I.

"Het reuzenkind was leelijk"--hield de dominé vol. "Het was altijd

leelijk geweest, zooals alle buitensporige dingen dit uit den aard der

zaak moèsten zijn." De overtuiging van den dominé stond zijn onbevangen

oordeel in den weg. Zelfs in deze landelijke afzondering werden

er heel wat kiekjes genomen van het kind en hun onbevooroordeelde

getuigenis staat lijnrecht tegenover de verklaring van den dominé,

daar zij uitwijzen dat het jonge monster eerst bijna knap was, met

een overvloedigen krullekop met haar, dat tot op zijn voorhoofd viel,

en dat het altijd klaar was om te glimlachen. Op de meesten dezer

kiekjes staat Caddles, die tenger gebouwd was, achter het kind,

aldus zijne betrekkelijke kleinheid nog meer latende uitkomen.

Na het tweede jaar werd de knapheid van het kind meer betwistbaar. Hij

begon, zooals zijn ongelukkige grootvader het zéker zoude uitgedrukt

hebben "geil" op te groeien. Hij verloor zijn kleur, begon er bij

al zijn kolossaalheid, toch maar smalletjes uit te zien. Hij was

erg tenger. Zijn oogen en iets in zijn gezicht werden fijner, en

werden, zooals men het uitdrukte, "interessant." Nadat zijn haar

eenmaal geknipt was, begon het één warbos te worden. "Dat is de

degeneratie die in hem zit," zei de dokter, die dit alles gadesloeg,

doch in hoever hij hierin gelijk had, en in hoever het achteruitgaan

van de gezondheid van het kind te wijten was aan het voortdurend

verblijf houden in een schuur met gewitte wanden, en levend van Lady

Wondershoot's liefdadigheid, die nog getemperd werd door een gevoel

van rechtvaardigheid, blijft een onuitgemaakte zaak. De kiekjes

die er van hem genomen werden, van zijn derde tot zijn zesde jaar,

wijzen uit dat hij zich aan het ontwikkelen was tot een rond-oogigen,

vlasharigen jongen met een dopneus en een niet onvriendelijk starenden

blik. Er zweeft om zijne lippen die nooit ver-verwijderde belofte van

een glimlach, die op al de foto's van de jonge reuzenkinderen is weer

te vinden. In den zomer draagt hij losse kleederen van tijk, die aan

elkaar genaaid zijn met touw; doorgaans heeft hij op zijn hoofd een

van die strooien manden die werklieden voor hun gereedschap gebruiken,

en hij is blootsvoets. Op één opname grinnikt hij met breeden mond

en houdt hij een afgeknabbelden citroen in de hand.

De foto's die in den winter van hem genomen werden zijn minder talrijk

en minder goed gelukt. Hij draagt reusachtige klompen--natuurlijk van

beukenhout en (zooals brokstukken van de inscriptie "John Stickells,

Iping" uitwijzen) zakken als sokken, en zijn broek en jas zijn

onmiskenbaar gesneden uit het overblijfsel van een carpet met een

vrolijk patroon. Daaronder bevonden zich grove flanellen luren; vijf

of zes el flanel zijn als een bouffante om zijn hals gebonden. Het

ding op zijn hoofd is waarschijnlijk eveneens een zak. Hij staart,

soms lachend, soms een beetje treurig naar de camera. Zelfs toen hij

pas vijf jaar oud was, kon men die half grillige rimpels boven zijn

zachte bruine oogen opmerken, die zijn gelaat kenteekenden.

Zooals de dominé tenminste van het begin af beweerde, was hij een

schrikkelijke last voor het dorp. Hij schijnt een aan zijn grootte

geëvenredigden lust om te spelen gehad te hebben. Hij schijnt bovendien

erg nieuwsgierig en erg op gezelschap gesteld geweest te zijn, en

dan nog had hij een zeker verlangen--het spijt mij dat ik het zeggen

moet--naar meer voedsel.

