Als de reiziger de schoon gelegen Muzenstad Bonn verlaten heeft en per
stoomboot den Rijn opvaart, aanschouwt hij spoedig aan zijn linkerhand
de schilderachtige toppen van het Zevengebergte. De steile kruin van
den voorsten berg wordt thans nog versierd door den toren en de muren
van een oud ridderslot. Van dezen toren met den griezeligen naam,
waar men in den zomer voortdurend vroolijk gezang en klinken van
bokalen hoort, vertelt het volk een aandoenlijke sage.
In de eerste eeuwen na de geboorte van den Verlosser namen de Germanen
op den linker Rijnoever gewillig de leer van het kruis aan, zooals de
heilige Maternus, een discipel van den Volksapostel, uit Gallië hun
die mededeelde. Reeds sedert langen tijd hadden de vrome christelijke
zendelingen getracht, de christenleer bij de heidensche stammen van
Midden-Germanië te doen doordringen, doch zonder gevolg. Zij hielden
aan hun heidendom vast en wilden de christelijke priesters uit het
vreemde rijk niet in hun landstreken toelaten. Reeds vroeger had dit
rijk gepantserde legioenen, onder aanvoering van listige bevelhebbers
in de vrije landen gezonden.
Destijds moet er een vreeselijke draak in een hol (nog thans
"Drachenloch" genaamd) gehuisd hebben, een draak met een afschuwelijke
gestalte, die dagelijks zijn rotshol verliet en in de bosschen van
het dal verschrikkelijk te keer ging, terwijl hij menschen en dieren
op vreeselijke wijze bedreigde. Menschelijke krachten waren onmachtig
tegen dat monster en daar men meende, dat zich een vertoornde godheid
in den slangachtigen salamander verborg, bewees men hem goddelijke
eer en offerde hem bereidwillig misdadigers en gevangenen.
Een ruwe heidensche stam woonde aan den voet van den berg. Dikwijls
ondernamen de strijdlustige mannen verwoestende rooftochten aan
den linker Rijnoever. Zij staken alles in brand en vermoordden de
christelijke broeders. Op een nacht waren ze wederom naar de andere
zijde getrokken en maakten in een verwoeden strijd met de overvallenen
vele goederen en gevangenen buit. Onder de laatsten bevond zich een
jonkvrouw van buitengewone schoonheid. Twee legeraanvoerders, door
haar bevalligheid bekoord, verlangden haar te bezitten. De oudste
heette Horsrik, hij was een beroemd hoofdman en gevreesd strijder,
krachtig als een beer en woest als een tijger, de jongste, Rinbold
was minder ruw, doch even dapper.
Huiverend wendde de lieftallige jonkvrouw zich af, toen ze de beide
vorsten met vlammende oogen om haar bezit vechten zag. Mannen,
overmoedig geworden door de behaalde overwinning, omringen hen. Toch
stellen zij nog meer belang in den strijd der aanvoerders, om de
gevangen christin, dan in hun eigen verworven buit. De toornige
woorden der beide tegenstanders vinden een echo in de harten der
omstanders. Als Horsrik, de gevreesde strijder de jonkvrouw voor zich
eischt, wordt hij door de omringende mannen aangemoedigd, maar als
Rinbold, de jeugdige trotsche legeraanvoerder haar begeert, wordt hij
veel meer door de omstanders toegejuicht. Somber staart de andere
voor zich uit, terwijl zijn vuist dreigend de strijdkolf omklemd
houdt. Daar gaat de kring der omringende mannen uiteen. Tusschen
de strijders treedt, met een ernstige uitdrukking op het gelaat, de
opperpriester, een grijsaard met zilveren haren en harde trekken. Luid
weerklinkt de toornige stem van den grijsaard:
"Vervloekt zij deze twist om het bezit van een andersgeloovige. De
christin zal geen tweedracht zaaien tusschen de edelsten van onzen
stam. De dochter van hen, die wij haten zal u geen van beiden
toebehooren. De stichteres van dezen onzaligen twist zal den draak
geofferd worden. Ter eere van Wodan, dien zij en de haren miskennen,
zal zij bij zonsopgang gewijd worden." De mannen juichten dit plan toe,
vooral Horsrik. Met opgeheven hoofd staat de jonkvrouw daar. Smartelijk
en vol bewondering rust het oog van Rinbold, de trotsche jeugdige
legeraanvoerder op het engelachtige gelaat der jonkvrouw.