties mee zou brengen. Gaarne ontving ik een

telegrafisch bericht over het verloop van het onderhoud, hetwelk ik met

belangstelling tegemoet zie.

Bijlage 2.

#De Rijkskanselier aan de Bondsregeringen.#

_Vertrouwelijk!_ Berlijn, den 28en Juni 1914.

Uwe Excellentie wordt verzocht der regeering, bij welke zij

geaccrediteerd is, de volgende mededeeling te doen. In verband met de

feiten, die de Oostenrijksch-Hongaarsche regeering in hare nota aan

de Servische regeering heeft bekend gemaakt, moet de laatste twijfel

verdwijnen dat de aanslag, waaronder de Oostenrijksch-Hongaarsche

troonopvolger en zijne gemalin als slachtoffer gevallen zijn, in Servië,

ten minste met toelaten van leden der Servische regeering en van het

Servische leger, is voorbereid geworden. Het is een product van het

Groot-Servische drijven, dat sedert eene rij van jaren een bron van

voortdurende verontrusting voor de Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie

en voor geheel Europa geworden is.

In bijzonder marquanten vorm trad het Groot-Servisch chauvinisme te

voorschijn gedurende de Bosnische crisis. Slechts aan de verregaande

zelfbeheersching en gematigdheid van de Oostenrijksch-Hongaarsche

regeering en het energiek ingrijpen der Groote Mogendheden was het

toe te schrijven, dat de provocaties, waaraan Oostenrijk-Hongarije

in dien tijd van de zijde van Servië was blootgesteld, niet tot een

conflict hebben gevoerd. De belofte van toekomstig goed gedrag, die de

Servische regeering toen gegeven heeft, is zij niet nagekomen. Onder

de oogen en tenminste onder stilzwijgend toelaten van het ambtelijk

Servië, heeft de Groot-Servische propaganda intusschen voortdurend

aan uitgebreidheid en intensiviteit toegenomen. Het zou noch met de

waardigheid, noch met haar recht op zelfbehoud overeen te brengen

zijn, wanneer de Oostenrijksch-Hongaarsche regeering het drijven aan

den anderen kant der grens, waardoor de veiligheid en de integriteit

van haar gebied voortdurend wordt bedreigd, noch langer werkeloos zou

aanzien. Onder deze omstandigheden moeten het optreden zoowel als de

eischen der Oostenrijksch-Hongaarsche regeering als gerechtvaardigd

worden beschouwd. Het antwoord van de Servische regeering op de eischen

welke de Oostenrijksch-Hongaarsche regeering den 23en dezer maand

door haar vertegenwoordiger in Belgrado heeft laten stellen, toont

evenwel aan, dat de toonaangevende factoren in Servië niet bereid

zijn, hun tot nu toe gevoerde politiek en agitatorische werkzaamheden

op te geven. Er zal daarom der Oostenrijksch-Hongaarsche regeering,

wanneer zij niet voor goed van hare positie als groote mogendheid zou

willen afstand doen, niets anders overblijven als hare vorderingen

door sterken druk en desnoods door het toevlucht nemen tot militaire

maatregelen, door te zetten. Enkele Russische persstemmen beschouwen

het als het vanzelf sprekend recht en als de taak van Rusland om in het

conflict tusschen Oostenrijk-Hongarije en Servië actief voor Servië

partij te nemen. Voor de Europeesche botsing, die het gevolg zou zijn

van dergelijke stappen van Rusland, meent de _Nowoje Wremja_ zelfs

Duitschland te mogen verantwoordelijk maken, voor zoover het er niet

Oostenrijk-Hongarije toe brengt, om toe te geven. De Russische pers

stelt hiermede de verhoudingen op den kop. Niet Oostenrijk-Hongarije

heeft het conflict met Servië veroorzaakt, maar het is Servië geweest

dat door eene gewetenlooze begunstiging van de Groot-Servische

aspiraties, ook in gedeelten der Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie,

het bestaan van deze laatste in gevaar heeft gebracht en toestanden

heeft geschapen die tenslotte in de misdadige daad van Serajewo

uitdrukking hebben gevonden. Wanneer Rusland meent in dit conflict voor

Servië in de bres te moeten springen, dan is dat ongetwijfeld zijn

goed recht. Het moet zich echter duidelijk voor oogen stellen dat het

daarmede de Servische woelingen tot ondergraving van het bestaansrecht

der Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie tot de zijne maakt en dat

