I.

Bensington nam zich oorspronkelijk voor, met zijn goedje proeven

te nemen op jonge donderpadden, zoodra hij het werkelijk kon

produceeren. Dergelijke dingen worden altijd het eerst geprobeerd op

donderpadden; want daar zijn kikkers toch voor!--En zij kwamen overeen

dat hij en niet Redwood de proefnemingen zou doen, omdat Redwood's

laboratorium in beslag genomen werd door den projectiel-snelheidsmeter

en de dieren, die noodig waren voor een onderzoek naar de Dagelijksche

Afwijking in het aantal horenstooten per dag van den Jongen Stier,

een onderzoek dat kromme lijnen van abnormale en zeer verwarrende soort

opleverde, en de aanwezigheid van glazen bollen met donderpadjes erin

was bijzonder ongewenscht, zoolang bovengenoemd onderzoek juist in

vollen gang was.

Doch toen de heer Bensington zijn nicht Jane iets toevertrouwde van

wat hij in het hoofd had, sprak zij onmiddellijk haar veto uit over den

invoer van donderpadden of dergelijke wezens om op te experimenteeren,

in hun verdiepingwoning. Zij had niet het minste bezwaar dat hij

een der vertrekken van hun verdieping gebruikte voor dingen zooals

scheikunde waar geen ontploffingen bij te pas kwamen, en die geen

nadeelige gevolgen had wat haar zelve betrof; zij had geen bezwaar

dat hij een gas-fornuis en een gootsteen en een stof-vrije kast er op

nahield, die veilig bleven voor den wekelijkschen storm der schoonmaak

dien zij op andere plaatsen duchtig liet woeden. En daar zij lieden

gekend had die aan den drank verslaafd waren, beschouwde zij zijn haken

naar onderscheiding in geleerde genootschappen als een uitmuntende

plaatsvervanger voor den groveren vorm van verdorvenheid. Doch

massa's levende dingen, die zoo "kronkelerig" waren als ze leefden en

"stinkerig" als ze dood waren, dat kon en wilde ze niet dulden. Zij

zei, dat dergelijke dingen beslist ongezond moesten zijn, en dat

Bensington een man was die erg moest oppassen--en dat het onzin zou

zijn als hij wilde beweren dat dit niet zoo was.

En toen Bensington probeerde haar het enorme gewicht van deze mogelijke

ontdekking te doen zien, zeide ze dat 't allemaal goed en wel was,

maar dat, als zij hem toestond alles in huis akelig en ongezond te

maken (en daar kwam 't toch maar allemaal op neer), hij de eerste

zou zijn om zich te beklagen.

En mijnheer Bensington liep het vertrek op en neer, niet lettend op

zijn eksteroogen, en praatte langen tijd met veel gedecideerdheid, en

zelfs misnoegen in zijn stem, zonder het geringste effect. Hij opperde

dat niets de Bevordering der Wetenschap in den weg behoorde te staan

en zij zeide dat de Bevordering der Wetenschap allemaal heel goed en

wel was, maar dat een hoop donderpadden op een bovenverdieping háár te

machtig was; hij zei dat het in Duitschland een voldongen feit was,

dat een man met een idee als het zijne onmiddellijk twintig duizend

goed-ingerichte kubieke voet laboratorium tot zijn beschikking zou

krijgen, en zij zei dat ze blij was, en altijd blij was geweest, dat ze

geen Duitsche was; hij zei dat het hem voor altijd beroemd zou maken

en zij zei dat er veel meer kans bestond dat het hem ziek zou maken,

als hij een hoop donderpadden op een verdieping als de hunne hield; hij

zei dat hij baas in zijn eigen huis was, en zij zei dat zij dan maar

liever directrice van een school werd, dan te moeten zorgen voor een

hoop enge jonge kikkers; en toen verzocht hij haar niet zulken onzin

te praten en zij verzocht hem hetzelfde, en verzocht hem die ideeën

over kikkers te laten varen; en hij zei dat ze wel een beetje meer

respect voor zijn ideeën kon hebben, en zij zei dat zij dat niet kon

of wilde als er zoo'n "luchtje" aan was--en toen--niettegenstaande de

klassieke opmerkingen die Huxley over dit punt gemaakt heeft--verloor

hij alle geduld en zei een goddeloos woord. Niet zoo heel goddeloos,

maar toch plat genoeg. En toen was zij zeer beleedigd en hij moest

excuus vragen, en het vooruitzicht het Godenvoedsel ooit op hun

verdieping op kikkers te probeeren, verdween geheel in het excuus.

Derhalve moest Bensington er iets anders op zien te vinden om zijn

proefnemingen op het gebied van voeding, die noodig zouden zijn om

zijn ontdekking te demonstreeren, te kunnen uitvoeren, zoodra hij zijne

zelfstandigheid afgezonderd en bereid had. Eenige dagen lang bepeinsde

hij de mogelijkheid zijn kikkers bij den een of anderen vertrouwden

persoon in den kost te doen en toen richtte het toevallig-zien van

de uitdrukking in een courant zijne gedachten op een "Proef-Hoeve."

