Ronald was een fier jongeling en een der vermetelste strijders aan het
hof van zijn vader, den paltsgraaf van den Rijn. Ook hij hoorde van het
goddelijke wezen. Zijn hart brandde van verlangen om haar te zien. Nog
voordat hij de jonkvrouw aanschouwd had, vereerde hij haar reeds.
Hij verliet het hof en ging schijnbaar ter jacht. In werkelijkheid
bracht hem een oud, ervaren schipper naar de rots. In het Rijndal
brak de schemering reeds aan, toen de boot den reusachtigen berg
naderde. Laag stond de ondergaande zon achter de bergen.
Daar verschijnt op eens een flikkering aan het blauwe uitspansel:
de avondster. Heeft de beschermengel van den droomende jongeling deze
zooeven aan den hemel geplaatst om den verblinde te waarschuwen?
Hij ziet omhoog, voor een oogenblik afgeleid.
Een zachte kreet van den ouden man aan zijn zijde.
"De Lorelei!" fluistert hij angstig, "ziet haar, de toovenaarster?"
Ronald antwoordt niet. Reeds zag hij haar. Ook hem ontglipte een
zachte kreet. Met wijd opengesperde oogen keek hij omhoog. Daar stond
de Lorelei. Ja, zij was het. Een stralend godenbeeld in een donkere
omlijsting. Een welriekende wonderbloem, uit een ruïne gesproten. Dat
was haar goudlokkig haar, dat was haar wit golvend gewaad.
Aan den rand van den afgrond zit zij en brengt haar goudblond
golvend haar in orde. Een stralenkrans omgeeft het edele hoofd en
laat, niettegenstaande de duisternis en den verren afstand, haar
bekoorlijkheid zien. Heimelijke begeerte straalt uit twee vochtige,
groote oogen, op twee zacht gekleurde wangen ligt een betooverende
blos, en twee zwellende purperen lippen, rood gelijk een kers, openen
zich om te zingen of te verhalen. Nu klinkt er gezang door de stilte,
zacht en klagend, verleidelijk evenals de heerlijke nachtegaalslag
in den stillen zomernacht.
Dan zwijgt zij.
In nadenken verzonken zit zij daar en tuurt mijmerend in het blauwe
verschiet. Dan ziet ze naar den vloed onder haar en een schitterend
oogenpaar rust lang in den starren blik van den jongeling. Haar oogen
gelijken een paar zonnen, waarvan een verterend vuur uitgaat.
Een lichte rilling gaat door het lichaam van den jongeling. Nog
steeds rust zijn blik op de trekken van de demonische vrouw, en geheel
bedwelmd leest hij daarop het teedere sprookje van de liefde. Rots,
vloed, alles smelt met den grootschen hemel samen, zijn oog ziet
slechts haar aan den rotswand; slechts de blankheid van haar golvenden
boezem, de saffieren van haar schitterende oogen. Te langzaam kruipt
de bark door den vloed. Hij houdt het niet meer uit in de boot. Hij
meent haar stem te hooren, onuitsprekelijk zacht en verleidelijk. De
smeulende vlam wordt een verterend vuur.
Evenals een losgebroken veulen stort hij zich in den vloed.--De
oever wenkt.
"Lore!"
Een doodelijke gil weerklinkt en overstemt den kreet der liefde.
Klagend weerkaatste de echo het geluid door de rotsen.
De golven zuchtten en lekten liefkoozend het ongelukkige
slachtoffer. De oude schipper stiet een klaagtoon uit en maakte een
kruis. Op dit oogenblik dreef een bliksemstraal de wolken uiteen,
en doffe donderslagen dreunden door de bergen. Beneden fluisterden
zacht de golven, en van de hoogte klonk opnieuw, dezen keer treurig
en gelijk een zucht wegstervend, het spookachtig gezang der Lorelei.