het er alleen de verantwoordelijkheid voor draagt, wanneer uit het

Oostenrijksch-Servische geschil, dat alle overige Groote Mogendheden

wenschen te localiseeren, een Europeesche oorlog ontstaat. Deze

verantwoordelijkheid van Rusland komt duidelijk aan den dag en weegt

te zwaarder, waar Graaf BERCHTOLD Rusland officieel verklaard heeft

dat Oostenrijk niet de bedoeling heeft, gedeelten van het Servische

grondgebied te verwerven, noch het bestaan van het Servische koninkrijk

aan te tasten, maar dat het slechts rust wenscht tegenover de Servische

woelingen, die zijn bestaan in gevaar brengen.

De houding door de Keizerlijke regeering in deze quaestie aan te

nemen, teekent zich duidelijk af. De, door de panslavisten tegen

Oostenrijk-Hongarije gevoerde, agitatie, streeft als einddoel, door

middel van de verbrokkeling der Donaumonarchie, naar het uiteenspatten

of de verzwakking van den driebond en naar de volkomen isoleering van

het Duitsche Rijk als gevolg daarvan. Het meest elementaire eigenbelang

roept ons daarom aan de zijde van Oostenrijk-Hongarije. De plicht,

Europa, wanneer het eenigszins mogelijk is voor een algemeenen oorlog

te bewaren, brengt er ons tegelijkertijd toe, die bemoeiingen te

ondersteunen, welke werken in de richting van eene localiseering van

het conflict, getrouw aan de richtlijnen der politiek, die wij nu reeds

sedert 44 jaren in het belang van het behoud van den Europeeschen vrede,

met succes hebben gevoerd. Wanneer intusschen, onverhoopt door een

ingrijpen van Rusland de vuurhaard mocht worden uitgebreid, dan zullen

wij, getrouw aan onzen bondsplicht, met de geheele macht van het Rijk

de naburige monarchie moeten ondersteunen. Slechts gedwongen zullen wij

naar het zwaard grijpen, dan echter zullen wij het doen in het rustige

bewustzijn, dat wij geen schuld dragen aan het onheil, dat een oorlog

over de volkeren van Europa zou moeten brengen.

Bijlage 3.

#Telegram van den Keizerlijken Ambassadeur te Weenen aan den

Rijkskanselier van den 24en Juli 1914.#

Graaf BERCHTOLD heeft heden den Russischen chargé d'affaires bij zich

verzocht ten einde hem uitvoerig en vriendschappelijk het standpunt

van Oostenrijk-Hongarije tegenover Servië uiteen te zetten. Na

recapituleering van de historische ontwikkeling der laatste jaren legde

hij er den nadruk op, dat de Monarchie er niet aan denkt, tegenover

Servië veroverend op te treden. Oostenrijk-Hongarije zal geen aanspraak

maken op Servisch grondgebied. Het houdt er strikt aan vast, dat deze

stap slechts ten doel heeft, definitieve maatregelen te nemen tegen

de Servische woelingen. Noodgedrongen moest Oostenrijk-Hongarije

waarborgen verlangen voor eene toekomstige vriendschappelijke houding

van Servië tegenover de Monarchie. Hij is er verre van verwijderd,

eene verschuiving van de machtsverhoudingen op den Balkan, te willen

veroorzaken. De chargé d'affaires, die nog geen instructies uit

Petersburg had ontvangen, heeft de verklaringen van den minister ad

referendum genomen, onder toezegging, ze onmiddellijk ter kennis van

SASANOW te brengen.

Bijlage 4.

#Telegram van den Keizerlijken Ambassadeur te Petersburg aan den

Rijkskanselier van den 23en Juli 1914.#

Den inhoud van instructie 592 heb ik zooeven in een langdurig onderhoud

met SASANOW uitvoerig toegelicht. De minister ging zich te buiten

in matelooze beschuldigingen tegen Oostenrijk-Hongarije en was zeer

opgewonden. Zoo beslist mogelijk verklaarde hij, dat Rusland onmogelijk

zou kunnen toelaten, dat het Servisch-Oostenrijksche geschil tusschen de

betrokkenen alleen zou worden uitgemaakt.

