VI.

De heer Skinner had zich zijn voornaamste punt van bezorgdheid kunnen

besparen. Juffrouw Skinner bleef zelfs niet tot den avond.

Tegen elf uur begon het kanariekruid, dat den geheelen morgen ijverig

werkzaam geweest was, over het raam heen te klimmen, en dit sterk

te verduisteren, en hoe donkerder het werd, hoe duidelijker het

juffrouw Skinner werd, dat haar toestand heel spoedig onhoudbaar

zou zijn. En ook, dat 't was alsof zij eeuwen doorleefd had sedert

Skinner heenging. Zij gluurde een tijdje uit het duister wordende raam,

door de steeds verder reikende ranken, ging toen zeer behoedzaam de

slaapkamerdeur open doen en luisterde... Alles scheen rustig, en aldus

haar rokken bij elkaar houdend, holde zij de slaapkamer binnen en nadat

zij eerst onder het bed had gekeken en de deur op slot gedraaid had,

begon zij met de stelselmatige vlugheid van een vrouw van ondervinding

aan het pakken om te vertrekken. Het bed was nog niet opgemaakt en de

vloer der kamer was bezaaid met stukken der kruipplant die Skinner

den vorigen avond afgehàkt had om het venster te kunnen sluiten,

doch aan deze wanorde stoorde zij zich niet. Zij pakte alles in

een fatsoenlijk laken. Zij pakte haar geheele eigen garderobe in en

een velveteen jas die Skinner droeg als hij er eens héél netjes wou

uitzien, en zij pakte een pot augurken in, die nog niet aangebroken

was, en tot zoover was haar pakken volkomen in orde. Doch zij pakte

ook in twéé van de hermetisch-gesloten bussen met Herakleophorbia IV,

die de heer Bensington bij zijn laatste bezoek had medegebracht. (Zij

was wel eerlijk, 't goeie mensch,--maar zij was toch ook grootmoeder en

haar hart bloedde als zij zulk een heerlijk groeimiddel zag verspillen

op een troep van die verwenschte kuikens.)

En toen ze al deze dingen ingepakt had, zette zij haar hoed op,

deed haar schort af, bond een nieuwen schoenveter om haar parapluie

en na langen tijd aan de deur en het venster geluisterd te hebben,

opende zij de deur en trad naar buiten om de gevaarlijke buitenwereld

in te gaan. Zij hield de parapluie onder den arm en zij omklemde het

pak met twee beenige handen, die niet los zouden laten. Het was haar

beste zondagsche hoed en de twee klaprozen die hunne hoofden opstaken

midden uit de pracht van lint en kraal, schenen bezield met denzelfden

huiverigen moed, die haarzelf vervulde.

De lijnen om haar neuswortel trokken rimpels van vastberadenheid. Nu

had zij er genoeg van! Heelemaal alleen daar te zitten! Als Skinner zin

had kon die daar terugkomen, maar zij moest er niks meer van hebben.

Zij ging de vóórdeur uit, niet omdat zij naar Hickleybrow wilde

gaan (haar doel was Cheasing Eyebright, waar haar getrouwde dochter

woonde), maar omdat zij door de achterdeur er niet meer uit kon door

de slingerplant, die zoo woest aan het groeien gegaan was, nadat zij

de bus met voeder dicht bij de wortels bij ongeluk omgegooid had. Zij

luisterde een poosje, en sloot de voordeur zeer behoedzaam achter

zich dicht.

Bij den hoek van het huis bleef zij staan en nam poolshoogte.

