Toen de ongelukkige Skinner dien avond te Urshot uit den Zuid-Ooster
trein stapte, was het bijna schemer. De trein was laat--doch niet
buitensporig laat--wat meneer Skinner dan ook tegen den stationschef
opmerkte. Misschien zag hij het oog van den chef veelbeteekenend
schitteren. Na een zeer korte aarzeling en met een vertrouwelijk
handgebaar naar den kant van zijn mond vroeg hij of er dien dag ook
"iets" gebeurd was.
"Wat bedòel je?" zei de chef, een man met een harde nadrukkelijke stem.
"Met die wethpen en dat tuig."
"We hebbe niet veel tijd gehad om aan wespe te denke," zei de chef
vriendelijk. "We zijn veels te druk geweest met je pesterige kippen,"
en hij deelde hem mede wat er met de kuikens gebeurd was.
"Je hebt toch nikth ge'oord van juffrouw Thkinner?" vroeg Skinner,
tusschen dien stortvloed van kernachtige woorden en aanmerkingen
door...
"Ben je nou heelemaal!" zeide de chef--alsof zelfs hij de grens trok
op het gebied van dingen-weten.
"Dan moet 'k er toch eth naar gaan onderthoeke," zeide meneer Skinner,
zich zijdelings verwijderend buiten schot voor de algemeene opmerkingen
over de verantwoordelijkheid, die iemand op zich nam door kippen te
zwaar te voeden, waarmede de chef besloot...
Toen hij Urshot doorkwam werd hij aangeroepen door een kalkbrander
uit de groeven in de buurt van Hankey, die hem vroeg of hij naar zijn
kippen zocht.
"Je hebt bijgeval toch niksth gehoord van m'n vrouw?" vroeg hij.
De kalkbrander--wàt hij precies zeide gaat ons niet aan--gaf te kennen
dat hij méér belang stelde in kippen....
Het was reeds donker--zoo donker als een nacht in de maand Juni
in Engeland tenminste zijn kan--toen Skinner--of zijn hoofd liever
gezegd--om de deur van "de Vroolijke Drijvers" kwam kijken, en zeide:
"Ello! je 'ebt toch nikth ge'oord van die gesthchiedenith met mijn
kippe, hè?"
"Zoo!" zeide Fulcher. "Nou, een gedeelte van die geschiedenis is
door het dak van mijn stal komen zakken, en één hoofdstuk heeft
een gat gestooten in de broeibak van de domineesche--neem me niet
kwalijk--Broeikàst."
Skinner trad binnen. "Ik wil een troothtertje hebbe," zei hij "warme
jenever met water, athjeblieft," en iedereen begon hem te vertellen
omtrent de kuikens.
"Goeie god!" zeide Skinner. "Je 'ebt toch nikth ge'oord van juffrouw
Thkinner?" vroeg hij toen het even stil was.
"Nee, dat niet!" zeide Witherspoon. "An haar hebbe we niet
gedacht. Trouwens an jou evenmin, hoor."
"Ben je vandaag dan niet thuis geweest?" vroeg Fulcher, over zijn
bierpul heen.
"As een van je verwenschte vogels d'r gepikt heeft," begon Witherspoon,
en liet de gansche onuitgesproken verschrikking zijner woorden aan
hun hulpelooze verbeelding over...
Het leek de vergadering op dat oogenblik interessant toe, als besluit
van een gebeurtenis-vollen dag, om Skinner te vergezellen, en te
zien of er iets gebeurd wàs met juffrouw Skinner. Je weet nooit wat
meevallertjes je kunt hebben als er ongelukken op de baan zijn. Doch
Skinner, die bij de toonbank stond en zijn warme jenever met water
dronk, met één oog dwalend over de dingen achter het buffet en het
andere gericht op het onbegrensde, miste het psychologische van
dit moment.
"D'r ith vandaag toch niksth an de hand geweetht met een van die
groote wepthen?" vroeg hij, met een bestudeerde losheid van manier.