Bijlage 5.

#De Keizerlijke Ambassadeur te Petersburg aan den Rijkskanselier.#

Telegram van 26 Juli 1914.

De Oostenrijksch-Hongaarsche ambassadeur had heden namiddag een

langdurig onderhoud met SASANOW. Beiden ontvingen, zooals zij mij

naderhand zeiden, een bevredigenden indruk. De verzekering van den

gezant, dat Oostenrijk-Hongarije geene veroveringsplannen heeft en

slechts eindelijk eens aan zijne grenzen rust wilde houden, heeft den

minister zichtbaar gerustgesteld.

Bijlage 6.

#Telegram van den Keizerlijken Ambassadeur in Petersburg aan den

Rijkskanselier van 25 Juli 1914.#

Rapport van den Generaal VON CHELIUS aan Z. M. In het Krasnoekamp

werden heden de oefeningen der troepen plotseling afgebroken en de

regimenten keeren onmiddellijk in hunne garnizoenen terug. De manoeuvres

zijn afgelast. De cadetten worden heden in plaats van in den herfst

tot officieren bevorderd. Over het optreden van Oostenrijk heerscht

in het hoofdkwartier groote opwinding. Ik heb den indruk, dat alle

voorbereidende maatregelen voor de mobiliseering tegen Oostenrijk worden

getroffen.

Bijlage 7.

#Telegram van den Keizerlijken Ambassadeur te Petersburg aan den

Rijkskanselier van den 26en Juli 1914.#

De militaire attaché verzoekt mij het volgende rapport aan den generalen

staf te willen doen toekomen.

Ik houd het voor zeker, dat, voor wat betreft Kiew en Odessa, de

mobilisatie is gelast. Voor Warschau en Moskou is dit quaestieus en in

de andere districten nog wel niet het geval.

Bijlage 8.

#Telegram van den waarnemenden Keizerlijken consul te Kowno aan den

Rijkskanselier van den 27en Juli 1914.#

In Kowno is de staat van oorlog afgekondigd.

Bijlage 9.

#Telegram van den Keizerlijken Gezant te Bern aan den Rijkskanselier van

den 27en Juli 1914.#

Verneem uit betrouwbare bron dat het 14e Fransche legerkorps de

manoeuvres afbrak.

Bijlage 10.

#Telegram van den Rijkskanselier aan den Keizerlijken Ambassadeur te

Londen.#

~Dringend.~ 26 Juli 1914.

Oostenrijk-Hongarije heeft te Petersburg officieel en plechtig

verklaard, dat het in Servië geen territoriale winst nastreeft, het

bestaan van het Koninkrijk niet zal aantasten en zich alleen maar rust

wil verschaffen. Volgens hier ingekomen berichten is in Rusland de

oproeping van verschillende jaargangen reservisten ieder oogenblik te

verwachten. Wanneer deze berichten bewaarheid worden, zullen wij tegen

onzen wensch tot tegenmaatregelen gedwongen zijn. Ook heden nog is ons

streven daarop gericht, het conflict te localiseeren en den Europeeschen

vrede te bewaren. Ik verzoek U daarom in Petersburg in dezen zin met den

meesten nadruk werkzaam te zijn.

Bijlage 10_a_.

#Telegram van den Rijkskanselier aan den Keizerlijken Ambassadeur te

Parijs van den 26en Juli 1914.#

Nadat Oostenrijk-Hongarije Rusland officieel verklaard heeft, dat het

geen territoriale winst nastreeft en het bestaan van het Koninkrijk

niet wil aantasten, ligt de beslissing of een Europeesche oorlog zal

ontstaan bij Rusland, dat de geheele verantwoordelijkheid daarvoor

te dragen heeft. Wij vertrouwen op Frankrijk, waarmede wij ons eenig

weten in den wensch om den Europeeschen vrede te bewaren, dat het in

Petersburg zijn invloed in kalmeerenden zin zal aanwenden.

Bijlage 10_b_.

