Hij was een waardig domheer in het oude Mainz, daarbij een zanger bij
de genade Gods, die tallooze vrome hijmnen dichtte en toonzette,
ter eere van de reinste aller vrouwen, doch tevens ook menige
welluidene harptoon aan de wereldlijke liefde gewijd heeft. En daar
hij in tegenstelling met vele dichters van zijn tijd in teedere
vereering den naam "Frau" d.i. meesteres hooger schatte dan "Weib"
wat slechts echtgenoote beteekent, heeft de nakomelingschap hem den
naam "Frauenlob" geschonken en onder dezen is hij meer bekend, dan
onder zijn werkelijken naam Heinrich von Weiszen.
Groot was de vereering, die de vrouwen van het gouden Mainz voor
den zanger koesterden. Dit bleek gedurende zijn léven, maar meer
nog bij zijn dood. Niet te beschrijven was de droefheid van het
dankbare, zwakke geslacht, toen het bericht kwam, dat de lier van
den geliefden minnezanger voor altijd verstomd was. Er werd besloten
den doode een eer te bewijzen zooals nog nooit een dichter te beurt
gevallen was. Onafzienbaar was de stoet, talrijk vooral de schaar
van vrouwen, die in rouwkleeren het lijk begeleidden en voor zijn
zieleheil baden. Acht van de schoonste vrouwen droegen zijn kist,
die bedolven was onder welriekende bloemen. Uit teedere vrouwenmonden
klonken aan het graf van den minnezanger de grafliederen en zachte
vrouwenhanden goten op zijn rustplaats heerlijken Rijnwijn, die
hem zoo dikwijls zijn prachtige liederen ingegeven had. Deze stille
liefdegave moet zoo rijkelijk gevloeid hebben, dat de gangen der kerk
er van overstroomden. Meer waarde echter dan deze gaven hadden de
tranen, die op dien dag door vele schoone oogen om den dooden zanger
vergoten werden.
Nog heden kan de reiziger in den ouden Mainzer Dom het gedenkteeken
voor den grooten Dichter en Zanger zien. Een prachtige vrouwenfiguur
van sneeuwwit warmer legt een krans neer op de kist van den zanger,
die den lof der vrouw in onvergetelijke liederen bezongen heeft.