VIII.

Toen de ongelukkige Skinner dien avond te Urshot uit den Zuid-Ooster

trein stapte, was het bijna schemer. De trein was laat--doch niet

buitensporig laat--wat meneer Skinner dan ook tegen den stationschef

opmerkte. Misschien zag hij het oog van den chef veelbeteekenend

schitteren. Na een zeer korte aarzeling en met een vertrouwelijk

handgebaar naar den kant van zijn mond vroeg hij of er dien dag ook

"iets" gebeurd was.

"Wat bedòel je?" zei de chef, een man met een harde nadrukkelijke stem.

"Met die wethpen en dat tuig."

"We hebbe niet veel tijd gehad om aan wespe te denke," zei de chef

vriendelijk. "We zijn veels te druk geweest met je pesterige kippen,"

en hij deelde hem mede wat er met de kuikens gebeurd was.

"Je hebt toch nikth ge'oord van juffrouw Thkinner?" vroeg Skinner,

tusschen dien stortvloed van kernachtige woorden en aanmerkingen

door...

"Ben je nou heelemaal!" zeide de chef--alsof zelfs hij de grens trok

op het gebied van dingen-weten.

"Dan moet 'k er toch eth naar gaan onderthoeke," zeide meneer Skinner,

zich zijdelings verwijderend buiten schot voor de algemeene opmerkingen

over de verantwoordelijkheid, die iemand op zich nam door kippen te

zwaar te voeden, waarmede de chef besloot...

Toen hij Urshot doorkwam werd hij aangeroepen door een kalkbrander

uit de groeven in de buurt van Hankey, die hem vroeg of hij naar zijn

kippen zocht.

"Je hebt bijgeval toch niksth gehoord van m'n vrouw?" vroeg hij.

De kalkbrander--wàt hij precies zeide gaat ons niet aan--gaf te kennen

dat hij méér belang stelde in kippen....

Het was reeds donker--zoo donker als een nacht in de maand Juni

in Engeland tenminste zijn kan--toen Skinner--of zijn hoofd liever

gezegd--om de deur van "de Vroolijke Drijvers" kwam kijken, en zeide:

"Ello! je 'ebt toch nikth ge'oord van die gesthchiedenith met mijn

kippe, hè?"

"Zoo!" zeide Fulcher. "Nou, een gedeelte van die geschiedenis is

door het dak van mijn stal komen zakken, en één hoofdstuk heeft

een gat gestooten in de broeibak van de domineesche--neem me niet

kwalijk--Broeikàst."

Skinner trad binnen. "Ik wil een troothtertje hebbe," zei hij "warme

jenever met water, athjeblieft," en iedereen begon hem te vertellen

omtrent de kuikens.

"Goeie god!" zeide Skinner. "Je 'ebt toch nikth ge'oord van juffrouw

Thkinner?" vroeg hij toen het even stil was.

"Nee, dat niet!" zeide Witherspoon. "An haar hebbe we niet

gedacht. Trouwens an jou evenmin, hoor."

"Ben je vandaag dan niet thuis geweest?" vroeg Fulcher, over zijn

bierpul heen.

"As een van je verwenschte vogels d'r gepikt heeft," begon Witherspoon,

en liet de gansche onuitgesproken verschrikking zijner woorden aan

hun hulpelooze verbeelding over...

Het leek de vergadering op dat oogenblik interessant toe, als besluit

van een gebeurtenis-vollen dag, om Skinner te vergezellen, en te

zien of er iets gebeurd wàs met juffrouw Skinner. Je weet nooit wat

meevallertjes je kunt hebben als er ongelukken op de baan zijn. Doch

Skinner, die bij de toonbank stond en zijn warme jenever met water

dronk, met één oog dwalend over de dingen achter het buffet en het

andere gericht op het onbegrensde, miste het psychologische van

dit moment.

"D'r ith vandaag toch niksth an de hand geweetht met een van die

groote wepthen?" vroeg hij, met een bestudeerde losheid van manier.

