Te kritizeeren heeft mij nooit toe gelachen. Als schrijver van boeken
recensie's te schrijven over andere boeken scheen mij steeds weinig
interessant: ik vond het interessanter zelve een ander boek te schrijven
dan eens anders boeken te recenseeren. Maar principes heb ik niet. En
waarom zoû ik u heden niet in plaats van over een landschap, een
schilderij, een stemming mogen vertellen over een boek? Ik heb nooit en
nergens gezegd, dat ik nóoit over een boek zoû schrijven.
_Un Uomo Finito_ is het laatste boek van Papini--zijn voornaam vermeldt
hij nooit[1]; ge herinnert u wel, Papini, die de vreemdelingen haat en
ze allen in de Arno wil smijten om Florence voor de Florentijnen te
behouden. Papini is even over de dertig--de Futuristen _zijn_ niet zoo
jong--en heeft reeds tien jaren letterkundige carrière achter zich, hoe
wel hij vaak verzekert, dat hij de "letterkunde" haat.
Zijne letterkundige vrienden schenen gezegd te hebben, dat Papini, na
het geen hij gedurende tien jaren geschreven had, _finito_ was. Het
woord was misschien door hen geuit omdat Papini, in een bui van
levensontmoediging, geruimen tijd gezwegen had. En nu heeft Papini, om
tegen die uiting zijner vrienden te protesteeren een autobiografie
geschreven, die hij noemt _Un Uomo Finito_ en het is over dit prachtige
boek, dat ik u heden wil onderhouden.
Een boek van letterkunde, van "litteratuur", die de auteur zegt te haten
ook al bemint hij vele schrijvers? Neen, misschien niet. Ik geloof niet,
dat de schrijver van _Un Uomo Finito_ éen oogenblik heeft gedacht met
zijn laatste werk mede te werken aan de litteratuur van zijn land, of te
scheppen een werk van kunst. Hij heeft in zijne bobbelende, borrelende,
kookende en dan hartstochtelijk ziedende zinnen niets anders willen
geven dan de trotsch oprechte, ruw eerlijke openbaring van zijn eigen
ik, zoo als hij dat zelve doorzag. Maar hij heeft, vermoedelijk zonder
het te willen, méer gedaan. Hij heeft ons niet alleen gegeven de
autobiografie van een schrijver; hij heeft ons tevens gegeven het
beeld-in-woorden van ieder modern jong dichter, denker en schrijver,
niet alleen in Italië, maar in geheel Europa.
Het boek van dezen zoo persoonlijken levenswijsheidzoeker en
levenswaarheidwiller is geworden meer dan zijn eigen zieleboek: van af
de eerste bladzijden af heeft ieder, die in zich heeft gevoeld den
woelenden aandrang, de willende gedachte en het wellende woord, ieder,
die zich heeft gevoeld geboren te zijn om mèt dat woord neêr te
schrijven wat hij dacht en voelde, zich weêrspiegeld gezien, minstens
een broederlijk beeld herkend of een weêrschijn van zusterziel zien òp
glanzen. Het is misschien méer dan wat de schrijver, die zoo trotsch is
en zoo alleen en eenig zoû willen zijn, Alfa en Omega aller zielen, ja
God zelve en met zich beginnen schepping, wereld en leven, behagen zoû
gegeven te hebben, maar er is niets aan te doen. Hij _is_ niet eenig en
alleen en in het verhaal van het eenzame, leelijke kind, dat lezen wil
en leeren, voor wie het gedrukte woord het kabbalisme in houdt van
levenswijsheid en -waarheid, dat zijne stuivers op spaart om boeken te
koopen en, eindelijk toegelaten in den tempel der boeken, de
Bibliotheek, in een schuchteren eerbied aan vangt de groote denkers en
dichters, de groote wijzen en weters der wereld te doorbladeren... is
een heugenis van jeugdig verlangen naar wetenschap en wijsheid, naar
dichter- en denkerwoord, dat weêrklank zal vinden in veler anderer
heugenis. _Alles_ te willen _weten_, alles; het _complete_ in zich te
bereiken: dat ideaal, dat ideaal van het kind, dat denker geboren is en
dat zich reeds, jong, af scheidt van de speelkameraden, om te peinzen
over zich en anderen, over den mensch en de wereld... is het niet de
naïve mateloosheid, die méerdere denkende kinderen zich hebben gedroomd,
vóor dat het meêlijdend glimlachend Leven hen intoomde,--toomde in hunne
ruischende vaart, en hunne steigerende zielerossen leerde zich zachtaan
trappelend te schikken in een noodlottig gareel? De hoofdstukken, waarin
Papini van zijn droeve kinderjaren vertelt, van zijn grauw