Een lang litteeken van zand op de helling van den heuvel achter het

pijnbosch, duidde op de nabijheid van het Reuzen-wespen-nest, en dit

litteeken sloeg zij aandachtig gade. Het uitvliegen en terugkomen

van 's morgens was gedaan, toevallig was er geen enkele wesp in

het zicht, en behalve een geluid dat weinig meer hoorbaar was dan

een stoom-houtzaag in volle werking tusschen de denneboomen zoude

geweest zijn, was alles stil. Wat de oorwormen aangaat, zij zag

er geen enkele. Weliswaar zag ze onder in de kool iets bewegen,

doch dat kon evengoed een kat zijn die op vogels loerde. Zij keek

hier een tijdje naar. Zij verwijderde zich enkele schreden van den

hoek, kreeg den ren met de reuzen-kuikens in het zicht en bleef

weder staan. "Ach!" zeide zij, en schudde langzaam het hoofd toen

zij ze zag. Zij waren nù ongeveer zoo groot als een casuaris, doch

natuurlijk veel breeder van lijf--heelemaal veel grooter. Het waren

allen hennen, vijf stuks, nu dat de twee jonge hanen elkaar gedood

hadden. Ze aarzelde een oogenblik toen zij ze in zulke neerslachtige

houdingen zag staan. "Arme sukkels!" zeide zij, en legde haar pak neer;

"ze 'ebbe' geen water. En ze 'ebbe' in vierentwintig uur geen ete'

gehad! En dan met zoo'n eetlust!" Zij bracht een magere vinger aan

hare lippen en ging met zichzelve te rade.

En toen deed deze slordige vrouw wat mij tenminste werkelijk een

heldhaftige, barmhartige daad toelijkt. Zij liet haar buidel en

parapluie midden op het klinkerpad liggen, ging naar den put en

putte niet minder dan drie emmers water voor den ledigen drinkbak der

kuikens, en toen, terwijl zij zich daar allemaal om verdrongen, deed

zij stilletjes de deur van den ren open. Daarna werd zij bijzonder

actief, nam haar pak weder op, klom over de heg achter in den tuin,

stak dwars de welige weiden (om het wespennest te vermijden) over en

beklom moeizaam het kronkelende pad naar Cheasing Eyebright.

Al hijgend ging het tegen den heuvel op, en onder het gaan bleef zij

telkens even staan, om uit te rusten, op adem te komen en nog eens om

te kijken naar het kleine huis naast het pijnbosch daar beneden. En

toen zij eindelijk bijna den top van den heuvel bereikt had, zag zij

in de verte drie wespen van elkaar verwijderd vliegen, en log naar

het westen afdalen, en dat maakte haar beenen een boel vlugger.

Zij had nu weldra het open terrein achter zich gelaten, en kwam aan

de met hooge bermen afgezette laan (die haar een veiliger plaats

toeleek) en zoo over Hickleybrow Coombe naar de heuvels. En daar

aan den voet der heuvels, waar een dikke boom haar een schuilplaats

aanbood, rustte zij een oogenblik uit op een hek.

Toen weder vastberaden voorwaarts...

Gij ziet haar al, hoop ik, met haar witten bundel, zelf een soort

van op-de-achterste-pooten-loopende mier, zich voortreppend langs

het kleine witte pad-lint dwars over de hellingen der heuvels, in de

felle zon van den zomernamiddag. Zij sukkelde voort, haar vastberaden,

onvermoeibaren neus achterna, en de papavers op haar hoed trilden

zonder ophouden, en haar elastieken schoenen werden al witter en

witter door het mulle zand. Flip-flap, flip-flap petterden haar

schoenen door de stille hitte van den dag, en voortdurend trachtte

haar parapluie ondeugend weg te glijden van onder den elleboog die

'm vasthield. De mond-rimpel onder haar neus was nu saamgetrokken tot

de uiterste vastberadenheid, en telkens beval zij haar parapluie weder

naar boven te komen of gaf een nijdigen ruk aan haar bundel. En soms

mompelden hare lippen gedeelten van een wel-te-wachten twistgesprek

tusschen haarzelf en Skinner.

En, mijlen ver weg, groeiden een torenspits en een bosch ongemerkt

op uit het ijle blauw, zoodat het vreedzame uithoekje waar Cheasing

Eyebright veilig verborgen lag voor het gedruisch der wereld,

steeds duidelijker zichtbaar werd, zich zeer weinig bekommerend om

het Herakleophorbia dat verborgen lag in dien witten bundel, die zoo

volhardend op de kalme rust van het plaatsje toesukkelde.

Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam · 第 18 / 103 题