I.

Boven Koblenz, waar de Rijn zich een weg baant door met druiven

begroeide heuvels, verheft zich een steile rots: de Loreleirots. Als

de boot van den schipper bij het vallen van den avond over het water

glijdt, ziet hij met angst en eerbied naar den onmetelijk hoogen

rotsachtigen top op. Evenals praatzieke kinderen fluisteren de

nimmer moede golfjes elkaar wonderlijke sprookjes toe, terwijl de

sage den grijzen top verheerlijkt en vreemde verhalen vertelt van

een schoone, valsche nimf, die eens daar boven op den berg gezeten

en zachte sirenenliederen gezongen heeft, totdat zij door een treurig

voorval voor altijd verdreven werd.

Lang, zeer lang is het geleden! Of het waar is, wie zal het zeggen?

Destijds, als de nacht in een donker gewaad van de met druiven beplante

heuvels neerdaalde en zijn stille gezellin, de bleeke maan, haar

zilveren brug van schitterende arabesken over den groenachtig gouden

vloed spande, dan klonk van de rots een wonderlijk vrouwengezang en

een vrouw van goddelijke schoonheid verscheen op den top. Evenals een

koningsmantel golfde haar goudblond haar over haar volle schouders

en viel in fraaie lokken op het sneeuwwit prachtgewaad, dat haar

trotsche gestalte in een lichte wolk scheen te hullen.

Wee den schipper, die op dit uur--waarop moegewerkte oogen zich sluiten

en levenslustige harten zich openen--de rots passeerde. Evenals eens de

dwalende held der Grieken, werd ook hij door het gezang betooverd. In

zalige verrukking vergat hij alles om zich heen, zoodat zijn oog,

even verblind als zijn ziel, geen acht op draaikolken en klippen

sloeg. Maar de teedere vrouwelijke bloem, wier bekoorlijkheid hem

boeide, bloeide op een graf. Terwijl hij, beroofd van zijn zinnen, op

haar af stuurde, reeds droomende van haar bezit, maakten de afgunstige

golven zich van zijn schip meester en slingerden het op het laatste

oogenblik verraderlijk tegen de rots, die het, evenals de Magneetberg

in het Noorden meedoogenloos aan haar harde borst verpletterde.

De doodskreet van het slachtoffer overstemde het woeste kabbelen van

den Rijn. Nooit zag men den ongelukkige weer.

De jonkvrouw, die nog nooit door iemand van nabij gezien was, ging

elken avond voort met zingen, zacht en verleidelijk, totdat de nacht

door de kus van den aanbrekenden morgen verdreven werd, en de stralende

dageraad den grijzen morgennevel uit de dalen verdreef.

Sagen van den Rijn(#15163) · 第 53 / 114 题