Ik noem het 't Voedsel der Goden, deze zelfstandigheid die de heer
Bensington en professor Redwood samen maakten; en in aanmerking nemend
wat het reeds gewrocht heeft, en alles wat het voorzeker nog zal doen,
is de naam beslist niet overdreven. En derhalve zal ik het zoo blijven
noemen mijn geheele verhaal door.
Doch mijnheer Bensington zou het evenmin zóó in koelen bloede hebben
durven noemen, als zijne kamers in Sloane-street te verlaten, gehuld
in koninklijk purper en met een lauwerkrans op. Deze benaming was niets
anders dan een eerste kreet van verbazing die hem ontsnapte. Hij noemde
het 't Voedsel der Goden, in zijn enthousiasme, en dit wel een uur
lang achter elkaar. Daarna kwam hij tot de conclusie dat het dwaas
was. Toen hij het eerst over de zaak nadacht, had hij als het ware
een uitzicht op enòrme mogelijkheden--eenvoudig enorme mogelijkheden,
doch na één blik van verbazing, sloot hij resoluut de oogen voor dit
verblindende uitzicht, zooals een conscientieus "natuurkundige" dit
behoort te doen. Hierna klonk "Het Voedsel der Goden" hem zóó snoeverig
toe, dat hij het bijna onbehoorlijk ging vinden. Hij was er verwonderd
over dat hij deze uitdrukking gebezigd had. Maar niettegenstaande dit,
was er tòch nog iets van dat helder-geziene oogenblik in hem blijven
hangen, en kwam telkens weder voor den dag...
"Waarachtig," zei hij, zich in de handen wrijvend en zenuwachtig
lachend, "het is van meer dan theoretisch belang."
"Bijvoorbeeld," deelde hij den professor in vertrouwen mede, zijn
gezicht dicht bij dat van den geleerde brengend en zachter sprekend,
"het zou misschien te verkóópen zijn, als het goed aangelegd werd."
"Precies als een voedingsstof," zei hij, een eindje wegloopend. "Of
ten minste als een voedingsbestanddeel. Natuurlijk aannemend dat
het smakelijk is. Iets wat we niet kunnen zeggen vóor we het bereid
hebben."
Hij wendde zich om op het haardkleed en bestudeerde aandachtig de
zorgvuldig afgewerkte spleetjes in zijn linnen schoenen.
"De naam?" zei hij, opkijkend, als antwoord op een vraag. "Wat mij
betreft hel ik over naar de goede oude klassieke zinspeling. Het--'t
maakt de wetenschap respectabel--geeft er een tikje ouderwetsche
waardigheid aan. Ik dacht zoo... Ik weet niet of je 't zot van me
zult vinden... een beetje verbeelding is nu en dan toch zeker wel
veroorloofd... Herakleophorbia. He? Het voedsel van een mogelijke
Hercules? Het zou best kùnnen, niet waar... Natuurlijk als jij denkt
dat het nièt...."
Redwood keek aandachtig in het vuur en opperde geen bezwaren.
"Geloof je dat die naam gaan zou?"
Redwood's hoofd bewoog zich ernstig.
"We konden het ook Titanophorbia noemen, zie je. Titanen-voedsel... of
lijkt het eerste je beter? Weet je zeker dat je het niet een beetje
tè...."
"Neen."
"Ha, daar ben ik blij om."
En aldus noemden zij het Herakleophorbia, zoolang hunne onderzoekingen
duurden; en in hun rapport,--het rapport dat nooit uitgegeven werd,
door de onverwachte gebeurtenissen die al hun schikkingen in de war
brachten,--wordt het ook voortdurend aldus genoemd. Er werden drie
verwante zelfstandigheden bereid voor ze dàt tot uitkomst kregen,
wat hunne berekeningen hun voorspeld hadden, en van deze drie
substantie's spraken zij als Herakleophorbia I, Herakleophorbia II
en Herakleophorbia III.
En--vasthoudend aan den oorspronkelijken naam dien Bensington het
gaf--noem ik hier Herakleophorbia IV het Voedsel der Goden.