"Veels te druk geweest met je kippe," zei Fulcher.
"Ik vertrouw dat the nou toch al wel binne thulle thijn, hè?" zei
Skinner.
"Wat--de kippe?"
"Ik dacht an de wepthe," zei Skinner.
En toen, met een omzichtigheid die wantrouwen zou gewekt hebben in
een kind van een week oud, en den klemtoon leggend op het meerendeel
der woorden die hij zeide, vroeg hij, "níémand 'ééft toch ge'óórd van
andere groote dingen, wel? Groote 'onde' of katte' of thóó ietsth? Ik
thou thegge dat as d'r groote kippe en wepthe' thijn, dat--"
Hij lachte met een uitstekend nagebootst air alsof hij zoo maar
wat zei.
Doch er kwam een peinzende uitdrukking op de gezichten der
Hickleybrowers. Fulcher was de eerste die aan hun aller, steeds
helderder wordende gedachte den concreten woorden-vorm gaf.
"'n Kat, die past bij die kippe'--" zei Fulcher.
"Net zoo!" zei Witherspoon, "'n Kat die past bij diè kippe'."
"Dat zou 'n tijger zijn," zei Fulcher.
"Nog erger dan 'n tijger," zei Witherspoon.
Toen Skinner eindelijk het eenzame voetpad volgde over het glooiende
veld dat Hickleybrow scheidde van de sombere vallei, die overschaduwd
werd door pijnboomen, in welker donkere schaduw de reusachtige
kanarie-kruid-kruipplant in stilte zijn strijd uitvocht met de
Proef-Hoeve, volgde hij het alléén.
Zeer duidelijk zag men hem rijzen tegen de lucht--want zoover volgde
de publieke belangstelling hem--en weder afdalen in den nacht, in
een duisternis waaruit hij nooit weder zal te voorschijn komen. Hij
verdween--in één groot mysterie. Tot op dezen dag weet niemand wat
er met hem gebeurde, nadat hij de helling over was.
Toen later de beide Fulchers en Witherspoon, aangevuurd door hun
eigen verbeelding, den heuvel beklommen, en naar hem uitstaarden,
had de nacht hem geheel verzwolgen.
De drie mannen stonden dicht bij elkaar. Er kwam geen enkel geluid
tot hen vanuit de duisternis van het bosch, dat de Hoeve aan hunne
oogen onttrok.
"'t Zal wel in orde zijn," zeide de jonge Fulcher, een lang stilzwijgen
verbrekend.
"Ik zie geen lichten," zei Witherspoon.
"'t Is dampig," zei de oudste van de Fulchers.
Zij bleven een oogenblik in gedachten verzonken staan.
"Hij zou wel teruggekomme zijn as d'r iets niet in den haak was." zei
de jonge Fulcher, en dit leek zóó voor de hand liggend en afdoend,
dat een oogenblik later de oude Fulcher zei "kom," en zij alle drie
naar huis en te bed gingen--ik moet toegeven, wel wat nadenkend...
Een herder, die buiten was in de buurt van Huckster's boerderij,
hoorde een gejank in den nacht, dat hij dacht van vossen afkomstig
te zijn, en den volgenden morgen was een van zijn lammeren gedood,
halverwege naar Hickleybrow gesleept en gedeeltelijk verslonden...
Het onverklaarbare van het geval is, dat er geen onbetwistbare
overblijfselen van Skinner gevonden werden!
