Waarom zoû ik u niet over de spreeuwen schrijven en het geval
"spreeuwen" boeken in deze Bladen? Moet ik er niet--willen zij iets
beteekenen--de volledigheid in betrachten en als ik van mijn hangenden
tuin--die van de markiezin--vertel, moet ik u dan niet van de spreeuwen
vertellen?
Eertijds waren het de musschen. De musschen van Florences kwartier, waar
ons paleis rijst, huisden allen en eensgezind in de boomen van den
hangenden tuin. Ge moogt van de musschen denken wat ge wilt, ik heb wel
een zwak gevoelentje voor zulke onpretentieuze en toch geestige en
gevoelige vogels als musschen zijn. Onze musschen zelfs waren zeer
welopgevoed. Zij zongen in den vroegen morgen een ochtendhymne en
verdwenen dan naar hunne bezigheden. Zij kwamen tegen den avond met een
avondhymne terug en gingen dan slapen op tak en twijg. Er was wel eens
een _battibecco_ over dien twijg en dezen tak, maar iedere musch vond
een plàatsje en de nachtrust spreidde zich.
Tot op twee jaar geleden. Wat is het toch vreemd, dat in het leven der
dieren, die om ons zijn, zoo veel ontsnapt aan de menschen. Vooral in
het leven der vogels. De kleine vliegeniers, die boven ons, om ons
zweven, geven ons niet veel van hun leven en misschien, dat hun leven
mij juist daarom interesseert. Welke drama's spelen zich niet af
tusschen de gevleugelde horden. Kleine Balkan-oorlogen en revoluties
misschien, vreemdelinghaat-tragedies en bloedige strijd-om-het-leven: ik
weet niet wat al meer. Een feit is het, dat twee jaar geleden een paar
groote, donkere vogels, twee, drie, meer niet, tusschen de musschen bij
het huis-keeren verschenen. Hunne krijschkreten klonken plotseling door
de rustige musschenhymne door. Maar zij vlogen weg, zij keerden zelfs
niet den volgenden avond terug.
Zij waren de voorloopers, de spionnen. Zij waren de spionnen der
spreeuwen, die, ergens, in hun spreeuwendomein bestookt werden door, wie
weet, sperwers misschien, enkele haviken. Buiten Florence, in een
Mediceïsche villa, ergens tusschen ilex, pijn en tamarisk van de
Florentijnsche heuvelen dreigde een tragedie, die de menschen niet
zagen. Bereidde zich een volksverhuizing voor. Naderde een Noodlot, eene
Verschrikking... Hoe vreemd, hoe vreemd! Die kleine beesten, die
vederschepselen, aan wie alleen de lucht schijnt toe te behooren en ter
nauwer nood het getakte der boomen, die lucht-vrijen, die
vogelvrijen--_quantité négligeable_ voor òns, menschen--die beesten, die
alleen piepen en krijschen kunnen--zingen niet eens--die vlieg-, piep-
en krijschbeesten, die in òns menschenleven nièts zijn: zij maakten
vreeslijke dingen door! Zij voelden daarginds, in de heuvelen, de
Verschrikking, hun Noodlot naderen... Haviken, sperwers, wie weet het...
uilen misschien, die nestelen in torenruïne's of verbrokkelde muren...
En zij, de spreeuwen, zonden spionnen uit en verkenners, voorloopers, ik
meen voorvliegers. Die fladderden langs de Cascine aan maar bevonden het
daar zeer bevolkt met allerlei groote vogels. Die fladderden toen boven
Florence, de stad...
Waarom juist boven de stad? Zij meenden misschien, dat de stad der
menschen, in de winters, voedsel zoû verschaffen aan hongerige, door
het Noodlot bedreigde spreeuwen. Zij deelden zeer zeker dergelijke
boodschap mede aan wie hen hadden uit gezonden. Zij verzekerden tevens,
de voorvliegers, dat er in Florence tuinen waren, hangende tuinen, met
dicht geboomte. Tuinen, éen tuin vooral, die alléen bewoond was, des
avonds, door een onnoozele bevolking van musschen... Meerdere
voorvliegers verkenden dat jaar met de eersten den hangenden tuin. De
musschen piepten toen schel en protesteerden tegen; de tien spreeuwen
fladderden weêr hóog en verdwenen...
Het volgende jaar, tegen den winter, scheen het Noodlot daar
ginds--haviken, sperwers, uilen?--vreeslijker te dreigen. Spreeuwen
fladderden af en aan; onze musschen protesteerden heviger...
Maar dit jaar is het _gekomen_. Daar ginds, op de Florentijnsche
heuvelen, in de Mediceïsche villa, is dit jaar iets vreeslijks gebeurd.
