V.

Hij was ook bezig met denken vier jaren later, toen de dominé, nu niet

langer rijp, doch òverrijp, hem voor de laatste maal zag. Ge kunt u den

ouden heer wel voorstellen, voor het uiterlijke een weinig ouder nu,

minder zwaarlijvig, een beetje grover, en wat zwakker van gedachten

en in zijn spraak, met een zekere beverigheid in zijne hand en een

zekere beverigheid in zijne overtuigingen, doch met een nog helder en

blijmoedig oog, niettegenstaande al wat "het Voedsel" in het dorp en in

hemzelf gewrocht had. Soms was hij verontrust en beangst geworden; doch

was hij nog niet in leven en dezelfde? en vijftien lange jaren--een

heel brokje eeuwigheid--hadden de bezoeking in nut doen verkeeren.

"Ik geef toe, dat het een heele omkeer was," placht hij te zeggen,

"en de dingen zijn werkelijk anders geworden--anders in vele

opzichten. Vroeger kon een jòngen wieden, doch nu gaat een màn het veld

in met bijl en breekijzer--tenminste, dit is noodig op sommige plaatsen

bij het kreupelhout. En het is ons ouderwetsche menschen nòg altijd

een beetje vreemd, te zien, dat, waar vroeger de rivierbedding was,

vóór zij aan het irrigeeren gingen, nu koren van vijf en twintig voet

groeit--zooals dit jaar het geval is--. Men gebruikte de ouderwetsche

zeis hier twintig jaar geleden en dan bracht men den oogst op

een wagen thuis--en men verheugde zich--kalm en fatsoenlijk. Een

beetje dronken, niet al te erg, zeker, een beetje eerbaar gevrij,

waarmede het Oogstfeest eindigde... Arme Lady Wondershoot--zij kon

niet tegen al deze veranderingen. Erg conservatief! Had nog een tikje

van de achttiende eeuw in zich, placht ik altijd te zeggen. Haar taal

bijvoorbeeld... opgeblazen in haar trots...

"Zij stierf betrekkelijk arm. Dat groote onkruid raakte ook in háár

tuin. Zij was niet een van die vrouwen die aan tuinieren doen, doch

zij zag haar tuin graag netjes--dat de dingen groeiden wáár ze geplant

werden, en zooàls ze geplant werden--onder toezicht... De wijze waarop

de dingen begonnen te groeien was heelemaal niet wat zij wenschte--en

bracht een algeheele omwenteling in hare denkbeelden teweeg. Zij hield

niet van de voortdurende invallen van dit jonge monster--ten laatste

begon zij zich te verbeelden dat hij voortdurend haar stond aan te

gapen over haar eigen muur... Zij vond het naar, dat hij bijna zoo

lang was als haar huis hoog... Haar aesthetisch gevoel kwam hiertegen

in opstand. Arme goeie dame! Ik had zoo gehoopt dat zij niet vóór mij

was heengegaan. Het waren de groote meikevers die hier een jaar of

zoo waren, die haar deden besluiten naar het buitenland te gaan. Die

meikevers kwamen van de reuzen-larven--leelijke dingen zoo groot als

ratten--in de grasgrond van de vallei... En ook de mieren droegen er

ongetwijfeld het hunne toe bij.

"Daar nu toch alles onderstboven gekeerd was en er nergens rust

en vrede te vinden waren, zei zij dat zij feitelijk even goed naar

Monte Carlo kon verhuizen als ergens anders heen. En daar ging zij

dan ook heen.

"Ik heb hooren zeggen dat ze tamelijk hoog speelde en stierf in

een hotel daar. Treurig einde... Bannelinge... Niet--niet wat men

behoorlijk acht... Door geboorte een leidster van ons Engelsch

volk... Ontworteld. Ja ja!