#Telegram van den Rijkskanselier aan den Keizerlijken Gezant te

Petersburg van den 26en Juli 1914.#

Nadat Oostenrijk plechtig verklaard heeft geen territoriale belangen te

hebben, berust de verantwoordelijkheid voor een eventueele verstoring

van den Europeeschen vrede door een Russische interventie alleen bij

Rusland. Wij vertrouwen er nog steeds op, dat Rusland geen stappen zal

doen die den Europeeschen vrede ernstig in gevaar zouden brengen.

Bijlage 11.

#Telegram van den Keizerlijken Gezant te Petersburg aan den

Rijkskanselier van den 27en Juli 1914.#

Militair attaché rapporteert over gesprek met Minister van Oorlog.

SASANOW zou dezen laatsten verzocht hebben mij den toestand duidelijk

te maken. De Minister van Oorlog heeft mij zijn eerewoord gegeven

dat nog geen mobilisatiebevel is gegeven. Er werden alleen voorloopig

voorbereidende maatregelen genomen, maar er zou geen reservist

opgeroepen en geen paard opgevorderd zijn. Wanneer Oostenrijk de

Servische grens overschrijden zou, dan zouden die militaire districten,

die tegen Oostenrijk gericht zijn, Kiew, Odessa, Moskou en Kazan

gemobiliseerd worden, die aan het Duitsche front Warschau, Wilna en

Petersburg onder geen omstandigheden. Men zou den vrede met Duitschland

dringend wenschen. Op mijn vraag naar het doel van de mobiliseering

tegen Oostenrijk volgde schouderophalen, en werd verwezen naar de

diplomatie. Ik zeide den Minister dat men de vriendschappelijke

bedoelingen op prijs stelde, maar dat men ook de alleen tegen

Oostenrijk gerichte mobiliseering als zeer dreigend zou beschouwen.

Bijlage 12.

#Telegram van den Rijkskanselier aan den Keizerlijken Gezant te Londen

van den 27en Juli 1914.#

Van een voorstel van Sir EDWARD GREY, te Londen eene conferentie van

vier te houden, is hier tot dusver niets bekend. Het is voor ons

onmogelijk onzen bondgenoot in zake zijn twist met Servië, voor een

Europeesche rechtbank te brengen. Onze werkzaamheid als bemiddelaar moet

zich beperken tot het gevaar voor een Oostenrijksch-Russisch conflict.

Bijlage 13.

#Telegram van den Rijkskanselier aan den Keizerlijken Gezant te Londen

van den 25en Juli 1914.#

Het door Sir EDWARD GREY tusschen het Oostenrijksch-Servische en het

Oostenrijksch-Russische conflict gemaakte onderscheid is volkomen

juist. Wij willen ons evenmin als Engeland in het eerste mengen en

wij nemen gelijk te voren het standpunt in dat deze quaestie daardoor

moet gelocaliseerd blijven, dat alle mogendheden zich van inmenging

onthouden. Het is derhalve onze dringende hoop, dat Rusland in het

bewustzijn van zijne verantwoordelijkheid en van den ernst der situatie,

zich van ieder actief ingrijpen zal onthouden. Wij zijn voor het

geval een Oostenrijksch-Russische strijd zou ontstaan, bereid, onder

voorbehoud van onze bekende verbondsplichten, met de andere Groote

Mogendheden tusschen Rusland en Oostenrijk bemiddelend op te treden.

Bijlage 14.

#Telegram van den Rijkskanselier aan den Keizerlijken Gezant te

Petersburg van den 28en Juli 1914.#

Wij zijn er zonder ophouden mee bezig er Weenen toe te bewegen, in

Petersburg doel en omvang van het Oostenrijksche optreden in Servië op

een onbetwistbare en, naar wij hopen, voor Rusland bevredigende wijze,

duidelijk te maken. Hieraan verandert ook de oorlogsverklaring, die

intusschen heeft plaats gevonden, niets.

Bijlage 15.

#Telegram van den Rijkskanselier aan den Keizerlijken Gezant te Londen

van den 27en Juli 1914.#

Wij hebben met de bemiddelingsactie te Weenen, in den door Sir EDWARD

GREY gewenschten zin, onmiddellijk een aanvang gemaakt. Bovendien hebben

wij Graaf BERCHTOLD den wensch van den heer SASANOW omtrent directe

gedachtenwisseling met Weenen medegedeeld.