Niettegenstaande wat juffrouw Greenfield een "buitengewoon" ruim

rantsoen noemde, en dat hem door Lady Wondershoot verstrekt werd,

gaf hij toch blijk van wat de dokter onmiddellijk herkende als

de "Crimineele Honger." Het bewees slechts al te duidelijk Lady

Wondershoot's zwartgalligste ondervindingen van de lagere klassen--dat,

niettegenstaande een rantsoen, dat het maximum van een volwassene ver

overtrof, men het kind toch betrapte op diefstal. En wat hij stal,

at hij op met een onbevallige gulzigheid. Zijn groote hand placht

plotseling over tuinmuren te verschijnen; zelfs hunkerde hij naar het

brood in de bakkerskarren. Kazen verdwenen van Marlew's voorraadzolder

en geen varkenstrog was veilig voor hem. Als de een of andere boer eens

door zijn koolrapenveld liep, zag hij dikwijls het spoor zijner enorme

voeten, en het bewijs van zijn knagenden honger--hier en daar was een

raap uitgetrokken, en de hierdoor ontstane gaten had hij dan weder,

met kinderlijken list, onbeholpen dichtgemaakt. Hij at een koolraap

zooals men een radijs eet. Hij stond de appels van een boom te eten

als er niemand in de buurt was, zooals gewone kinderen bramen van

een struik plukken. In één opzicht was dit gebrek aan voldoende

proviand tenminste heilzaam voor den goeden vrede te Cheasing

Eyebright--want vele jaren lang at hij ieder kruimpje op van het

Voedsel der Goden dat hem gegeven werd... Ontegenzeggelijk was het

kind lastig en niet op zijn plaats. "Hij slenterde altijd rond,"

placht de dominé te zeggen. Hij kon geen school bezoeken; hij kon

evenmin ter kerk gaan, om reden van den beperkten kubieken inhoud

ervan. Er werd een poging gedaan om te voldoen aan den geest van die

"allerdwaaste en onheil-stichtende" wet--ik herhaal wat de dominé

zei--de Wet op het Lager Onderwijs van 1870, door hem buiten het open

schoolraam te doen plaatsnemen, terwijl er binnen onderwezen werd. Doch

zijne tegenwoordigheid ondermijnde de discipline der school, daar de

kinderen voortdurend opstonden en naar hem gluurden, en telkens als

hij wat zei, lachten zij in koor. Zijn stem was zoo vreemd! En aldus

lieten zij hem maar niet weder komen.

Ook werd er niet verder bij hem aangedrongen naar de kerk te gaan,

want zijn kolossale afmetingen droegen er niet toe bij, om de

algemeene aandacht te bevorderen. En toch konden zij op dit punt

een lichter taak gehad hebben; want er is alle reden te vermoeden

dat er ergens in dat groote lichaam kiemen van godsdienstig gevoel

huisden. Misschien ook dat de muziek hem aantrok. Zoo kon men hem

Zondagsmorgens vaak opmerken op het kerkhof, voorzichtig tusschen

de graven doorloopend, nadat de gemeente de kerk binnengegaan was,

en hij zat daar dan zoolang de dienst duurde bij de groote deur,

en luisterde toe, zooals men luistert naar het geluid in een bijenkorf.

In het begin toonde hij een zeker gebrek aan tact; de menschen in de

kerk plachten zijn voeten rusteloos om het gebouw te hooren kraken,

of zagen zijn gezicht door de verweerde ruiten naar binnen gluren, half

nieuwsgierig, half afgunstig, en soms trof hem plotseling een eenvoudig

gezang en brulde hij met sombere stem mede, in een reuzen-poging om in

te stemmen. Waarop de kleine Sloppet, die orgeltrapper, banksluiter,

koster en bode en klokkenluider op Zondag was, benevens postbode

en schoorsteenveger in de week, heel dapper en flink naar buiten

placht te gaan en hem, het kind, met hangend hoofd wegzond. Het doet

me genoegen te kunnen zeggen dat Sloppet het,--in de oogenblikken

dat hij er ernstiger over nadacht--voelde. "Het was net als dat je

'n hond naar huis stuurde als je ging wandelen," vertelde hij mij.