pessimisme--hij ziet het landschap om Florence àltijd regengrauw,
mistig, treurig, nevelig, melancholiek: hij zegt zelve, dat hij de zòn
nièt ziet--en van zijn alles-willen-bereiken zijn het mooiste, dat ooit
geschreven is door een eindelijk ièts bereikt hebbend en denkend mensch
met een terugblik naar de eerste jeugd. Hoe wàar niet dat willen
samenstellen een àlles bevattende Encyclopedie, omdat alle geraadpleegde
niet àlles gaven, nooit alles. En dan de teleurstellingen en de
inkrimpingen der illuzie, tot de Universeele Encyclopedie, langs de
poging toch nog een rationalistische Bijbelkommentaar te geven, geworden
is een den schrijver zelven vervelende kritiek van den Romancero des
Cids!
Het groote, àlles, willen... en dan een kleinigheid geven, een détail:
het goddelijke wenschen en het menschelijke zijn: het gedroomde Babel
zien in een storten tot den molshoop aan zijn voet: is het niet de naïve
tragedie geweest, van alle jonge dichters, die reeds in hunne
kinderjaren waren wat zij zouden worden, ja wellicht méer reeds dan
dat? De immense ambitie's met de hemeldiepe neêrstortingen uit ijle wolk
in duistersten afgrond en dan toch weêr de geknakte wieken uit willen
slaan... Papini gaf in deze bladzijden niet alléen weêr zijn eigene
jeugdige eerzuchten; hij gaf weêr strijd, overwinning en nederlaag van
alle menschelijke Eerzucht.
En misschien was dit te doen zéer verre van zijn eerlijke, hoogmoedige,
zich goddelijk wanende ziel.
* * * * *
Wij weten uit het boek van Papini, dat meer dan tien jaren geleden--hij
geeft nauwgezet den datum aan--er in Florence een jonge generatie reeds
bestond, vòl van de nieuwe ideeën, die zelfde ideeën bijna, die bij ons
na '80 den frisschen wind door het duffe huis hadden doen waaien. Er is,
geloof ik, in wijderen kring weinig bekend van deze eerste
"futuristische" pogingen en van het tijdschrift, dat Papini en de zijnen
toen stichtten en dat zij "Leonardo" noemden. Maar lees eens in _Un Uomo
Finito_ dat hoofdstuk over de stichting van het tijdschrift, lees van
het enthoeziasme dier jongelui van twintig jaren, die, omdat het café
voor iederen dag te duur was, met elkaâr kwamen op straat, met elkander
liepen te redeneeren en te filozofeeren op straat, meestal in regen en
nevel van koud namiddaguur, die regen en nevel, waarin Papini altijd
zijn Florence ziet--en ge zult een hoofdstuk hebben gelezen, waardoor
klòpt de polsslag en hartslag van jeugd, van denkende, willende,
zoekende jeugd: een hoofdstuk van schoonheid, waarmeê futurisme even min
iets te doen heeft als passatisme, een hoofdstuk van schoonheid voor
alle tijden en alle richtingen. Lees hoe de Italiaansche Tachtigers
(maar zij in 1903) zijn bij een gekomen als samenzweerders eerst in het
nota-bene akademische atelier van een jongen schilder, toen in een zaal
van het destijds aan allerarmste huisgezinnen verhuurde Palazzo
Davanzati en meer en meer zult ge worden gevangen in sympathie voor wie
destijds reeds het tegenwoordige Futurisme voorbereidden. Zij hebben
zekerlijk niet zóo veel gegeven als onze Tachtigers gaven, zij hebben
zich weêr verspreid, zij zijn ontrouw geworden aan de nieuwe leus hunne
namen zijn geen blijvende klanken geworden: misschien alleen Papini
zelve--zij, die zijne vrienden na tien jaren arbeid _Un Uomo Finito_
noemden--is staande gebleven tusschen ontrouw en lafheid, tusschen
zwakte en groeiende onverschilligheid: alleen hij, de sombere, bittere
vreemdelingenhater met zijn immer denkend en denkend brein en met zijn
innige verachting voor "litteratuur" is tusschen den drang der nieuwe,
dringende, stuwende jaren blijven staan en òm hem hebben zich verzameld
de allerlaatste Toekomstelingen, die thans van zich spreken laten. Wier
namen óok nog nauwelijks klinken--Papini's naam klinkt het hoogste
steeds op, naast dien van Marinetti--maar wier silhouetten de bezoeker
van het Café Reininghaus, dat der "Roode Buisjes", iederen namiddag om
de tafeltjes zitten ziet vol enthoeziasme en bediend door de in Florence
zoo bekende scharlaken gedoste kellners van het bekende café met de
tijdschriften in alle talen.
