De roofdieren gaan op verschillende wijze te werk als zij hun prooi
aanvallen. De wolf achtervolgt zijn slachtoffer zoo lang, totdat het
arme dier, uitgeput van vermoeienis, nedervalt en voor den moorddadigen
aanval van zijn onvermoeiden vervolger bezwijkt. Maar de meeste wilde
dieren liggen in hinderlaag, en wachten geduldig tot hun prooi in
de nabijheid komt. Eenige slangen, zooals de boa-constrictor, doen
het zelfde: van den tak waarop zij liggen, schieten zij eensklaps
naar beneden, kronkelen zich om het lichaam van hun slachtoffer en
verbrijzelen het. Het kattengeslacht, waartoe de tijger en de leeuw
behooren, overvalt zijn prooi onverhoeds. Alle soorten van dit geslacht
bezitten een buigzaam en lenig lichaam en pooten, die als fluweel
zoo zacht zijn. Zij hebben een ongeloofelijk geduld, liggen soms
uren lang op de loer, en maken zelden een mislukten sprong. De tijger
kruipt laag bij den grond, en terwijl hij achter een boschje of op een
tak van een boom ligt, met de pooten onder het lichaam opgetrokken,
volgt het listige dier alle bewegingen van zijn slachtoffer.
De los, die op onze plaat staat afgebeeld, is een der zwakkere leden
van de kattenfamilie, waarvan de leeuw en de tijger de krachtigste en
grootste vertegenwoordigers zijn. Sommige lossen zijn zeer groot;
zij azen op geiten, schapen en kleinere dieren, en brengen ook
dikwijls een bezoek aan het pluimgedierte, als het ten minste niet
te dicht bij een huis is; want even als alle wilde katten, is de los
zeer schuw en bang om in de nabijheid van eene woning te komen. Over
dag slaapt hij op de rotsen, maar zoodra de nacht invalt, begint hij
zijne roof- en vernielingstochten. Zelden waagt hij het groote dieren
aan te vallen, en doet dit slechts dan, als hij zeer veel honger
heeft. De klauwen van den los zijn dun, maar toch zeer gevaarlijk,
want er zitten scherpe punten aan.
De leeuw en de tijger rijten met hunne scherpe klauwen de huid van
hun prooi open; zij werpen gewoonlijk hun slachtoffer met een enkelen
slag van den poot ter aarde, en scheuren vervolgens met hunne klauwen
de huid open. Die klauwen zijn niet zelden aan de punt gespleten;
want door het gedurig aangroeien en omdat zij van onderen zachter
zijn dan van boven, begint de punt te breken en splijt. Daar nu deze
punten op den duur zeer lang worden, krabben de huiskatten, om zich van
dezen last te bevrijden, op de tapijten en aan de pooten der stoelen,
gelijk de wilde katten aan de stammen en takken der boomen. Volgens
Darwin maakt de poema in Patagonië, waar weinig boomen zijn, als
zijne klauwen te lang worden, diepe groeven in den kalen, harden grond.
Ofschoon er eenige soorten van lossen in de warmere luchtstreken
leven, zooals in Spanje en in het zuiden van Noord-Amerika, is de los
eigenlijk een bewoner van de noordelijke gewesten; door de dikte van
zijn huid lijkt het dier veel grooter en zwaarder dan het werkelijk
is, en kan het de strengste koude doorstaan. Hij leeft gewoonlijk in
afzondering, maar er zijn enkele soorten, zooals de karakal van Azië
en Afrika, die, verschillend van de meeste katten, in troepen leven en
hun prooi in grooten getale aanvallen. De karakal heeft lange pooten en
een slank lichaam en loopt zeer schielijk, hetgeen gewoonlijk met de
katten van deze afdeeling niet het geval is. De karakal zwerft over
de vlakten, terwijl de andere soorten het dichte bosch verkiezen,
waar zij zich beter kunnen verschuilen.
De los, die bij oudere natuurkenners ook wel lijnx geheeten werd,
is tweemaal grooter dan een gewone kat. Van kleur is hij van
boven rosachtig, met donkere wolken gevlekt; hals, borst, buik en
binnenzijde der pooten zijn wit. Zeer kenschetsend is een dichte
kraag of bakkebaard, die van de ooren tot onder den hals voortloopt.
Er zijn eene menigte verscheidenheden van deze diersoort, die door
sommige geleerden als soorten beschouwd worden, en waardoor er eene
vrij groote verwarring in de boeken heerscht. De hiernevens afgebeelde
noemt men den poollos. Hij is de voslos der duitsche dierkenners,
en de canadasche los der Engelschen en Amerikanen. Hij heeft een vrij
korten staart, zeer lang en zacht haar, en ooren die met een haarkwast
zijn versierd. Hij is het bloeddorstigste roofdier van het noorden,
en richt grooter slachting onder het wild aan dan de wolf.
De los is ongeschikt om snel te loopen, zwemt echter uitmuntend en
steekt zelfs over breede rivieren heen. De Roodhuiden eten zijn wit en
vast vleesch, hetwelk niet als dat van andere katten een bijzonderen of
onaangenamen reuk bezit, maar even goed als dat van een haas moet zijn.
De huid van den los wordt als handelsartikel zeer op prijs gesteld,
maar is op den eenen tijd veel deugdzamer dan op den anderen, en
verschilt ook zeer naar het land waar het dier leeft. Jaarlijks
worden duizenden van deze dieren in het noorden van Noord-Amerika
gedood, zoodat hun getal zeer vermindert en zij wel spoedig zeldzaam
zullen wezen. De los loopt zeer voorzichtig, alsof hij over elken
stap dien hij doet nadenkt. Dit is vooral het geval wanneer hij een
prooi ontdekt. Om die nauwkeurig gade te slaan, klimt hij verbazend
snel op de onderste takken van een boom, en wacht dan een gunstig
oogenblik af om een sprong te doen.
Op de plaat zien wij hem ook in deze houding. De geiten, die de
nabijheid van haar vijand niet vermoeden, dwalen rond, en komen hoe
langer hoe dichter bij de noodlottige plaats. De los komt evenwel
nog niet te voorschijn, want dan zouden de geiten hem zien, maar
hij luistert en verbergt zich nog dieper in zijn hinderlaag. Met
zijne groene oogen gluurt hij rond, en een zijner pooten heeft hij
al opgeheven om den aanval te doen. Weldra zal zich de gelegenheid
voordoen. De niets kwaads vermoedende geiten komen onder den boom,
plukken de bladeren van de takken af, en eten het korte gras. Terwijl
de speelsche dieren met elkander stoeien, valt de los eensklaps op
zijn slachtoffer aan, en verscheurt het met zijne tanden en klauwen;
de andere geiten, verschrikt door dien onverwachten aanval, loopen
in alle richtingen weg. Als zijn prooi niet te zwaar is, draagt de
los haar in een boschje, waar hij, voor aller oog verborgen, zijn
maaltijd nuttigt om, als hij zeer veel honger heeft, nogmaals in
hinderlaag te gaan liggen en een nieuwe prooi te vermeesteren.