En kuikens. Direct toen hij er aan dacht, dacht hij eraan als aan een

hoenderfokkerij. Plotseling kreeg hij een visioen van reusachtig-sterk

groeiende kuikens. Hij zag voor zich een beeld van rennen, en hokken,

hokken die àl grooter en grooter werden, en rennen die in grootte hier

gelijken tred mede hielden. Kuikens zijn zoo gemakkelijk te naderen,

zoo gemakkelijk te voederen en waar te nemen, zóóveel droger om te

hanteeren en te meten, dat kikkers hem voor zijn doel nu erg wilde

en onhandelbare beesten toeleken. Hij kon maar niet begrijpen hoe

het kwam dat hij niet aan kuikens en wèl aan kikkers gedacht had van

het begin af. Onder meer, zou het hem al dat gezeur met nicht Jane

bespaard hebben. En toen hij het Redwood voorstelde, was deze het

volkomen met hem eens.

Redwood zei overtuigd te zijn dat experimenteele physiologen een

grooten misslag begingen met proeven te doen op noodeloos-kleine

dieren. Het stond precies gelijk met experimenteeren in de scheikunde

met een onvoldoende hoeveelheid materiaal; fouten in opmerking en

behandeling worden onevenredig groot. Het was, juist in dezen tijd,

van buitengewoon groot gewicht, dat de wetenschappelijke mannen

hun recht lieten gelden op groot materiaal. Dat was dan ook de reden

waarom hij zijn tegenwoordige experimenten aan het Bond-street College

verrichtte op jonge stieren, niettegenstaande zekere mate van ongerief

voor de studenten, en professoren die in andere vakken college gaven,

door de lichtzinnigheid en het gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel

van deze dieren in de corridors nu en dan. Doch de kromme lijnen,

die hij kreeg, waren buitengewoon belangwekkend en zouden, zoo ze

uitkwamen, zijn keuze ten volle rechtvaardigen. Wat hemzelf betrof,

zoo de wetenschap niet zoo stiefmoederlijk bedeeld ware geweest in

dit land, zou hij nooit, als het niet hoefde, experimenteeren op iets

kleiners dan een walvisch. Maar een Publiek Vivarium, van voldoende

grootte om dit mogelijk te maken, was, vreesde hij, op dit oogenblik

in dit land tenminste, een Utopistische eisch. In Duitschland--enz.

Daar Redwood's jonge stieren zijn dagelijksche zorg vereischten, kwam

het kiezen en uitrusten der Proef-Hoeve grootendeels op Bensington

neer. Ook werd overeengekomen dat alle kosten zouden bestreden worden

door Bensington, tot zij voldoende van buitenaf gesteund werden om het

experiment voort te zetten. Derhalve wisselde hij zijn werk in het

laboratorium op zijn verdieping af met de jacht naar een pachthoeve

langs de spoorweglijnen, die van London naar het zuiden loopen,

en zijn glurende bril, zijn vriendelijke kaalhoofdigheid, en zijn

opengewerkte linnen schoenen, vervulden de eigenaars van tallooze

onverhuurbare eigendommen met ijdele hoop. En hij adverteerde in

verscheidene dagbladen en in "de Natuur," om een verantwoordelijk paar

(gehuwd) dat nauwgezet en handig was, en gewoon met hoenders om te

gaan, om het algeheele beheer van een Proef-hoeve van een grooten

bunder op zich te nemen.

Hij vond de plaats die hij noodig had te Hickleybrow, dicht bij Urshot

in Kent. Het was een eigenaardige, afgelegen plek, in een vallei,

omzoomd door pijnbosschen, die des avonds donker en ongastvrij

waren. Een hooge heuvel sneed het af van den zonsondergang en een

grillige put met een uit elkaar hangend afdak deed het gebouw kleiner

lijken dan het was. Tegen het kleine huis klommen geen klimplanten

op, er waren verscheidene ruiten gebroken, en de wagenschuur wierp

zelfs in den middag een donkere schaduw. Het lag op anderhalven mijl

van het laatste huis van het dorp en de eenzaamheid ervan werd op

twijfelachtige wijze vervroolijkt door een rondwandelende familie

van echo's.

De plaats leek Bensington bijzonder geschikt voor wetenschappelijk

onderzoek. Hij liep het erf rond, hokken en rennen teekenend met

een zwaaienden arm, en bevond dat de keuken zonder veel verandering

te behoeven te ondergaan een aantal broedtoestellen en kunstmoeders

kon bergen.

Hij nam de plaats onmiddellijk; en op den terugweg naar Londen stapte

hij uit te Dunton Green, en engageerde een geschikt paar dat op zijn

advertenties geschreven had, en nog dien zelfden avond slaagde hij

erin een voldoende hoeveelheid Herakleophorbia I te isoleeren om deze

schikkingen meer dan te rechtvaardigen.

