Hij was ook bezig met denken vier jaren later, toen de dominé, nu niet
langer rijp, doch òverrijp, hem voor de laatste maal zag. Ge kunt u den
ouden heer wel voorstellen, voor het uiterlijke een weinig ouder nu,
minder zwaarlijvig, een beetje grover, en wat zwakker van gedachten
en in zijn spraak, met een zekere beverigheid in zijne hand en een
zekere beverigheid in zijne overtuigingen, doch met een nog helder en
blijmoedig oog, niettegenstaande al wat "het Voedsel" in het dorp en in
hemzelf gewrocht had. Soms was hij verontrust en beangst geworden; doch
was hij nog niet in leven en dezelfde? en vijftien lange jaren--een
heel brokje eeuwigheid--hadden de bezoeking in nut doen verkeeren.
"Ik geef toe, dat het een heele omkeer was," placht hij te zeggen,
"en de dingen zijn werkelijk anders geworden--anders in vele
opzichten. Vroeger kon een jòngen wieden, doch nu gaat een màn het veld
in met bijl en breekijzer--tenminste, dit is noodig op sommige plaatsen
bij het kreupelhout. En het is ons ouderwetsche menschen nòg altijd
een beetje vreemd, te zien, dat, waar vroeger de rivierbedding was,
vóór zij aan het irrigeeren gingen, nu koren van vijf en twintig voet
groeit--zooals dit jaar het geval is--. Men gebruikte de ouderwetsche
zeis hier twintig jaar geleden en dan bracht men den oogst op
een wagen thuis--en men verheugde zich--kalm en fatsoenlijk. Een
beetje dronken, niet al te erg, zeker, een beetje eerbaar gevrij,
waarmede het Oogstfeest eindigde... Arme Lady Wondershoot--zij kon
niet tegen al deze veranderingen. Erg conservatief! Had nog een tikje
van de achttiende eeuw in zich, placht ik altijd te zeggen. Haar taal
bijvoorbeeld... opgeblazen in haar trots...
"Zij stierf betrekkelijk arm. Dat groote onkruid raakte ook in háár
tuin. Zij was niet een van die vrouwen die aan tuinieren doen, doch
zij zag haar tuin graag netjes--dat de dingen groeiden wáár ze geplant
werden, en zooàls ze geplant werden--onder toezicht... De wijze waarop
de dingen begonnen te groeien was heelemaal niet wat zij wenschte--en
bracht een algeheele omwenteling in hare denkbeelden teweeg. Zij hield
niet van de voortdurende invallen van dit jonge monster--ten laatste
begon zij zich te verbeelden dat hij voortdurend haar stond aan te
gapen over haar eigen muur... Zij vond het naar, dat hij bijna zoo
lang was als haar huis hoog... Haar aesthetisch gevoel kwam hiertegen
in opstand. Arme goeie dame! Ik had zoo gehoopt dat zij niet vóór mij
was heengegaan. Het waren de groote meikevers die hier een jaar of
zoo waren, die haar deden besluiten naar het buitenland te gaan. Die
meikevers kwamen van de reuzen-larven--leelijke dingen zoo groot als
ratten--in de grasgrond van de vallei... En ook de mieren droegen er
ongetwijfeld het hunne toe bij.
"Daar nu toch alles onderstboven gekeerd was en er nergens rust
en vrede te vinden waren, zei zij dat zij feitelijk even goed naar
Monte Carlo kon verhuizen als ergens anders heen. En daar ging zij
dan ook heen.
"Ik heb hooren zeggen dat ze tamelijk hoog speelde en stierf in
een hotel daar. Treurig einde... Bannelinge... Niet--niet wat men
behoorlijk acht... Door geboorte een leidster van ons Engelsch
volk... Ontworteld. Ja ja!