Bijlage 16.

#Telegram van den Keizerlijken Gezant te Weenen aan den Rijkskanselier

van den 28en Juli 1914.#

Graaf BERCHTOLD verzoekt mij Uwe Excellentie ten zeerste te bedanken,

voor de overbrenging van het Engelsche bemiddelingsvoorstel. Hij merkt

echter daarbij op, dat hij na de opening der vijandelijkheden van de

zijde van Servië en na de oorlogsverklaring, die intusschen is geschied,

de stap van Engeland moet beschouwen als te laat gekomen.

Bijlage 17.

#Telegram van den Rijkskanselier aan den Keizerlijken Gezant te Parijs

van den 29en Juli.#

De berichten omtrent Fransche oorlogstoebereidselen, die bij ons

inkomen, nemen van uur tot uur toe. Ik verzoek U, dit bij de Fransche

regeering ter sprake te brengen en er haar zoo dringend mogelijk op te

wijzen, dat dergelijke maatregelen ons tot beschermende maatregelen

zouden dwingen. Wij zouden het oorlogsgevaar moeten proclameeren

en wanneer ook dit nog niet de oproeping der reserves en nog niet

mobilisatie beduidt, dan zou toch daardoor de spanning verhoogd worden.

Wij hopen voortdurend nog op het behoud van den vrede.

Bijlage 18.

#Telegram van den militairen attaché te St. Petersburg aan Z. M. den

Keizer van den 30en Juli.#

Gisteren zeide mij Prins TRUBETZKI, nadat hij er voor gezorgd had, dat

het telegram van Uwe Majesteit onmiddellijk aan Keizer NICOLAAS werd

ter hand gesteld: „Goddank dat een telegram van Uw Keizer gekomen

is”. Hij zeide mij nu juist, dat het telegram een diepen indruk op den

Keizer gemaakt had, maar, daar de mobilisatie tegen Oostenrijk reeds

was gelast en SASANOW Z. M. wel zou hebben overtuigd, dat het niet

meer mogelijk is terug te wijken, kon Z. M. er helaas niets meer aan

veranderen. Ik zeide hem daarop, dat de vroegtijdige mobiliseering tegen

Oostenrijk-Hongarije, dat toch slechts in een plaatselijken oorlog tegen

Servië gewikkeld was, de schuld droeg aan de onafzienbare gevolgen,

want het antwoord van Duitschland hierop was natuurlijk duidelijk, en

de verantwoordelijkheid hiervoor viel op Rusland, dat de verzekering

van Oostenrijk-Hongarije dat het op geen enkele wijze vermeerdering van

grondgebied in Servië beoogde, heeft genegeerd. Oostenrijk-Hongarije

had tegen Servië en niet tegen Rusland gemobiliseerd en voor het

onmiddellijk ingrijpen van Rusland bestond geen grond. Ik voegde

er verder aan toe, dat men in Duitschland de Russische zegswijze:

„Wij kunnen onze broeders in Servië niet in den steek laten”, na de

verschrikkelijke misdaad van Serajewo niet meer verstond. Ik zeide

hem ten slotte dat hij zich niet behoefde te verwonderen wanneer

Duitschland's krijgsmacht zou worden gemobiliseerd.

Bijlage 19.

#Telegram van den Rijkskanselier aan den Keizerlijken Gezant te Rome van

den 31en Juli 1914.#

Voortdurend hebben wij tusschen Rusland en Oostenrijk-Hongarije

bemiddeld, zoowel door eene directe wisseling van telegrammen tusschen

Z. M. den Keizer en Z. M. den Tsaar alsook door onze houding tegenover

Sir EDWARD GREY. Door de mobiliseering van Rusland is evenwel ons

streven zeer bemoeilijkt, zoo niet onmogelijk gemaakt. Niettegenstaande

zijne geruststellende verzekeringen, neemt Rusland volgens alle

berichten, die bij ons binnenkomen, zoo verregaande maatregelen, ook

tegen ons, dat de toestand steeds dreigender wordt.

Bijlage 20.

#1. Zijne Majesteit aan den Tsaar.#

Het Duitsche Witboek: Documenten aangaande het uitbreken van den oorlog · 第 1 / 6 题