"Veels te druk geweest met je kippe," zei Fulcher.

"Ik vertrouw dat the nou toch al wel binne thulle thijn, hè?" zei

Skinner.

"Wat--de kippe?"

"Ik dacht an de wepthe," zei Skinner.

En toen, met een omzichtigheid die wantrouwen zou gewekt hebben in

een kind van een week oud, en den klemtoon leggend op het meerendeel

der woorden die hij zeide, vroeg hij, "níémand 'ééft toch ge'óórd van

andere groote dingen, wel? Groote 'onde' of katte' of thóó ietsth? Ik

thou thegge dat as d'r groote kippe en wepthe' thijn, dat--"

Hij lachte met een uitstekend nagebootst air alsof hij zoo maar

wat zei.

Doch er kwam een peinzende uitdrukking op de gezichten der

Hickleybrowers. Fulcher was de eerste die aan hun aller, steeds

helderder wordende gedachte den concreten woorden-vorm gaf.

"'n Kat, die past bij die kippe'--" zei Fulcher.

"Net zoo!" zei Witherspoon, "'n Kat die past bij diè kippe'."

"Dat zou 'n tijger zijn," zei Fulcher.

"Nog erger dan 'n tijger," zei Witherspoon.

Toen Skinner eindelijk het eenzame voetpad volgde over het glooiende

veld dat Hickleybrow scheidde van de sombere vallei, die overschaduwd

werd door pijnboomen, in welker donkere schaduw de reusachtige

kanarie-kruid-kruipplant in stilte zijn strijd uitvocht met de

Proef-Hoeve, volgde hij het alléén.

Zeer duidelijk zag men hem rijzen tegen de lucht--want zoover volgde

de publieke belangstelling hem--en weder afdalen in den nacht, in

een duisternis waaruit hij nooit weder zal te voorschijn komen. Hij

verdween--in één groot mysterie. Tot op dezen dag weet niemand wat

er met hem gebeurde, nadat hij de helling over was.

Toen later de beide Fulchers en Witherspoon, aangevuurd door hun

eigen verbeelding, den heuvel beklommen, en naar hem uitstaarden,

had de nacht hem geheel verzwolgen.

De drie mannen stonden dicht bij elkaar. Er kwam geen enkel geluid

tot hen vanuit de duisternis van het bosch, dat de Hoeve aan hunne

oogen onttrok.

"'t Zal wel in orde zijn," zeide de jonge Fulcher, een lang stilzwijgen

verbrekend.

"Ik zie geen lichten," zei Witherspoon.

"'t Is dampig," zei de oudste van de Fulchers.

Zij bleven een oogenblik in gedachten verzonken staan.

"Hij zou wel teruggekomme zijn as d'r iets niet in den haak was." zei

de jonge Fulcher, en dit leek zóó voor de hand liggend en afdoend,

dat een oogenblik later de oude Fulcher zei "kom," en zij alle drie

naar huis en te bed gingen--ik moet toegeven, wel wat nadenkend...

Een herder, die buiten was in de buurt van Huckster's boerderij,

hoorde een gejank in den nacht, dat hij dacht van vossen afkomstig

te zijn, en den volgenden morgen was een van zijn lammeren gedood,

halverwege naar Hickleybrow gesleept en gedeeltelijk verslonden...

Het onverklaarbare van het geval is, dat er geen onbetwistbare

overblijfselen van Skinner gevonden werden!

Verscheidene weken daarna, werd er tusschen de verkoolde ruïnen

der Proef-Hoeve iets ontdekt, dat een menschelijk schouderblad kon

geweest zijn, maar het ook evengoed nièt kon geweest zijn, en in een

ander gedeelte der ruïnen een lang been, erg afgekloven, en eveneens

van twijfelachtige herkomst. Dicht bij den opstap van het hek, op de

helling naar Eyebright, werd een glazen oog gevonden, en verscheidene

lieden ontdekten naar aanleiding hiervan, dat Skinner veel van zijn

persoonlijke bekoring te danken had aan dit artikel. Het staarde

de wereld aan met hetzelfde air van los zijn van al het aardsche,

dezelfde strenge zwaarmoedigheid, die de redders waren geweest van

zijn gelaat, dat anders wereldsch had kunnen lijken.