* * * * *
In muzikale lijn van stijging en daling en stijging--de schrijver
betitelt zijn boek van _andante_ over _appassionato_ en _tempestose_
langs _solenne_ en _lentissimo_ naar nieuw hoopvol _allegretto_
toe--schakelen zich de fijne hoofdstukken van dit boek en geven na de
immense ambitie's en enthoeziasmes de wanhopige, smartvolle
neêrstortingen maar ten slotte ook de nieuwe verwachtingen. Neen, hij is
géen _Uomo Finito_, als zijne vrienden hem dachten. Hij voelt zich geen
_Uomo Finito_, deze schrijver, die geen "litterator" wil zijn maar die
gedàcht heeft zijn geheele leven en wien de wijsbegeerte op voerde naar
de duizelingwekkende hoogtes der menschelijke geestes-eerzucht tot hij
de wereld, de Waarheid, God meende te vinden in alléen zichzelven... Dat
hij neêr gestort is van zulke toppen in afgronden van vertwijfeling, wie
zoû er hem niet om beklagen, wie er hem zijn te grooten trots niet om
vergeven! Indien hij dan _finito_ is--hij zegt het ons zelve--dàn is hij
dat omdat hij te vele en te groote en grootsche dingen heeft willen
bereiken; als hij nièts meer is, dan is hij dat omdat hij àlles heeft
willen zijn... Zoo eindigt zijn trotsch slotwoord. Maar wie zal in ernst
van den schrijver van dit bijna volmaakte boek--volmaakt zoû ik het
noemen willen, indien het hoofdstuk over de Liefde, dat nièt overtuigend
is maar er volledigheidshalve schijnt toe gevoegd, geschrapt was--durven
beweren, dat het gedàan met hem is? Integendeel schijnt hij mij toe de
grootste geest der hedendaagsche Italiaansche litteratuur, laat hem dan
vrij de "litteraire" élégances verachten. Schijnt hij mij toe het
brutale, trotsche, ongenaakbare genie der nieuwe Italiaansche
geestelijke wereld, laat hij dan vrij spugen op allen, wie de menschheid
de etiquette van "genie" om den hals hangt. Hij heeft, zonder dat de
vergelijking zoû zijn door te voeren, voor mij iets van Van Deijssel;
hij laat mij ten minste dènken aan Van Deijssel. Zijne ruwe,
onbehagelijke woorden, zijn vierkant proza, zijn warsheid van àlle
zoeking naar het bevallige, zijn zeker nièt die van den zoeker, die de
woorden beminde om henzelve. Maar zijn virile, booze blik, zijn hevig
gepassioneerd gebaar, zijn doortrillende barytonale stem hebben een
overweldigende bekoring en _Un Uomo Finito_ is de zwaar krachtige,
forsch mannelijke roep van een levend, een hèftig levend man, die de
Toekomst voor zich ziet open wijken en zich ten nieuwen strijd gordt,
trots àlle nederlagen van het Verleden.
[1] Giovanni.