Experimenteeren is het langzaamste werk ter wereld; (de rapporten
erover in de "Philosophische Verhandelingen" zijn misschien nòg
vervelender) en het leek den heer Bensington erg lang toe, vóór
zijn eerste droom van enorme mogelijkheden vervangen werd door een
kruimpje verwerkelijking. Hij had de Proef-Hoeve in October gekocht,
en het was al Mei voor het eerste succès begon te dagen. In dien
tijd moesten Herakleophorbia I, II en III geprobeerd worden, en
mislukten; er ontstond last met de ratten op de boerderij en óók met
de Skinners. De eenige manier om Skinner ertoe te krijgen te doen
wat hem gezegd werd, was hem te dreigen met ontslag. Dan placht hij
met zijn vlakke hand over zijn ongeschoren kin te wrijven--hij was
steeds op de meest wonderbaarlijke manier ongeschoren en toch had
hij nooit een baard--en naar den heer Bensington te kijken met één
oog, en over hem heen met het andere en te zeggen: "O, natuurlijk,
meneer--als 't u ernst ith...!"
Doch eindelijk brak de dageraad aan. En zijn heraut was een brief in
het lange spichtige handschrift van den heer Skinner.
"Het nieuwe Broeisel is uit," schreef de heer Skinner, "en ik kan niet
zeggen dat ze me bijzonder bevallen. Groeien erg spichtig op--heelemaal
niet zooals dat andere toom was, vóór u uw laatste orders gaf. De
anderen, vóór de kat ze te pakke kreeg, waren flinke, tierige kuikens,
maar deze groeie als distels. Nooit zoo iets gezien. Ze pikken zóó
hard, dat ik onmogelijk de juiste maat van ze kan geven. 't Zijn ware
Reuzen en eten net zooveel. We zulle heel gauw weer graan noodig hebbe
want nooit heb je kuikens zóó zien ete'. Grooter dan Bantams. Als
ze zoo dóor gaan, zullen ze, al zijn ze ook spichtig, gauw groot
genoeg zijn voor een tentoonstelling. Plymouth Rocks zijn er niks
bij. Gisteren avond ben ik erg geschrokken, omdat ik dacht dat de kat
achter ze zat, en toen ik uit het raam keek zou ik er op hebben kunnen
zweren dat ik 'em onder het ijzerdraad door in het hok zag kruipen. De
kuikens waren allemaal wakker, maar ik kon geen kat ontdekken. Daarom
gaf ik ze maar wat koren, en sloot alles goed toe. Wees zoo goed me
te melden of ik met het voer moet doorgaan zooals u gezegd heb. Het
voeder dat u mengde is bijna allemaal op en ikzelf meng liever niets
meer, na het ongeluk met de pudding. Met onze vriendelijke groeten,
en ons in uwe gunst aanbevelend verblijf ik,
Hoogachtend,
Alfred Newton Skinner.
De toespeling aan het einde sloeg op een melkpudding waar op de een
of andere onverklaarbare wijze wat Herakleophorbia II in geraakt was,
met pijnlijken en bijna noodlottigen afloop voor de Skinners.
Doch de heer Bensington, die tusschen de regels doorlas, zag in den
weligen groei de bereiking van zijn lang gezocht doel. Den volgenden
morgen stapte hij uit te Urshot en in de tasch in zijn hand droeg
hij, goed verzegeld, in drie bussen, een voorraad Voedsel der Goden,
voldoende voor alle kuikens in Kent.
Het was een heldere, mooie morgen, laat in Mei en zijne likdoorns waren
zooveel beter, dat hij besloot door Hickleybrow naar zijn boerderij
te wandelen. Het was goed drie en een halve mijl, door het park en
het dorp, en dan langs de valleien van de Hickleybrowsche afgesloten
jachtgronden. De boomen waren allen als met een waas van groene
loovertjes bedekt, de heggen waren vol kamille en paaschbloemen, en
de bosschen vol blauwe hyacinthen en roode orchideeën; en overal was
gerucht van vogels, grijze lijsters, merels, roodborstjes, vinken en
vele andere soorten en in een warmer hoekje van het park ontvouwde
zich wat brem, en renden en sprongen vaalroode herten rond.
Deze dingen deden Bensington terugdenken aan het vroegere en
nu vergeten genot dat hij in het leven vond; voor zijne oogen
werd de belofte zijner ontdekking levend en vreugdevol, en het
scheen hem werkelijk toe dat hij den gelukkigsten dag zijns levens
bereikt had. En toen hij in den door de zon verlichten ren bij het
zandheuveltje onder de schaduw der pijnboomen de kuikens zag die van
het voedsel dat hij voor hen gemengd had, hadden gegeten, reusachtig
en onbeholpen, nù al grooter dan menige kip die getrouwd en gezet is,
en nog steeds groeiend, nog in hun eersten zachten gelen dos (licht
getint met bruin over den rug), toen begreep hij ten volle dat zijn
gelukkigste dag was aangebroken.
Op aandrang van meneer Skinner ging hij den ren binnen, doch nadat hij
een of tweemaal door de spleten in zijn schoenen gepikt was, kwam hij
er maar weer uit, en sloeg deze monsters gade door het traliewerk. Hij
bracht het hoofd heel dicht erbij, en volgde al hunne bewegingen,
alsof hij nooit tevoren een kuiken gezien had.
"Je kunt er haath niet inkomme hoe ze d'er zulle uitzien as ze volwasse
benne," zei de heer Skinner.
"Groot als een paard," zei de heer Bensington.
"Thal niet veel thchelen," zei Skinner.
"Verscheiden menschen zouden hun maal kunnen doen van één
vleugel!" zeide de heer Bensington. "Zij zouden aan stukken te snijden
zijn als rundvleesch."