"En toch," ging de dominé voort, "heeft het feitelijk niet zooveel te

beteekenen. 't Is natuurlijk wel een last. De kinderen kunnen niet

zoo vrij meer rondloopen als vroeger, uit vrees voor mierenbeten

en andere dingen. Maar misschien is dàt nog wel zoo goed... Er

werd over gepraat--alsof dit goedje in alles een omwenteling zou

teweegbrengen... Doch er is iets dat al deze krachten van het

Nieuwe wederstaat... Natuurlijk ik weet daar niet van. Ik behoor

niet tot de moderne filosofen,--die alles met aether en atomen

verklaren. Evolutie. Stel je voor, dergelijke nonsens. Wat ik bedoel

is iets dat de Ologiën niet bevatten. Quaestie van verstand, niet van

begrip. Rijpe wijsheid. De menschelijke natuur. Aere perennius... Noem

het wat ge wilt."

En zoo liep alles eindelijk met hem op een eind.

De predikant had geen voorgevoel van wat hem boven het hoofd hing. Hij

deed zijn gewone wandeling langs Farthing Doron, zooals hij dit meer

dan twintig jaren lang gedaan had, en zóó naar de plaats waar hij

den jongen Caddles kon gadeslaan. Hij was een beetje buiten adem

toen hij boven op de helling van de krijt-groeve aankwam--sedert

lang had hij den Veerkrachtigen Christen-tred van vroeger jaren

verloren; doch Caddles was niet aan zijn werk, en toen, terwijl hij

heenliep om het kreupelboschje van reuzenbrem dat den Hanger begon te

verduisteren en er zijn schaduw op wierp, stond hij plotseling voor de

reuzengestalte van het monster, dat op den heuvel zat--alsof het op de

aarde zat te broeden. Caddles' knieën waren opgetrokken, hij steunde

den wang met zijn hand, en hield het hoofd een weinig op zijde. Hij

zat met zijn schouder naar den Dominé gewend, zoodat de oogen, die,

als niet begrijpend, rondstaarden, niet zichtbaar waren. Hij moet

zeer ingespannen hebben zitten werken--hij zat tenminste heel stil...

Hij wendde zich niet om en wist niet dat de dominé, die zulk een

groote rol gespeeld had in het vormen van zijn bestaan, naar hem

stond te kijken voor het laatst voor langen, langen tijd--wist zelfs

niet dat hij daar stond (op deze wijze hebben zoovele scheidingen

plaats.) Het kwam in het brein van den dominé op, dat bij slot van

rekening niemand ter wereld een vaag begrip had van wat dit monster

bepeinsde als hij uitrustte van zijn arbeid. Doch hij was te traag

om dit nieuwe thema dien dag verder uit te werken; hij liet het weder

varen en verviel weder in zijn vroegeren gedachtengang.

"Aere perennius," fluisterde hij, langzaam huiswaarts wandelend

langs een pad, dat niet langer zooals vroeger recht over den met

gras bedekten grond liep, doch in allerlei bochten kronkelde om

nieuwe opgeschoten bosjes reuzengras te vermijden. "Neen! Er is niets

veranderd. Afmetingen zeggen niets. De simpele rondgang, de weg van

altijd." En dien nacht, zonder eenige pijn, en zonder dat hij het

zelf wist, ging ook hij den gewonen weg--en verliet dit Mysterie van

Verandering dat hij gedurende zijn leven staag geloochend had.

Men begroef hem op het kerkhof van Cheasing Eyebright, dicht bij

den hoogsten iep, en de eenvoudige grafsteen, die zijn grafschrift

droeg--het eindigde met: Ut in Principio, nunc est et semper,--werd

bijna onmiddellijk aan het oog onttrokken door het opschieten van

reusachtig, grijs-gepluimd gras, dat te dik en te grof was voor zeis

en schapen, en dat zich als een mist over het dorp kwam storten uit

de aan kiemen rijke vochtige vallei-weiden, waarin het Voedsel der

Goden gewerkt had.

Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam · 第 62 / 103 题