De eerste schaduwen der schemering gleden schuchter over de slapende
aarde. Rondom de rots stonden gewapende mannen. Met moeite beklom een
der aanvoerders met drie flinke strijders de hoogte. Een licht gouden
wolk omhulde den top van den berg. De mannen dachten, dat dit het
avondrood was. Het was echter het magische licht, dat de jonkvrouw
omgaf, die juist aan den rand van de rots verscheen. Droomerig keek
zij voor zich uit en maakte met een gouden kam haar lokken in orde. Nu
nam zij het parelensnoer van haar boezem en met welbehagen bevestigde
de smalle witte hand dit boven haar voorhoofd in haar kapsel. Daar
bemerkt zij de vertoornde mannen. Een wolk van misnoegen zweeft over
haar trekken.
"Wat zoeken de zwakke zonen der aarde op deze hoogte?" Verachtelijk
plooiden zich haar volle lippen.
"U, toovenaarster!" schreeuwde de aanvoerder toornig en met een
spottenden lach voegde hij er bij: "U! Om U op den bodem van deze
rivier te zien neerstorten."
Een welluidend lachen weerklonk door de bergen.
"O, de Rijn zal zelf komen, om mij te halen!" riep de jonkvrouw
uit. Ver over den afgrond, die onder haar gaapt, buigt zich haar
lichaam. Haar hand rukt het lint, dat zij om het voorhoofd draagt,
af en slingert het triomfantelijk in den vloed. Dan klinkt zegevierend
van haar lippend het gezang:
"Vader, gezwind, gezwind!
Stuur de witte paarden aan uw kind!
Zij wil rijden op golven en wind!"
Daar verhief zich de storm, de Rijn begon bruisend te koken, en
sneeuwwit schuim bedekte den oever. En twee golven met schuimende
koppen, gelijkende op twee sneeuwwitte paarden, stegen uit de diepte
tot aan de hoogte van de rots op en trokken de nimf in de bodemlooze
diepte. Over haar heen brandden zij schuimend voort.