"The thullen anderth wel niet doorgaan met tho hard te groeien,"
zeide Skinner.
"Niet?" zei de heer Bensington.
"Nee," zei de heer Skinner. "Ik ken dit thoort. Thij beginne geil,
maar the thcheijen er gauw mee uit!"
Er volgde een oogenblik stilte.
"'t Ith nikth anderth dan de behandeling, die 't em doet," zeide de
heer Skinner bescheiden.
De heer Bensington wendde plotseling zijn bril naar hem toe.
"We fokten ze haatht net tho groot op onthe eigen sthtee," zeide
meneer Skinner, zijn goede oog vroom ten hemel slaand, en een beetje
loskomend; "ik en m'n vrouw."
Bensington deed zijne gewone ronde over het erf, doch keerde spoedig
naar den ren terug. Het was werkelijk meer dan hij had durven hopen. De
gang der wetenschap is zoo kronkelig en zoo langzaam; na de duidelijke
beloften en vóór de verwerkelijking komt, zijn dikwijls jaren en
jaren van ingewikkeld gescharrel noodig en hier--hier droeg het
Voedsel der Goden reeds vrucht na weinig meer dan één proefjaar! Het
leek hem alles tè mooi--tè mooi. De uitgestelde verwachting die het
dagelijksch voedsel is der wetenschappelijke verbeelding, zou nu niet
langer zijn deel zijn!
Zoo leek het hem tenminste toèn. Hij kwam telkens weder naar den ren
en staarde verbaasd naar zijn wondere kuikens.
"Laat ik eens kijken," zeide hij. "Ze zijn nu tien dagen oud. En ik
zou denken dat ze, vergeleken bij een gewoon kuiken, ongeveer zes of
zeven maal zoo groot zijn..."
"'t Wordt tijd dat we opthlag van loon vrage," zeide Skinner tot
zijne vrouw. "Hij ith tho lekker ath wat, dat we die kuikes in de
tweede ren tho ver gekrege hebbe,--zoo lekker ath wat."
Hij boog zich vertrouwelijk naar haar over.
"'IJ denkt dat 't dat goedje van 'em ith," zeide hij achter zijn hand,
en deed een onderdrukt gelach hooren in zijn keelholte...
De heer Bensington was wèl een gelukkig man dien dag. Hij was niet
in de stemming om te vallen over kleinigheden in het beheer. Het
heldere daglicht deed weliswaar de groeiende slordigheid en vuilheid
der Skinners duidelijker dan ooit zien, doch zijn aanmerkingen waren
zeer zacht. De schotten van verscheidene hokken waren in staat van
verval, doch hij scheen den uitleg van Skinner zeer geldig te vinden,
toen deze hem in vertrouwen mededeelde, "dat 't 'n hond of een foth
of ietsth dergelijkth wath dat 't dee."
Bensington wees hem er op, dat de broedmachine niet schoongemaakt was.
"Dat is ie ook niet, meneer," zei juffrouw Skinner met over elkaar
geslagen armen, en zedig glimlachend achter haar neus. "'t Is as of
we geen tijd gehad hebbe, om 'em schoon te make sints we hier zijn..."
Hij ging naar boven om naar de rattenholen te zien, waarvoor Skinner
een val wilde hebben--zeer zeker waren ze enorm groot--en ontdekte
dat het vertrek, waarin het Voedsel der Goden vermengd werd met meel
en zemelen, in schandelijke wanorde verkeerde. De Skinners behoorden
tot het slag van lieden, die gebarsten schotels, oude bussen, en
flesschen van ingemaakte augurken en mosterdpotjes nog wel ergens
voor weten te gebruiken, en het vertrek was er mee bezaaid. In een
hoek lag een groote hoop appels, die Skinner bijeengegaard had, te
rotten en aan een spijker aan het afloopend gedeelte der zoldering
hingen verscheidene konijnenvellen, waarop hij zijne vaardigheid als
bontwerker wilde beproeven. ("The kunne mìjn niet veel meer leere
van bont en tho," zeide Skinner).
De heer Bensington haalde weliswaar critisch den neus op voor
deze wanorde, doch hij maakte geen noodeloos kabaal, en zelfs
toen hij een wesp zich vond te goed doen in een medicijnpot, half
vol Herakleophorbia IV, merkte hij eenvoudig kalm op, dat ze zijn
substantie liever moesten afsluiten voor de vocht, dan het zóó aan
de lucht bloot te stellen.
En hij wendde zich af, om op te merken, wat hem al eenigen tijd in het
hoofd gezeten had: "ik geloof, Skinner--dat ik maar een van de kuikens
zal slachten,--eenvoudig om een exemplaar te hebben. Ik denk dat we
't vanmiddag nog kunnen slachten, dan neem ik 't mee naar Londen."
Hij deed alsof hij in een anderen medicijnpot keek en nam toen zijn
bril af om die schoon te wrijven.
"Ik zou graag," zeide hij, "ik zou erg graag een reliquie--een
aandenken juist van dìt broedsel en speciaal op dèzen dag--hebben."
"Tusschen twee haakjes," zei hij, "je geeft die kuikens toch geen
vleesch?"
"O, nee, meneer," zei Skinner, "dàt kan ik je verthekere, meneer,
dat we nog tè veel afwete van hoenderthfokke, van welken aard dan ook,
om thóó ietsth te doen."
"Dus je weet zeker dat je geen restantjes van je middageten werpt
in--ik meende de beenderen van een konijn te zien liggen in den
versten hoek van de ren--"
Doch toen zij ze eens bekeken, bevonden zij dat het de grootere
beenderen van een kat waren, erg goed schoongepikt, en al erg droog.