"En toch," ging de dominé voort, "heeft het feitelijk niet zooveel te
beteekenen. 't Is natuurlijk wel een last. De kinderen kunnen niet
zoo vrij meer rondloopen als vroeger, uit vrees voor mierenbeten
en andere dingen. Maar misschien is dàt nog wel zoo goed... Er
werd over gepraat--alsof dit goedje in alles een omwenteling zou
teweegbrengen... Doch er is iets dat al deze krachten van het
Nieuwe wederstaat... Natuurlijk ik weet daar niet van. Ik behoor
niet tot de moderne filosofen,--die alles met aether en atomen
verklaren. Evolutie. Stel je voor, dergelijke nonsens. Wat ik bedoel
is iets dat de Ologiën niet bevatten. Quaestie van verstand, niet van
begrip. Rijpe wijsheid. De menschelijke natuur. Aere perennius... Noem
het wat ge wilt."
En zoo liep alles eindelijk met hem op een eind.
De predikant had geen voorgevoel van wat hem boven het hoofd hing. Hij
deed zijn gewone wandeling langs Farthing Doron, zooals hij dit meer
dan twintig jaren lang gedaan had, en zóó naar de plaats waar hij
den jongen Caddles kon gadeslaan. Hij was een beetje buiten adem
toen hij boven op de helling van de krijt-groeve aankwam--sedert
lang had hij den Veerkrachtigen Christen-tred van vroeger jaren
verloren; doch Caddles was niet aan zijn werk, en toen, terwijl hij
heenliep om het kreupelboschje van reuzenbrem dat den Hanger begon te
verduisteren en er zijn schaduw op wierp, stond hij plotseling voor de
reuzengestalte van het monster, dat op den heuvel zat--alsof het op de
aarde zat te broeden. Caddles' knieën waren opgetrokken, hij steunde
den wang met zijn hand, en hield het hoofd een weinig op zijde. Hij
zat met zijn schouder naar den Dominé gewend, zoodat de oogen, die,
als niet begrijpend, rondstaarden, niet zichtbaar waren. Hij moet
zeer ingespannen hebben zitten werken--hij zat tenminste heel stil...
Hij wendde zich niet om en wist niet dat de dominé, die zulk een
groote rol gespeeld had in het vormen van zijn bestaan, naar hem
stond te kijken voor het laatst voor langen, langen tijd--wist zelfs
niet dat hij daar stond (op deze wijze hebben zoovele scheidingen
plaats.) Het kwam in het brein van den dominé op, dat bij slot van
rekening niemand ter wereld een vaag begrip had van wat dit monster
bepeinsde als hij uitrustte van zijn arbeid. Doch hij was te traag
om dit nieuwe thema dien dag verder uit te werken; hij liet het weder
varen en verviel weder in zijn vroegeren gedachtengang.
"Aere perennius," fluisterde hij, langzaam huiswaarts wandelend
langs een pad, dat niet langer zooals vroeger recht over den met
gras bedekten grond liep, doch in allerlei bochten kronkelde om
nieuwe opgeschoten bosjes reuzengras te vermijden. "Neen! Er is niets
veranderd. Afmetingen zeggen niets. De simpele rondgang, de weg van
altijd." En dien nacht, zonder eenige pijn, en zonder dat hij het
zelf wist, ging ook hij den gewonen weg--en verliet dit Mysterie van
Verandering dat hij gedurende zijn leven staag geloochend had.
Men begroef hem op het kerkhof van Cheasing Eyebright, dicht bij
den hoogsten iep, en de eenvoudige grafsteen, die zijn grafschrift
droeg--het eindigde met: Ut in Principio, nunc est et semper,--werd
bijna onmiddellijk aan het oog onttrokken door het opschieten van
reusachtig, grijs-gepluimd gras, dat te dik en te grof was voor zeis
en schapen, en dat zich als een mist over het dorp kwam storten uit
de aan kiemen rijke vochtige vallei-weiden, waarin het Voedsel der
Goden gewerkt had.