IV.

Het omdwalen van Caddles door Londen liep den tweeden dag in den morgen

plotseling ten einde. Want toen werd zijn honger hem de baas. Hij

bleef aarzelend staan bij een kar waarin warme, lekker riekende brooden

gegooid werden, en toen knielde hij snel neder en begon te rooven. Hij

ledigde de kar terwijl de bakkersknecht de politie ging halen en toen

kwam zijn groote hand den winkel binnen en veegde den toonbank en de

kisten ledig. Toen ging hij met een armvol brooden, al etend heen,

uitziend naar een tweeden winkel om zijn maal voort te zetten.

Toevallig was het een tijd, waarin het werk schaars en het voedsel duur

was, en in dat stadsgedeelte sympathiseerde de menigte zelfs met een

reus, al nam hij ook het voedsel dat zij begeerden. Zij juichten hem

toe toen hij aan het tweede gedeelte van zijn maal begon, en lachten

om zijn domme gebaar tegen den politie-agent.

"Ik had honger", zeide hij, met zijn mond vol.

"Brayvo!" riep de menigte. "Goed soo!"

Toen hij nu aan een derden bakkerswinkel beginnen wilde, werd

hij tegengehouden door een half dozijn politie-agenten die zijne

schenen met wapenstokken bewerkten. "Kijk es hier, reusje, jij gaat

met mij mee", zeide de hoofdagent. "Je mâg zoover niet van huis. En

nou ga je met mijn mee naar huis!" Zij deden hun uiterste best hem te

arresteeren. Men had toen nog geen plan hem te dooden. "Hij heeft niets

met het complot te maken," had Caterham gezegd. "Ik wil mijn handen

niet met onschuldig bloed bezoedelen." En hij voegde erbij:--"vóór

we alles beproefd hebben."

Eerst begreep Caddles niet wat deze attenties te beduiden hadden. Toèn

hij het begreep, zei hij den agenten zich niet als zotten aan te

stellen, en ging er van door met groote passen, en liet hen allen

achter zich. De bakkerswinkels bevonden zich in Harrow Road en hij liep

dwars door Londen naar St. John's Wood en ging daar in een privaten

tuin zitten om zijn tanden te stoken, en hier werd hij zeer spoedig

weder aangevallen door een nieuwen troep agenten.

"La' me met rust, hoor," gromde hij, en liep log door de

tuinen--bedierf verscheidene gazons en trapte een paar schuttingen

omver, terwijl de rappe politie-agentjes hem volgden, enkelen door de

tuinen, anderen langs den weg aan den voorkant der huizen. Er waren

er hier ook een paar met geweren, doch zij maakten er geen gebruik

van. Toen hij in den Edgeware-Road uitkwam, was er een andere stemming

onder de menigte, en een bereden agent reed over zijn voet. Het gevolg

was dat het mannetje omver werd gekijld voor zijn dienstijver.

"La' me met rust," zei Caddles, zich naar de ademlooze menigte

keerend. "Ik heb je niks in den weg gelegd."

Hij was toen ongewapend, want hij had zijn krijthouweel in Regent's

Park achtergelaten. Doch de arme drommel schijnt nu gevoeld

te hebben dat hij een wapen noodig had. Hij liep terug naar het

Goederen-emplacement der Great Western Spoorweg-Maatschappij, rukte den

paal van een groot booglicht uit den grond, die een geweldigen knots in

zijn hand vormde, en schouderde hem. En toen hij bevond dat de politie

hem nog maar steeds bleef nazetten en kwellen, liep hij terug, door den

Edgware Road, naar Cricklewood, en ging droevig gestemd noordwaarts.

Hij zwierf tot bij Waltham en keerde zich toen weder westwaarts, en

zoo weder naar Londen en langs de begraafplaatsen en over den heuvel

bij Highgate. En zoo kwam hij tegen den middag weder in het gezicht

der enorme stad. Hij ging aan den kant van den weg in een tuin zitten

met zijn rug tegen een huis aan, dat op Londen uitzag. Hij was buiten

adem en zijn gelaat stond dreigend, en nu verdrongen de menschen zich

niet langer om hem zooals de eerste maal, toen hij in Londen kwam,

doch loerden naar hem vanuit een tuin daarnaast, en gluurden vanuit

veilige schuilplaatsen. Men wist nu dat de zaak er ernstiger uitzag

dan men eerst gedacht had.

"Waarom kunnen ze me niet met rust laten?" gromde de jonge Caddles. "Ik

moèt eten. Waarom late' ze me niet met rust?"

Hij zat daar met een gezicht, dat steeds donkerder werd, bijtend op

zijn knokkels en op Londen neerziend. Al de vermoeidheid, de kwelling,

de verwarring en de onmachtige woede die hij op zijne zwerftochten

gevoeld had, bereikten nu hun toppunt. "Wat willen ze toch?" fluisterde

hij. "Wat willen ze toch? En ze willen me niet met rust laten." En

telkens herhaalde hij weder bij zich zelven: "wat willen ze toch?"