Het geschikte paar, dat onder Bensington de eerste aalmoezeniers op

aarde van het Voedsel der Goden zou zijn, was niet alleen zeer merkbaar

op jaren, maar ook buitengewoon vuil. Bensington merkte dit laatste

niet op, omdat niets het algemeene opmerkingsvermogen zoozeer afstompt

als een leven van experimenteele wetenschap. Zij heetten menheer en

juffrouw Skinner, en de heer Bensington interviewde hen in een klein

vertrek mat hermetisch gesloten vensters, een verweerden spiegel

boven den schoorsteenmantel en een paar kwijnende calceolaria's.

Juffrouw Skinner was een heel klein oud vrouwtje, zonder muts, met

vuil-wit haar dat erg plakkerig was weggekamd van een gezicht dat

oorspronkelijk al bestond uit, en nu, door het verlies van tanden

en kin, en het rimpelen van wat er verder was, eindigde met bijna

uitsluitend te zijn--neus. Zij was gekleed in lei-kleurige kleedij

(voor zoover haar japon tenminste nog kleur had), die op een plaats

gelapt was met een strook rood flanel. Zij liet hem binnen en praatte

zeer bedachtzaam tegen hem, en gluurde naar hem om en over haar neus,

terwijl ze hem in vertrouwen mededeelde dat Skinner eenige wijziging

in zijn toilet aan het aanbrengen was. Zij bezat één tand, die haar

uitspraak in den weg stond, en zij hield haar lange gerimpelde

handen zenuwachtig saamgeperst. Zij vertelde den heer Bensington

dat zij al jaren met hoenders had omgegaan, en alles wist omtrent

broedmachines; ja, zij zelven hadden eens een hoenderpark gedreven,

en het was eindelijk alléén failliet gegaan door gebrek aan leerlingen.

"Ziet u," zeide juffrouw Skinner, "de leerlingen, die brenge de

cente in."

Meneer Skinner bleek bij zijne verschijning te zijn een man met

een groot breed gezicht, die lispelde en zóó erg scheel zag, dat

hij over uw hoofd heenkeek; hij had opengesneden pantoffels aan,

die Bensington dadelijk voor hem innamen, en hij zat erg schaars in

zijn knoopen. Hij hield met één hand zijn jas en hemd bij elkaar, en

trok, met den wijsvinger van de andere, modellen op het zwart-met-goud

tafelkleed, terwijl zijn eene oog dat hiernaar niet keek, Bensington's

zwaard van Damocles (om het zoo maar eens uit te drukken), gadesloeg

met een eenigszins droevige los-van-de-wereld-zijnde uitdrukking:

"U wilt dethe boerderij niet drijven om de winst. Neen, meneer. 't

Komt alleth op 't zelfde neer, mijnheer. Proeven! Net thoo!"

Hij zeide dat ze dadelijk naar de boerderij konden vertrekken. Hij

deed niets te Dunton Green dan een beetje kleermaken. "'t Ith niet

zoo'n voordeelige plaatsth als ik dacht, en wat ik daar maak, ith

haastht niet de moeite waard," zeide hij, "thoodat, als 't u beter

thchikt, wij dadelijk..."

En binnen een week waren meneer en juffrouw Skinner op de boerderij

geïnstalleerd, en de karwei-timmerman van Hickleybrow wisselde de

taak van kippehokken-timmeren en rennen-maken af met een systematisch

gesprek over den heer Bensington.

"Ik heb hem nog niet veel gethien," zeide de heer Skinner. "Maar

voorzoover als ik uit hem wijth heb kunnen worden, lijkt hij mij een

stomme ouwe dwaath."

"Ik dacht wel dat er een van z'n vijf op den loop was," zei de

timmerman van Hickleybrow.

"Hij denkt, dat ie wat weet van hoenderth," zeide de heer

Skinner. "Heerem'ntijd! Als je 'm hoorde, zou je denken dat niemand

wat van hoenderth wisht dan hij."

"'IJ ziet er zelf uit as een 'en," zeide de timmerman van Hickleybrow;

"misschien door z'n bril."

De heer Skinner kwam wat dichter bij den timmerman van Hickleybrow

staan, en sprak vertrouwelijk met hem, en het eene treurige oog

keek naar het verwijderde dorp, en het andere schitterde en keek

kwaadaardig. "Moete èlke dag gemete worde,--iedere kip, thegt ie. Om

te thien of the goed groeie. Nou theg,--he? Iedere kip, thowerachtig,

iedere dag."

En de heer Skinner stak zijn hand op om er achter te lachen op een

beschaafde, en aanstekelijke manier, en haalde de schouders erg hoog

op--en alleen zijn andere oog deelde niet in den lach. Toen, eraan

twijfelend of de timmerman het fijne van de zaak wel gesnapt had,

herhaalde hij met een doordringend gefluister: "gemète!"

"'IJ is nog erger dan onze ouwe baas; verdompeld as 't niet waar is,"

zei de timmerman van Hickleybrow.

Het voedsel der Goden en hoe het op Aarde kwam · 第 13 / 103 题