DE SNEEUWVAL.

In landstreken waar hooge bergen zijn, welker toppen met ijs en

sneeuw zijn bedekt, doet zich een natuurverschijnsel voor, 't welk

men sneeuwval of lawine noemt. Zulke lawinen ontstaan doordien het

bergijs soms in brokken en met sneeuw vermengd van de hooge toppen

naar beneden valt. In de Boven-Alpen bijvoorbeeld vallen elken dag

groote hoeveelheden sneeuw en stukken ijs van de steile hellingen en

kammen met een donderend geraas naar beneden. Zulke lawinen worden

gedeeltelijk veroorzaakt door de warmte der zonnestralen, gedeeltelijk

door de gedurige beweging van het bergijs. Gewoonlijk vallen zij op

kale rotsen en zijn dus niet altijd gevaarlijk of schadelijk. Ook

vallen de lawinen veelal op bepaalde plaatsen, en als die plaatsen

bekend en door de omringende rotsen binnen eene enge ruimte beperkt

zijn, kan men er somtijds zeer dicht bijstaan en het vallen van een

lawine zonder levensgevaar bijwonen. F. Galton verhaalde eenige jaren

geleden in het Alpen-dagblad, dat dit het geval is met de lawinen die

aan de noordelijke zijde van den Jungfrau vallen. Hij verhaalt dat de

lawine, welke juist toen hij daarbij tegenwoordig was neerstortte,

haar komst aankondigde door een verschrikkelijk geraas en een dikke

wolk stofsneeuw die ver boven zijn hoofd opstoof. "Ik wist niet wat er

gebeuren zou, en liep weg zoo hard ik kon, totdat ik gerust gesteld

werd door te zien dat de lawine haar gewonen weg volgde. Ik keerde

dus naar mijn vorige standplaats aan den rand der kloof terug, om dat

treffende verschijnsel bij te wonen. Het vallen van de sneeuwmassa's

en ijsbrokken in de diepte der kloof en het geraas, daardoor te weeg

gebracht, waren verschrikkelijk."

De zoogenaamde grond- en stoflawinen richten veel grooter verwoestingen

aan dan de bovengenoemde ijs- of sneeuwlawinen, want zij vallen bijna

altijd op bewoonde streken, en verpletteren duizende boomen, gebouwen

en zelfs geheele dorpen in hun val. Het ontstaan der sneeuwvallen

is niet zoo van het toeval afhankelijk als wij, menschen uit de

vlakte, ons dat verbeelden, want op vele plaatsen heerscht daarin

zekere regelmatigheid. Natuurlijk dragen daartoe de helling der

rotsmuren en de rijkdom aan sneeuw van het jaargetijde het meeste

bij. Daarom let men daarop bij het bouwen van woningen op de bergen,

en worden zulke onveilige plaatsen vermeden. De Alpenbewoner ziet

niet zelden het aanstaande nedervallen of losbreken van een sneeuwval

vooruit. Dikwijls keert hij op een verren tocht, dicht bij zijn

doel, om en maakt liever een omweg, wetende dat zijne voetstappen

den sneeuwval aan zijne zijde kunnen doen nederstorten.

Dit geldt vooral van de zoogenaamde stuifsneeuwvallen, die voor de

gevaarlijksten doorgaan. Zij vertoonen zich vooral bij hevige koude,

als de wind bij aanhoudend sneeuwen groote sneeuwhoopen tegen steil

afloopende rotswanden aangewaaid heeft. Men noemt ze daarom ook

wind- of slagsneeuwvallen, daar zij van een vreeselijke luchtdrukking

vergezeld gaan, die alleen reeds in staat is om boomen en hutten omver

te werpen. Daar hun nederstorten niets anders is als het afglijden van

groote sneeuwmassa's, heeft men op niet al te gevaarlijke plaatsen met

goed gevolg aan den ondersten rand van zulke glijplaatsen of glippen

hooge dammen van steenen opgericht, die tot beschutting dienen van

het daar beneden liggende dal.

De wilde dieren die in de bergen leven en aan de gevaren die hen

dreigen gewoon zijn, worden toch somtijds door deze lawinen overvallen

en er onder bedolven. Niettegenstaande hare vlugheid komt de gems er

even goed bij om 't leven als de minder vlugge marmotten, en in de

lente vindt men de geraamten der slachtoffers dikwijls in de sneeuw

terug. Ook heeft men doode gemzen bij boomen gevonden, onder welks

takken zij geschuild hadden. De takken, die door de zwaarte van de

sneeuw naar den grond gebogen waren, hadden haar als het ware in

een kooi opgesloten en verhinderd te vluchten. Zulke gevallen zijn

echter zeldzaam, ofschoon de gemzen in den winter dikwijls onder

denneboomen schuilen.

Sommige vogels, zooals het korhoen en het hazelhoen, komen ook

dikwijls in de sneeuw om. Als de sneeuw los is, dringen zij er in,

om zich tegen de koude of voor een of anderen vijand te beschermen,

en als zij 's avonds in de sneeuw kruipen, blijven zij er tot den

volgenden morgen in. Als het nu in den nacht hard begint te vriezen,

vormt zich een harde korst aan de oppervlakte; de vogels kunnen daar

niet doorheen komen en sterven van honger.

Behalve vogels en gemzen worden soms ook grootere dieren door de sneeuw

overvallen; maar, daar zij geen vreemdelingen op de bergen zijn,

worden zij slechts overvallen door kleine lawinen of sneeuwwolken,

die hen wel voor eenige oogenblikken bedekken maar niet dooden. Zulk

eene gebeurtenis wordt op de nevensgaande plaat afgebeeld.

Eenige herten loopen langzaam over een bergpas in de Schotsche

Hooglanden en zoeken een goeden weigrond. Zij vermoeden geen gevaar,

en de gehoornde leider van het troepje loopt voorzichtig met gebogen

kop vooruit en denkt aan niets als aan zijn voedsel. De schuwe hinden

steken telkens haar bevalligen kop in de hoogte, spitsen de ooren en

snuiven den frisschen bergwind op, om te ruiken of er ook gevaar in

de nabijheid is.

Zoo gaan de dieren verder, ondanks hun scherp gezicht en scherpen reuk

toch niet in staat het gevaar waaraan zij bloot staan te voorzien. Op

eenigen afstand, boven het enge, kronkelende pad 't welk zij volgen,

verheft zich een groote klip, in een smetteloos wit gewaad gehuld. Zij

staat daar zeer onschuldig, en geeft niet de minste reden om te

vermoeden dat zij zich weldra van de rots zal losmaken. Terwijl de

dieren naderen, vallen er reeds eenige sneeuwklompen naar beneden;

de bok staat stil, beweegt zijn kop, snuift door de neusgaten, en

de hinden kruipen schuw achter hem weg. Maar nu wordt alles weder

stil, en de dieren vervolgen hun weg. Onder de witte klip gekomen,

laat zich een onbepaald, geheimzinnig, dreunend geluid hooren, en de

geheele massa valt eensklaps met een donderend geraas naar beneden. De

ongelukkige dieren worden in een dichte wolk van sneeuw gehuld. Zij

doen wanhopige sprongen om zich te redden, en trachten zich met

hunne hoeven een weg door de sneeuw te banen. Eindelijk gelukt hun

dit. Verheugd zien zij om zich heen, en nu de zon hen weer beschijnt,

springen zij, gelukkig aan den sneeuwval ontkomen, vroolijk verder.

Schetsen uit de Dierenwereld · 第 18 / 24 题