Een Balkan-oorlog, die een volksverhuizing tot nasleep had... Een
vogelvolk-tragedie, door een vogelnoodlot op geroepen. Uilen, sperwers,
haviken... of alleen een strenge winter?
Wat weten wij van het Noodlot der vogels? Ik weet alleen, dat, een
morgen, er een vreemde, donzige stilte wazigde over den tuin. En toen
ik, de blinden open, in den tuin zag, bespeurde ik, dat de stille sneeuw
die nacht heimelijk was neêr gevlokt. Langs de warrelende en brekende en
brokkelende dakenlijnen, die den tuin omzoomen met schilderachtige
gevallen van roestbruin en grauwgrijs, langs schoorsteenen en
windwijzer, langs ramen en raampjes trokken zich de mollige randen dons,
of het Noorden was neêr gesneeuwd op het Zuiden. In den tuin lag het
blanke dons op de breede bladeren van latania-palmen en hing het
tusschen de ijle stammen van bamboe. De Januari-bloeiende camelia's
blankten van bleeke bloemen, die schenen sneeuw en blankten van sneeuw,
die scheen bleek gebloemte. Ook de oleanders bloeiden van sneeuw Het
vijvertje was overvliesd en de vischjes waren gedoken. En de musschen
waren reeds, na huiverige ochtendhymne, uit getogen naar hunne
bezigheden...
En dien middag _gebeurde het_. De tuin was iets minder mooi geworden in
een bleeken zonnestraal, die dadelijk verzwijmd was, en de musschen,
zich voor bereidende tot avondhymne, keerden terug. Maar te gelijker
tijd wolkte het zwart aan uit het Westen en de musschen, door de eerste
maten der hymne heen, piepten angstig. En de wolk streek dichter en
dichter, het scheen wel een zwarte sneeuwwolk te zijn, die dreigde neêr
te dalen, maar het wàs geen sneeuwwolk; het was het spreeuwvolk! En het
vreeslijke spreeuwvolk, als een Barbaarsche invazie, als een duistere
demonenhorde, met wijde fladderende vlerken en spitsen snavel en
snerpend geroep zonk plotseling donkerend, dreigend en krijschend neêr,
ontlastte zich als een zwarte hagel over den kleinen, vierkanten tuin
van Zuidergeboomte in wintergewaad, van palm, bamboe en oleander in
sneeuwgedooi en viel als een geesel Gods te midden der verschrikte
musschen. Want de spreeuwen hadden daar ginder hun Noodlot ondervonden
en ontvluchtten het naar den hangenden tuin en zij werden er zelve een
dreigend Noodlot, een Noodlot voor onnoozele musschen.
De musschen zongen geen hymne meer; zij piepten en vlogen in dwarrelende
kringen en de moedigsten hunner pikten. Maar de groote spreeuwevlerken
overfladderden de musschewiekjes en spreeuwen en musschen warrelden
samen tot éene vreeslijke verwarring, tot een heroïschen strijd in de
lucht tusschen de daken en onder de wolken, strijd naar welken de
menschen keken. De menschen keken op uit de straten. Keken uit door de
ramen en ook de katten kwamen kijken. Het waren de gootkatten en
dakkatten: het waren de katten, die, 's nachts verliefd, weten van
dwalingen langs dakeranden en lunaire ontmoetingen met fosfor-oogige
katers en in den zinkenden avond, in de grauwe avondluchtstemming, vol
bedreiging van méer sneeuw tusschen dooi heen, silhouetteerden hunne
ronde ruggen en kronkelstaarten en steile snorren tusschen dakpanlijnen
en schoorsteenverschieten. En als de menschen zagen de katten naar den
vogelstrijd tusschen tuin en lucht. Toen... vlogen de musschen van daar,
een zwakke, verwarde horde, die verfladderde... waarheen? Waarheen... in
de donkerende nacht van natte dooi en dreiging van sneeuw? Waarheen...
in de huiverige velden tusschen de Florentijnsche winterheuvelen, waar
sperwer en havik heerschen, terwijl in de brokkelmuren der stad
verborgen de uilen houden de wacht? Waarheen... in het avontuur van het
duistere Onbekende...?
De katten, niet meer nieuwsgierig en zich schikkende noch spreeuw noch
musch te zullen vangen, zigzagden de daken af en de menschen gingen door
en trokken zich van de ramen terug. Maar iets vreeslijks was gebeurd,
niet minder vreeslijk dan in den Balkan en in Turkije. Want wàt is voor
de goden dimensie?
En die nacht was geen rust in den hangenden tuin. Er bleef het gesnerp
der spreeuwen krijschend en krassend door snetteren als met het vlijmend
geslijp van messen. De geheele tuin was vòl spreeuwen. Hoe velen
overvulden den tuin? Hoe velen waren sperwer, havik of uil ontvlucht?
