II.

Den volgenden dag in alle vroegte, nog voordat de godin van den dag

haar stralend hoofd van het purperen kussen in het Oosten ophief,

werd het levendig in het dal. Door het woud, dat nog in schemering

gehuld was, besteeg een opgewonden stoet de hoogte. Vooraan schreed

de priester, in het midden, bleek, maar kalm, de gevangene. Zwijgend

had zij het ter wille van den Heer toegelaten, dat de beenige hand

van den opperpriester den offerband om haar voorhoofd wond en gewijde

bloemen in haar loshangend haar vlocht. Menige medelijdende blik uit

het volk trof heimelijk het standvastige meisje, ook de blauwe oogen

van den jeugdigen, trotschen legeraanvoerder hadden zich smartelijk

vertrokken bij den aanblik van de aan den dood gewijde jonkvrouw.

Het vooruitspringende gedeelte der rots was bereikt, dat reeds dikwijls

door onschuldig menschenbloed bezoedeld was. Zwijgend wonden de

dweepzieke priesters touwen om haar teeder lichaam en bonden haar aan

den heiligen, aan Wodan gewijden boom, die den rand van den afgrond

beschaduwde. Geen klacht kwam over de bleeke lippen der christin,

geen traan blonk er in haar oogen, die verrukt naar het morgenrood

aan den hemel opzagen. De volksmenigte ging uit elkaar en verspreidde

zich; zwijgend en angstig bleven de heidenen in de verte wachten op

hetgeen komen zou.

De eerste zonnestralen wierpen hun schijnsel over den berg. Zij

schitterden in de bloemenkroen, die de jonkvrouw in het haar droeg

en speelden op haar verheerlijkt gelaat, dat ze met een stralenkrans

van licht en glans omgaven. De jonge christin verwachtte den dood

evenals een verloofde haar bruigom. Haar lippen bewogen zich zacht

als in een gebed.

Daar hoorde men in de diepte dof rumoer; de draak kwam snuivend uit

zijn hol en stoof over den landweg. Hij ontdekt het offer op de plaats,

die zijn bloeddorst kent. Hoogop kromt zich zijn met schubben bedekt

lichaam, dat op ver uitgestrekte van scherpe nagels voorziene pooten

rust; gruwelijk slaat hij met zijn slangachtigen staart en laat in

zijn afschuwelijk gapenden muil zijn doodend gebit zien. Blazend

komt het ondier aangekropen, terwijl het begeerig de tong heen en

weer beweegt. Uit de bloederige oogen stralen helsche vlammen.

Doodsangst overvalt de jonkvrouw bij den aanblik van dezen

afschuwelijken salamander. Sidderend trekt zij een schitterend

gouden kruis, dat zij op de borst draagt, te voorschijn en strekt

dit afwerend naar den draak uit, terwijl een angstige hulpkreet tot

God haar lippen ontsnapt. En, o wonder! Terwijl hij zich hoog, als

door den bliksem getroffen, opricht, treedt de draak terug en stort

achterwaarts over puntige rotssteenen in de diepte. Onder brullend

gehuil en het donderend rumoer van vallende rotsblokken verdween het

ondier in de woeste golven van den vloed. Een algemeene gil klonk van

de lippen der ter zijde wachtende heidenen. Verbazing en schrik stond

op alle gezichten te lezen. Vol berusting, met droomerig gesloten

oogleden stond de jonkvrouw daar en bad zacht tot Hem, die haar gered

had. Daar werd zij van de touwen, die haar vastgebonden hielden,

bevrijd, en twee krachtige armen omvatten haar en droegen haar in

den kring der verbaasde toeschouwers. Zij hief de oogen op en zag den

jongsten der beide legeraanvoerders; zijn ruwe krijgsmanshand vatte

de hare. Als voor een hemelsche verschijning boog de jongeling zijn

knie en raakte met de lippen de witte vingeren aan. Luide zegenkreten

klonken den ridder tegen.

De bejaarde priester trad naar voren en vol verwachting zweeg het

volk. Hij vroeg de christin plechtig, wie haar van den wissen dood

gered had, en wie de God was, die de zijnen zoo zichtbaar hielp. En

zegevierend glinsterden de van gelukstralende oogen der jonkvrouw.

"Dit beeld van Christus heeft den draak verpletterd en mij gered,"

riep zij zegevierend uit. "In hem rust het heil der wereld en de

welvaart der volkeren!"

Met schuwen eerbied beschouwde de bejaarde priester het kruis van

Christus.

"Dat het spoedig uw geest moge verlichten evenals van al deze lieden,"

sprak de jonkvrouw ernstig. "Het zal u grootere wonderen openbaren

dan dit, want onze God is groot."

Men geleidde de jonkvrouw met de overige gevangenen weer naar haar

vaderland. Zij keerde spoedig terug, vergezeld van een christelijken

priester. De stem van het geloof en der onschuld richtte wonderen uit

in de harten der heidenen. Bij duizenden tegelijk begeerden zij den

doop. De oude priester en Rinbold waren de eersten, die hun hoofd

voor de nieuwe leer bogen. Vreugde heerschte er onder den stam,

toen de jonkvrouw den jeugdigen legeraanvoerder de hand voor het

leven reikte. Een christelijke tempel werd in het dal opgericht en

bovenop de rots verrees een trotsche burcht voor de jonggehuwden. Wel

tien eeuwen bloeiden het machtige geslacht der Drachenburgers in de

omstreken van den Rijn.

Sagen van den Rijn(#15163) · 第 94 / 114 题