En om de ruïnen bracht een ijverig onderzoek de metalen ringen en

verkoolde omtrekken van twee linnen knoopen, en drie onaangetaste

beenen knoopen aan het licht, en een van die metalen soort die gebruikt

worden voor de minder in het oog vallende naden der menschelijke

kleedij. Deze overblijfselen zijn door personen, die het weten

konden, beschouwd als zonder eenigen verderen twijfel, wijzend

op een verslonden en verstrooiden Skinner, doch terwille van mijn

eigen overtuiging, en zijn zeer sterk aangeboren slordigen aard in

aanmerking nemend, moet ik zeggen dat ik voor mij liever wat minder

knoopen en wat meer beenderen had wenschen te zien.

Na het vinden van het glazen oog is het natuurlijk zeer moeilijk de

eerste meening te weerleggen en deze heeft dan ook allen schijn van

waarheid, doch als het werkelijk het oog van den heer Skinner is,--en

zelfs juffrouw Skinner wist nooit zeker of zijn onbeweeglijk oog van

glas was--dan moet het een of ander het veranderd hebben van zacht

bruin tot helder en geprononceerd blauw. Dat schouder-blad is een

zeer twijfelachtig bewijsstuk, en ik zou het wel eens willen leggen

naast de afgeknaagde schouderbladen van enkele van de meer gewone

huisdieren, vóor ik toegeef dat het aan een mensch toebehoorde.

En waar waren Skinner's schoenen dan wel, bijvoorbeeld?

Verdorven en vreemd als de vraatzucht van een rat moge zijn, is het

dan nog aan te nemen dat dezelfde wezens een lam half-opgegeten

zouden laten liggen, en Skinner oppeuzelen met haar, beenderen,

tanden en laarzen?

Ik heb zooveel mogelijk lieden ondervraagd die Skinner zeer persoonlijk

gekend hadden, en als één man zijn zij het er over eens, dat zij

zich niet konden voorstellen dat ièts, wat dan ook, Skinner zou

opeten. Hij behoorde tot het soort van menschen,--zooals een ex-zeeman

die in een woning van den heer W. W. Jacobs te Dunton Green woonde,

mij vertelde, met een voorzichtige gewichtigheid in zijn optreden,

niet ongewoon in die streken--die tòch eenmaal "naar de haaien gaan,"

en wat betreft die verscheurende dieren, dat Skinner in staat was

"om een vuur het licht uit te blazen."

Hij beschouwde Skinner even veilig op een ronddrijvende balk als

overal elders. De ex-zeeman voegde erbij dat hij niks van Skinner zou

zeggen, hoor, maar feiten waren feiten, en dat hij, wat hem betreft,

nog maar liever de bak in ging dan zijn kleeren bij Skinner te laten

maken. Deze opmerkingen stellen Skinner voorzeker niet in een erg

appetijtelijk daglicht.

Om volkomen eerlijk spel met den lezer te spelen, moet ik voor

mij verklaren, niet te gelooven dat hij ooit naar de Proef-Hoeve

terugkeerde. Ik geloof dat hij lang en aarzelend bleef rondzwerven

in de velden om Hickleybrow, en dat hij eindelijk, toen dat gejank

begon, den kortsten weg nam om uit zijne verlegenheid te geraken,

en zoo het onbekende in.

En in het onbekende, hetzij van deze wereld of van het hiernamaals,

is hij hardnekkig en zonder eenigen twijfel gebleven tot op den

huidigen dag...

Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam · 第 20 / 103 题