Het omdwalen van Caddles door Londen liep den tweeden dag in den morgen
plotseling ten einde. Want toen werd zijn honger hem de baas. Hij
bleef aarzelend staan bij een kar waarin warme, lekker riekende brooden
gegooid werden, en toen knielde hij snel neder en begon te rooven. Hij
ledigde de kar terwijl de bakkersknecht de politie ging halen en toen
kwam zijn groote hand den winkel binnen en veegde den toonbank en de
kisten ledig. Toen ging hij met een armvol brooden, al etend heen,
uitziend naar een tweeden winkel om zijn maal voort te zetten.
Toevallig was het een tijd, waarin het werk schaars en het voedsel duur
was, en in dat stadsgedeelte sympathiseerde de menigte zelfs met een
reus, al nam hij ook het voedsel dat zij begeerden. Zij juichten hem
toe toen hij aan het tweede gedeelte van zijn maal begon, en lachten
om zijn domme gebaar tegen den politie-agent.
"Ik had honger", zeide hij, met zijn mond vol.
"Brayvo!" riep de menigte. "Goed soo!"
Toen hij nu aan een derden bakkerswinkel beginnen wilde, werd
hij tegengehouden door een half dozijn politie-agenten die zijne
schenen met wapenstokken bewerkten. "Kijk es hier, reusje, jij gaat
met mij mee", zeide de hoofdagent. "Je mâg zoover niet van huis. En
nou ga je met mijn mee naar huis!" Zij deden hun uiterste best hem te
arresteeren. Men had toen nog geen plan hem te dooden. "Hij heeft niets
met het complot te maken," had Caterham gezegd. "Ik wil mijn handen
niet met onschuldig bloed bezoedelen." En hij voegde erbij:--"vóór
we alles beproefd hebben."
Eerst begreep Caddles niet wat deze attenties te beduiden hadden. Toèn
hij het begreep, zei hij den agenten zich niet als zotten aan te
stellen, en ging er van door met groote passen, en liet hen allen
achter zich. De bakkerswinkels bevonden zich in Harrow Road en hij liep
dwars door Londen naar St. John's Wood en ging daar in een privaten
tuin zitten om zijn tanden te stoken, en hier werd hij zeer spoedig
weder aangevallen door een nieuwen troep agenten.
"La' me met rust, hoor," gromde hij, en liep log door de
tuinen--bedierf verscheidene gazons en trapte een paar schuttingen
omver, terwijl de rappe politie-agentjes hem volgden, enkelen door de
tuinen, anderen langs den weg aan den voorkant der huizen. Er waren
er hier ook een paar met geweren, doch zij maakten er geen gebruik
van. Toen hij in den Edgeware-Road uitkwam, was er een andere stemming
onder de menigte, en een bereden agent reed over zijn voet. Het gevolg
was dat het mannetje omver werd gekijld voor zijn dienstijver.
"La' me met rust," zei Caddles, zich naar de ademlooze menigte
keerend. "Ik heb je niks in den weg gelegd."
Hij was toen ongewapend, want hij had zijn krijthouweel in Regent's
Park achtergelaten. Doch de arme drommel schijnt nu gevoeld
te hebben dat hij een wapen noodig had. Hij liep terug naar het
Goederen-emplacement der Great Western Spoorweg-Maatschappij, rukte den
paal van een groot booglicht uit den grond, die een geweldigen knots in
zijn hand vormde, en schouderde hem. En toen hij bevond dat de politie
hem nog maar steeds bleef nazetten en kwellen, liep hij terug, door den
Edgware Road, naar Cricklewood, en ging droevig gestemd noordwaarts.
Hij zwierf tot bij Waltham en keerde zich toen weder westwaarts, en
zoo weder naar Londen en langs de begraafplaatsen en over den heuvel
bij Highgate. En zoo kwam hij tegen den middag weder in het gezicht
der enorme stad. Hij ging aan den kant van den weg in een tuin zitten
met zijn rug tegen een huis aan, dat op Londen uitzag. Hij was buiten
adem en zijn gelaat stond dreigend, en nu verdrongen de menschen zich
niet langer om hem zooals de eerste maal, toen hij in Londen kwam,
doch loerden naar hem vanuit een tuin daarnaast, en gluurden vanuit
veilige schuilplaatsen. Men wist nu dat de zaak er ernstiger uitzag
dan men eerst gedacht had.
"Waarom kunnen ze me niet met rust laten?" gromde de jonge Caddles. "Ik
moèt eten. Waarom late' ze me niet met rust?"
Hij zat daar met een gezicht, dat steeds donkerder werd, bijtend op
zijn knokkels en op Londen neerziend. Al de vermoeidheid, de kwelling,
de verwarring en de onmachtige woede die hij op zijne zwerftochten
gevoeld had, bereikten nu hun toppunt. "Wat willen ze toch?" fluisterde
hij. "Wat willen ze toch? En ze willen me niet met rust laten." En
telkens herhaalde hij weder bij zich zelven: "wat willen ze toch?"