"Bah, dat kleine volkje!"

Hij beet harder op zijn vingers en zijn gezicht werd nog

dreigender. "Krijt voor hen bikken," fluisterde hij. "En de heele

wereld hoort an ze! Ik heb nergens deel aan--nergens."

Plotseling zag hij met een aanval van weëe woede de hem nu reeds zoo

goed bekende gestalte van een agent schrijlings op den tuinmuur zitten.

"La' me met rust," gromde de reus. "La' me met rust."

"Ik moet m'n plicht doen," zei het agentje, met een bleek, doch

vastbesloten gezicht.

"La' me met rust, hoor! Ik moet net zoo goed leven as jij ook. Ik

moet denken. Ik moet eten. La' me met rust!"

"De wet is eenmaal niet anders," zei het agentje, blijvend waar hij

was. "Wij hebben de wet niet gemaakt."

"Ik ook niet," zei de jonge Caddles. "Jelui kleine menschjes hebben

dat allemaal gemaakt vóór ik geboren werd. Jelui met je wet! Wat ik

mag doen en wat niet! Geen eten voor me of ik moet er voor werken

als een slaaf, geen rust, geen onderkomen, niks, en jij zoudt me

willen vertellen--"

"Daar heb ik allemaal niks mee te maken," zei de agent. "Ik kan

daar niet over praten. 't Eenige wat ik te doen heb, is de wet te

voltrekken." En hij stak zijn tweede been over den muur en scheen

van plan te zijn naar beneden te komen. Achter hem werden nog meer

agenten zichtbaar.

"Denk erom--tegen jou heb ik niks," zei de jonge Caddles, zijn

reusachtige knots omknellend, met bleek gelaat, en een slappen vinger

naar den agent uitstekend. "Tegen jou heb ik niks, maar dit zeg ik je,

je láát me met rust."

De agent trachtte kalm te doen, alsof er niets buitengewoons voorviel,

terwijl hij de reusachtige tragedie toch voor zijne oogen had. "Geef

mij de proclamatie," zei hij tot een ander die onzichtbaar was,

en een klein wit papier werd hem aangegeven.

"La' me met rust," zei Caddles, dreigend naar hem kijkend, en zijn

spieren spanden zich.

"Dit papier wil zooveel zeggen als "ga naar 'uis," zei de agent,

vóór hij begon te lezen. "Ga naar 'uis naar je krijtgroef. En als je

dat niet wil, dan zul je d'r de last van motte drage!"

Caddles gromde iets onverstaanbaars.

En toen de proclamatie hem voorgelezen was, gaf de agent een

teeken. Vier mannen met geweren werden nu zichtbaar en stelden zich

met voorgewende kalmte op langs den muur. Ze droegen den uniform

der ratten-politie. Toen hij de geweren zag, werd de jonge Caddles

plotseling woedend. Hij herinnerde zich de pijnlijke steken die de

geweren der Wreckstone boeren hem veroorzaakt hadden. "Wil je die

op me afschieten?" zei hij, ernaar wijzend, en het leek den agent,

dat hij bang was.

"Als je niet naar je groef terugwilt--"

Het volgend oogenblik had de agent zich laten terugglijden van den

muur en van zestig voet boven hem kwam de electrische-booglamp-paal

neerschieten met doodelijke juistheid. Pang, pang, pang, knalden

de zware geweren, en krak! de versplinterde muur, de grond, en de

ondergrond van den tuin vloog in het rond. Er kwam iets meevliegen

dat roode droppels op de handen van een der schutters achterliet. De

schutters zochten, zich bukkend, een goed heenkomen en keerden zich

dapper om, om nogmaals te vuren. Doch Caddles, die reeds tweemaal

door het lichaam geschoten was, had zich met een ruk omgekeerd om

te zien wie hem zoo ernstig in den rug geraakt had. Pang, pang! Hij

zag huizen en serres en tuinen om zich heen draaien, en menschen die

zich verschrikt van de ramen terugtrokken, alles draaide en wankelde

geheimzinnig en vreeselijk om hem heen. Hij deed drie wankelende

schreden voorwaarts, hief zijn reusachtige knods op, liet hem toen

vallen, en drukte zijn hand tegen de borst. De pijn stak hem en deed

hem ineenkrimpen. Wat was dat, dat daar zoo warm en kleverig op zijn

hand lekte?...

Een man die uit een slaapkamerraam gluurde, zag zijn gezicht, zag hem

neerkijken, met weenende verslagenheid, toen hij het bloed op zijn hand

zag en toen knikten zijne knieën onder hem en hij viel met een smak

ter aarde, de eerste der reuzen-netels die in Caterham's vastbesloten

klauwen terechtkwamen, en de allerlaatste die hij gedacht had dat in

zijn handen zou vallen.

Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam · 第 88 / 103 题