Doch de verstandelijke en moreele opvoeding van den jongen Caddles,

al ging ze ook bij stukjes en beetjes, liet niets aan duidelijkheid

te wenschen over. Van het begin af aan, spanden dominé, moeder en de

geheele wereld samen om hem duidelijk te maken dat zijn reuzenkracht

nièt was om te gebruiken. Het was een ongeluk dat hij maar zoo goed

mogelijk moest zien te dragen. Hij moest ter harte nemen wat hem gezegd

werd, en doen wat hem bevolen werd, oppassen nooit iets te breken of

iemand pijn te doen. Vooral moest hij oppassen nergens op te trappen

of tegen dingen aan te loopen of in het rond te springen. Hij moest

de groote lui beleefd groeten en dankbaar zijn voor het voedsel en

de kleeren, die er voor hem van hunne rijkdommen overschoten. En hij

leerde al deze dingen onderworpen, daar hij van aard en uit gewoonte

een leerzaam kind was, en slechts door zijn voedsel en bij toeval,

een reus.

In die dagen bleek hij den diepsten eerbied voor Lady Wondershoot

te hebben. Zij vond dat zij het beste tegen hem kon spreken als

zij korte rokken aan en haar hondenzweep bij zich had, en hiermede

gesticuleerde zij en deed altijd een beetje minachtend en praatte erg

luid. Doch soms speelde de dominé den baas--een kleinen, buiten adem

zijnden David van middelbaren leeftijd, die berispingen en verwijten

en bevelen slingerde naar een kinderlijken Goliath. Het monster was

nu zoo groot, dat niemand er zich rekenschap van scheen te kunnen

geven dat het bij slot van rekening nog slechts een kind van zeven

jaar was, met het verlangen van een kind om aangehaald te worden,

en om zich te vermaken en nieuwe ondervinding op te doen, met al het

verlangen van een kind naar wederliefde, aandacht en genegenheid,

en met al de in een kind schuilende geschiktheid tot afhankelijkheid

en oneindige verveling en ellende.

Als de dominé zoo 's morgens in den zonneschijn den dorpsweg

afwandelde, placht hij een lompen achttien voet van het Onverklaarbare

te ontmoeten, die voor hem even fantastisch en onaangenaam was als een

nieuwe vorm van afscheiding der kerk, zooals het daar onregelmatig

heenliep met uitgestrekten hals, voortdurend zoekend naar de twee

dingen die een kind het meeste noodig heeft--iets te eten en iets om

mee te spelen.

Als het den dominé zag, kwam er een blik van heimelijken eerbied in

de oogen van het wezen, en het probeerde aan de verwarde voorlok te

tikken bij wijze van groet.

Op bescheiden schaal bezat de dominé werkelijk

verbeeldingskracht--tenminste het overblijfsel ervan--en tegenover

den jongen Caddles nam zij den vorm aan van het berekenen der

reusachtige mogelijkheden van persoonlijk geweld die er lagen in

zulke enorme spieren. Veronderstel bijvoorbeeld een plotselinge

krankzinnigheid--! Veronderstel een momenteel verliezen van

respect--! Doch de werkelijk dappere man is niet hij die geen vrees

voelt, doch hij die haar overwint. En telkens weder gelukte het den

dominé de vlucht zijner verbeelding te bedwingen. En steeds sprak

hij den jongen Caddles aan met een helderen preektenor.

"Pas je nog altijd goed op, Albert Edward?"

En terwijl de jonge reus dichter bij den muur ging staan en diep

kleurde, placht hij te antwoorden "ja meneer--zooveel as 'k kan."

"Ja, pas maar goed op," zei de dominé dan, en ging hem voorbij met

hoogstens een kleine versnelling van zijn adem. En uit eerbied voor

zijn manlijkheid maakte hij het zich tot regel, om, wat hij zich ook

in het hoofd mocht halen, nooit om te kijken naar het gevaar als hij

het eenmaal voorbij was.

Zoo nu en dan onderrichtte de dominé den jongen Caddles zelf. Hij

leerde het monster nooit lezen--dat was niet noodig; doch hij leerde

hem de meer gewichtige punten van den Catechismus--zijn plicht jegens

zijn naaste bijvoorbeeld en ook sprak hij hem over die godheid,

die Caddles zoude straffen met de uiterste gestrengheid als hij het

ooit waagde den dominé of Lady Wondershoot ongehoorzaam te zijn. Deze

lessen werden gegeven op de plaats van den dominé, en de voorbijgangers

plachten die zware vlugge kinderlijke stem de leeringen der Gevestigde

Kerk te hooren opdreunen.