"Bah, dat kleine volkje!"
Hij beet harder op zijn vingers en zijn gezicht werd nog
dreigender. "Krijt voor hen bikken," fluisterde hij. "En de heele
wereld hoort an ze! Ik heb nergens deel aan--nergens."
Plotseling zag hij met een aanval van weëe woede de hem nu reeds zoo
goed bekende gestalte van een agent schrijlings op den tuinmuur zitten.
"La' me met rust," gromde de reus. "La' me met rust."
"Ik moet m'n plicht doen," zei het agentje, met een bleek, doch
vastbesloten gezicht.
"La' me met rust, hoor! Ik moet net zoo goed leven as jij ook. Ik
moet denken. Ik moet eten. La' me met rust!"
"De wet is eenmaal niet anders," zei het agentje, blijvend waar hij
was. "Wij hebben de wet niet gemaakt."
"Ik ook niet," zei de jonge Caddles. "Jelui kleine menschjes hebben
dat allemaal gemaakt vóór ik geboren werd. Jelui met je wet! Wat ik
mag doen en wat niet! Geen eten voor me of ik moet er voor werken
als een slaaf, geen rust, geen onderkomen, niks, en jij zoudt me
willen vertellen--"
"Daar heb ik allemaal niks mee te maken," zei de agent. "Ik kan
daar niet over praten. 't Eenige wat ik te doen heb, is de wet te
voltrekken." En hij stak zijn tweede been over den muur en scheen
van plan te zijn naar beneden te komen. Achter hem werden nog meer
agenten zichtbaar.
"Denk erom--tegen jou heb ik niks," zei de jonge Caddles, zijn
reusachtige knots omknellend, met bleek gelaat, en een slappen vinger
naar den agent uitstekend. "Tegen jou heb ik niks, maar dit zeg ik je,
je láát me met rust."
De agent trachtte kalm te doen, alsof er niets buitengewoons voorviel,
terwijl hij de reusachtige tragedie toch voor zijne oogen had. "Geef
mij de proclamatie," zei hij tot een ander die onzichtbaar was,
en een klein wit papier werd hem aangegeven.
"La' me met rust," zei Caddles, dreigend naar hem kijkend, en zijn
spieren spanden zich.
"Dit papier wil zooveel zeggen als "ga naar 'uis," zei de agent,
vóór hij begon te lezen. "Ga naar 'uis naar je krijtgroef. En als je
dat niet wil, dan zul je d'r de last van motte drage!"
Caddles gromde iets onverstaanbaars.
En toen de proclamatie hem voorgelezen was, gaf de agent een
teeken. Vier mannen met geweren werden nu zichtbaar en stelden zich
met voorgewende kalmte op langs den muur. Ze droegen den uniform
der ratten-politie. Toen hij de geweren zag, werd de jonge Caddles
plotseling woedend. Hij herinnerde zich de pijnlijke steken die de
geweren der Wreckstone boeren hem veroorzaakt hadden. "Wil je die
op me afschieten?" zei hij, ernaar wijzend, en het leek den agent,
dat hij bang was.
"Als je niet naar je groef terugwilt--"
Het volgend oogenblik had de agent zich laten terugglijden van den
muur en van zestig voet boven hem kwam de electrische-booglamp-paal
neerschieten met doodelijke juistheid. Pang, pang, pang, knalden
de zware geweren, en krak! de versplinterde muur, de grond, en de
ondergrond van den tuin vloog in het rond. Er kwam iets meevliegen
dat roode droppels op de handen van een der schutters achterliet. De
schutters zochten, zich bukkend, een goed heenkomen en keerden zich
dapper om, om nogmaals te vuren. Doch Caddles, die reeds tweemaal
door het lichaam geschoten was, had zich met een ruk omgekeerd om
te zien wie hem zoo ernstig in den rug geraakt had. Pang, pang! Hij
zag huizen en serres en tuinen om zich heen draaien, en menschen die
zich verschrikt van de ramen terugtrokken, alles draaide en wankelde
geheimzinnig en vreeselijk om hem heen. Hij deed drie wankelende
schreden voorwaarts, hief zijn reusachtige knods op, liet hem toen
vallen, en drukte zijn hand tegen de borst. De pijn stak hem en deed
hem ineenkrimpen. Wat was dat, dat daar zoo warm en kleverig op zijn
hand lekte?...
Een man die uit een slaapkamerraam gluurde, zag zijn gezicht, zag hem
neerkijken, met weenende verslagenheid, toen hij het bloed op zijn hand
zag en toen knikten zijne knieën onder hem en hij viel met een smak
ter aarde, de eerste der reuzen-netels die in Caterham's vastbesloten
klauwen terechtkwamen, en de allerlaatste die hij gedacht had dat in
zijn handen zou vallen.