Vreesden zij ook hièr den sterkeren vijand, dat zij geen nachtrust
vonden...?
Zij hebben sedert de nachtrust niet gevonden. Wij, menschen,
onverschillige menschen, wij slapen door de tragedie heen en de katers
en katten, onverschillig als wij, dwalen over de dakeranden en bespreken
reeds met elkaâr rendez-vous voor Februari en Maart, wat meer
lente-achtige maanden... Maar de spreeuwen vinden geen nachtrust. Zij
vreezen, dat ook hier de roofvogels hen overvallen zullen of zij vreezen
misschien zelfs voor de musschen...
Zij verschijnen iederen avond, tegen schemeruur, in grootere, grootere
horde, de spreeuwen. Steeds worden zij vreeslijker, demonischer,
dreigender, zwarter, wanhopiger. In hunne ziel gaat vertwijfeling om. Is
het honger of is het angst? Wij menschen, wij weten het niet en de zoo
filozofische katten en katers, die het evenmin weten, wènschen het niet
eens te weten. Maar den spreeuwen, hun gebeurt het Noodlottige...! Wij,
menschen, kunnen er alleen naar raden. De katers en katten halen niet
hunne schouders er om op maar ronden er toch om de ruggen. Maar de
spreeuwen zijn de wanhoop nabij. Hunne avondhorde wordt immer dichter.
Hun wanhoopswolk barst immer zwarter, verschrikkelijker los over den
tuin. De tuin, de in de lente lachende tuin, is als een nauwe helkrocht
geworden. Een gruwelbalg vol vogelellende. Duizende spreeuwen in de
vallende nacht zoeken er twijg en tak. Die zij niet vinden. Er is geen
twijg en tak voor duizende spreeuwen. Duivelsche vluchten, zwermen in
het ronde, hoog in de lucht, zwarte stippen, de spreeuwen. En dalen
schreeuwende neêr. Dan zit spreeuw tegen spreeuw op twijg en tak,
angstig, vol wanhoop, ons onbekend, in spreeuweziel. En wie geen twijg
of tak te bezetten vond, vliegt weêr wanhopig omhoog, krijscht en kreist
door de lucht, doorcirkelt de duisterende nacht en laat zich dan, in
wanhopigen drom, vallen, als een neêr gesmeten troep verdoemelingen...
En dichter zit spreeuw tegen spreeuw op twijg en tak en snerpt het
messengekras krijschender op. De takken buigen onder den spreeuwenlast.
De twijgen breken onder zoo vele spreeuwen. Dezen morgen zag ik een tak
gebroken! En in den morgen blijft de tuin gehavend achter, na de
uitvaart der duizende spreeuwen. Maar in den avond wordt hij weêr
overzwermd door meerdere en steeds meerdere spreeuwen...
De musschen... zij pogen angstig terug te komen: zij zwerven elders
takloos en twijgloos rond. De musschen, zij zitten op den uitersten
dakrand, boven den versleten fresco-muur, die is als de muur van een
klooster. Zij zitten op een schuchter rijtje en kijken naar beneden, in
den tuin, maar wagen niet den tuin aan de spreeuwen te ontnemen. De
musschen zitten hopeloos... En plotseling vliegen de musschen op want
een groote kater sloop achter hen aan...
* * * * *
Zie daar naderen de spreeuwen weêr, nu de bleeke winterzon is gevallen
achter de daken! Zie, daar cirkelen hunne duivelsche horden! Hoog in de
lucht stippelen zij, als vliegen, als muggen. Dàar, krijschend, storten
zij neêr!! De takken buigen onder hun last. De twijgen kraken er onder
en breken... En nooit zijn zij in rust. Daar vliegen zij allen weêr op!
Duistere demonen van wanhoop en angst en vertwijfeling fladderden zij
tegen de nachtlucht...
Begrijpen zij iets van òns, van onze stad, van ons menschen, ons
menschelijk leven? Neen, zij weten ter nauwer nood, dat wij bestaan. Zij
meenen, dat de stad een natuurverschijnsel is en dat de mensch is een
toeval, onder hún vlucht. Zijzelve, zij, de spreeuwen, zijn de
werkelijkheid. Zijn het leven, de strijd. Strijd tegen sperwers, die hen
overwonnen; strijd tegen musschen, die zij overwonnen. _Zij_, zij zijn
het epos. _Zij_, zij zijn de tragedie. En zij, zij weten niets van ons,
omdat wij zoo groot zijn. En wij, wij weten niets van hen, omdat zij zoo
klein zijn. Hoewel hunne strijd, hunne tragedie, hun epos niet anders
zijn dan de onze.