Verscheidene weken daarna, werd er tusschen de verkoolde ruïnen
der Proef-Hoeve iets ontdekt, dat een menschelijk schouderblad kon
geweest zijn, maar het ook evengoed nièt kon geweest zijn, en in een
ander gedeelte der ruïnen een lang been, erg afgekloven, en eveneens
van twijfelachtige herkomst. Dicht bij den opstap van het hek, op de
helling naar Eyebright, werd een glazen oog gevonden, en verscheidene
lieden ontdekten naar aanleiding hiervan, dat Skinner veel van zijn
persoonlijke bekoring te danken had aan dit artikel. Het staarde
de wereld aan met hetzelfde air van los zijn van al het aardsche,
dezelfde strenge zwaarmoedigheid, die de redders waren geweest van
zijn gelaat, dat anders wereldsch had kunnen lijken.
En om de ruïnen bracht een ijverig onderzoek de metalen ringen en
verkoolde omtrekken van twee linnen knoopen, en drie onaangetaste
beenen knoopen aan het licht, en een van die metalen soort die gebruikt
worden voor de minder in het oog vallende naden der menschelijke
kleedij. Deze overblijfselen zijn door personen, die het weten
konden, beschouwd als zonder eenigen verderen twijfel, wijzend
op een verslonden en verstrooiden Skinner, doch terwille van mijn
eigen overtuiging, en zijn zeer sterk aangeboren slordigen aard in
aanmerking nemend, moet ik zeggen dat ik voor mij liever wat minder
knoopen en wat meer beenderen had wenschen te zien.
Na het vinden van het glazen oog is het natuurlijk zeer moeilijk de
eerste meening te weerleggen en deze heeft dan ook allen schijn van
waarheid, doch als het werkelijk het oog van den heer Skinner is,--en
zelfs juffrouw Skinner wist nooit zeker of zijn onbeweeglijk oog van
glas was--dan moet het een of ander het veranderd hebben van zacht
bruin tot helder en geprononceerd blauw. Dat schouder-blad is een
zeer twijfelachtig bewijsstuk, en ik zou het wel eens willen leggen
naast de afgeknaagde schouderbladen van enkele van de meer gewone
huisdieren, vóor ik toegeef dat het aan een mensch toebehoorde.
En waar waren Skinner's schoenen dan wel, bijvoorbeeld?
Verdorven en vreemd als de vraatzucht van een rat moge zijn, is het
dan nog aan te nemen dat dezelfde wezens een lam half-opgegeten
zouden laten liggen, en Skinner oppeuzelen met haar, beenderen,
tanden en laarzen?
Ik heb zooveel mogelijk lieden ondervraagd die Skinner zeer persoonlijk
gekend hadden, en als één man zijn zij het er over eens, dat zij
zich niet konden voorstellen dat ièts, wat dan ook, Skinner zou
opeten. Hij behoorde tot het soort van menschen,--zooals een ex-zeeman
die in een woning van den heer W. W. Jacobs te Dunton Green woonde,
mij vertelde, met een voorzichtige gewichtigheid in zijn optreden,
niet ongewoon in die streken--die tòch eenmaal "naar de haaien gaan,"
en wat betreft die verscheurende dieren, dat Skinner in staat was
"om een vuur het licht uit te blazen."
Hij beschouwde Skinner even veilig op een ronddrijvende balk als
overal elders. De ex-zeeman voegde erbij dat hij niks van Skinner zou
zeggen, hoor, maar feiten waren feiten, en dat hij, wat hem betreft,
nog maar liever de bak in ging dan zijn kleeren bij Skinner te laten
maken. Deze opmerkingen stellen Skinner voorzeker niet in een erg
appetijtelijk daglicht.
Om volkomen eerlijk spel met den lezer te spelen, moet ik voor
mij verklaren, niet te gelooven dat hij ooit naar de Proef-Hoeve
terugkeerde. Ik geloof dat hij lang en aarzelend bleef rondzwerven
in de velden om Hickleybrow, en dat hij eindelijk, toen dat gejank
begon, den kortsten weg nam om uit zijne verlegenheid te geraken,
en zoo het onbekende in.
En in het onbekende, hetzij van deze wereld of van het hiernamaals,
is hij hardnekkig en zonder eenigen twijfel gebleven tot op den
huidigen dag...