"Den koning en allen die macht 'ebben onder 'em te

ge'oorzamen. Onderworpen te zijn aan al m'n leermeesters, geestelijke

'erders en meesters. En ootmoedig te zijn jegens allen die over mij

gesteld zijn--"

Weldra bleek het, dat de indruk dien de jonge reus op paarden, die niet

aan hem gewoon waren, maakte, dezelfde was als de schrik die een kameel

hen inboezemde, en hij kreeg bevel niet meer op den heirweg te komen,

niet alleen niet meer in de buurt van het kreupelhout, (waar zijn domme

lach die over den muur klonk, de barones buitengewoon gehinderd had)

doch nèrgens meer. Hij gehoorzaamde deze wet nooit volkomen, daar

de heirweg hem àl te veel belangstelling inboezemde. Doch zijn gang

naar de plaats waar hij vroeger geregeld kwam, werd een hèimelijk

genoegen. Zijn tochten waren ten laatste bijna geheel tot de oude

weide en de heuvels beperkt.

Ik weet werkelijk niet wat hij had moeten beginnen als de heuvels

er niet geweest waren. Dààr waren ruimten waar hij mijlen ver kon

loopen, en dit deed hij dan ook. Hij brak takken van de boomen en

maakte onzinnige groote bouquetten tot het hem verboden werd, hij

nam de schapen op en zette ze netjes op rijen, waar ze onmiddellijk

weer uitliepen, (en altijd lachte hij hier hartelijk om) totdat het

hem verboden werd, hij groef den bovengrond weg en maakte in zijn

baldadigheid groote gaten, totdat ook dit hem verboden werd...

Hij placht over de heuvelen te dwalen, zelfs wel tot den heuvel

achter Wreckstone, doch niet verder, omdat hij daar aan bebouwd land

kwam en omdat de lieden, door de verwoestingen die hij aanrichtte

onder hunne wortelvelden, en bovendien aangemoedigd door een soort

vijandelijke blooheid die zijn ongekamd voorkomen dikwijls verwekte,

steeds op hem afkwamen met blaffende honden om hem te verjagen. Zij

dreigden hem en sloegen op hem los met karrezweepen. Ik heb hooren

zeggen dat ze soms zelfs op hem schoten met hagel. En den anderen

kant uit dwaalde hij tot onder Hickleybrow. Als hij op den heuvel

achter Thursley Hauzer stond, kon hij nog juist de London- Chatam-

en Dover-lijn zien, doch bebouwde velden en een verdacht gehucht

hielden hem terug van elke poging naderbij te komen.

En na eenigen tijd verschenen er waarschuwingsborden--groote borden

met roode letters, die hem in iedere richting den weg versperden. Hij

kon niet lezen wat de letters voorstelden: "Verboden terrein," doch

weldra begreep hij het. Spoorwegreizigers zagen hem in die dagen

dikwijls zitten met zijn kin op de knieën, tegen het duin aan, dicht

bij de kalkmijnen van Thursley, waar hij later aan het werk gezet

werd. De trein scheen vage vriendschappelijke gevoelens in hem te

wekken, en soms wuifde hij naar het gevaarte met een enorme hand,

en soms riep hij het in zijn boersch dialect een groet toe.

"Kolossaal," zei de passagier dan. "Dat is een van de

Bomvoedsel-kinderen. Ze zeggen, meneer, dat hij absoluut niet voor

zichzelven kan zorgen--feitelijk niet veel meer dan een idioot,

en een groote last voor de plaats waar hij woont."

"Ouders erg arm, hoor ik."

"Leeft van de liefdadigheid van de plaatselijke deftige lui."

En iedereen keek dan, alsof ze 't volkomen begrepen, naar die in de

verte neerhurkende monsterachtige gestalte.

"Daar moest feitelijk een stokje voor gestoken worden," opperde dan

de een of andere verruimde geest. "Stel je voor als je d'r zoo es

een paar duizend in den kost had, he?"

En doorgaans was er wel één onder de passagiers die wijs genoeg was

dezen filosoof te antwoorden met zijn gansche hart: "ja, dan zou je

wat zien, meneer."

Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam · 第 57 / 103 题