Uw Vriend

Willem Victor.

Een half uur van vreeselijke spanning gaat voorbij. Daar komt de

bediende terug. Hij heeft een klein briefje in de hand. Zenuwachtig

scheurt hij 't open. 't Waren slechts een paar woorden:

Waarde Heer Victor!

Ik zwicht voor uw aandringen. De ontmoeting, die gij mij voorslaat,

is pijnlijk voor mij, maar nu ik zie, dat gij de ware reden van

mijn gedrag jegens u niet kent, en ik niet gaarne verkeerd door

u beoordeeld word, stem ik toe. Bovendien zou 't mij spijten,

iemand te grieven, die zich nog mijn vriend noemt. Ik wacht u

nog dezen namiddag.

Clara Van Merenstein.

Victor gelooft zijn oogen nauwelijks. Hij zal haar dan eindelijk zien

en spreken, eindelijk zijn hart eens kunnen uitspreken!

In een oogwenk is hij ter plaatse, belt aan, en wordt in een elegant

salonnetje gelaten. In een eenvoudig, maar smaakvol kleed zit een

jonge vrouw in een album te bladeren. 't Is Clara. Bleek, maar zich

beheerschend, treedt zij op hem toe als hij binnenkomt.

"Clara!" roept Victor met hevige ontroering.

De ander buigt, biedt haar hand, en zegt koel beleefd:

"Mijnheer Victor."

Hoe koud klinkt hem dat in de ooren! O, zeker, ze voelt niets voor

hem. Ze beoordeelt hem nog steeds verkeerd. Hij mòet thans alles

zeggen. Hij doet niets om zijn zenuwachtigheid te verbergen. Laat

ze zien, hoe hij geleden heeft, hoe hij gesmacht heeft naar dat

oogenblik.... Hartstochtelijk zegt hij:

"Waarom die koele toon, Clara? Zijn we dan nooit anders dan

vreemdelingen voor elkaar geweest? O, ik weet 't, er is laster

geweest, lage laster geweest, die mij bij je beklad heeft. Bij God,

Clara, ik heb mij nooit misdragen. Ik heb me tegenover je, niets,

niets te verwijten...."

"Laten we daarover zwijgen, Mijnheer Victor," valt de jonge vrouw

in. "Ik moet tot mijn schande bekennen, dat er een tijd is geweest

dat ik u miskend heb. U verzekert me nu, dat ik gedwaald heb.... Ik

neem 't gaarne aan. Ik wil gelooven, dat uw vriendschap voor mij

onverminderd is. Vergeef mij mijn onrecht jegens u."

"O, van harte gaarne." De tranen dringen hem naar de oogen.

"'t Was niet daarom, dat ik u vermijden wilde...." gaat Clara

voort. Er is een trilling in haar stem, die ze te vergeefs tracht

te onderdrukken. Dan, als met geweld: "Ik wilde breken met 't

verleden.... 't Heeft mij.... niets dan verdriet gegeven.... Ik ben

een nieuw leven begonnen."

't Bloed stijgt haar naar de wangen. Ze voelt zich in hooge mate

ongemakkelijk. Voor dat open, eerlijk, mannelijk gelaat, dat haar

met zooveel ware ontroering aanziet, slaat zij den blik neer. Oude

herinneringen aan de gelukkigste oogenblikken harer jeugd wellen

onstuimig op in haar geest. O, ze heeft dagen achtereen gestreden,

van 't oogenblik af, dat zij weigerde hem in haar loge te Milaan te

ontvangen. Maar 't verleden moet dood voor haar wezen, ze mag niet zwak

zijn. Ze moet slechts leven voor haar roeping, haar kunst. Slechts

daarin immers kan ze nog gemoedsrust vinden. Ze mag immers niet

luisteren naar die zoete lokstem uit het verleden, haar hart niet weer

openen voor de eenige ware liefde, die zij ooit voor een man gevoeld

heeft; want ze kan dien man niet gelukkig maken. Hoe zou ook hij

lijden, als hij te laat bespeurde, hoe haatdragend de wereld is, hoe

deze haar niet eerde, zooals zijn echtgenoote behoort geëerd te worden.

O, hoe had ze zich vergist! Ze waande haar hart vrij van allen

liefdedrang, behalve voor haar kunst, en nu haakte haar ziel met

onstuimig verlangen naar de vereeniging met dien man! Maar ze geeft

den strijd niet op. Wegrukken uit haar hart zal ze, die belaagster

harer rust, die liefde zonder hoop, al krimpt ook haar diepste wezen

van smart. 't Zal maar korte pijn geven, niets wezen bij 't levenslange

verdriet, als ze dien man ongelukkig zag aan haar zijde.

Victor heeft haar een poos zwijgend en met innige deernis aangezien.

"Ik weet alles," zegt hij zacht, "alles, Clara. Ik weet, dat je diep

ongelukkig bent geweest. En waarlijk niet door eigen schuld...."

"O, verontschuldig me niet," valt Clara hartstochtelijk in. "Ik doe

't mezelf niet.... Maar ik heb mijn schuld zwaar geboet."

"Ik heb je steeds in mijn hart verontschuldigd, nooit aan al den laster

gehoor gegeven, Clara, en blijf 't doen!" roept de jonge man uit. "Dat

noodlottig huwelijk is de schuld van alles. Dat is je eigen werk niet

geweest. Je waart 't slachtoffer. Voor mij ben je dezelfde gebleven,

Clara, trots alles, dezelfde van vroeger, van vóor je huwelijk. Ik

beklaag je diep. Je kunt niet gelukkig zijn, ook nu niet."

"Toch ben ik 't geweest.... Tevreden met mijn nieuw leven. En ik

zal dat weer wezen.... Je ontmoeting heeft weer oude herinneringen

opgewekt.... maar dat is voorbijgaand. Ik zal er gauw overheen

zijn...." Dikke tranen rollen over haar wangen.

"Voorbijgaand? 't Mag niet voorbijgaand zijn, zeg ik je," roept Victor

vurig. "Dat is je goede geest, die in je spreekt, Clara, je lieve, echt

vrouwelijke natuur, die de overhand krijgt. O, ik weet 't, je houdt

nog altijd van me. Waarom zou je jezelve geweld aandoen? Waarom zou je

niet nog een man gelukkig willen maken, die geen heerlijker levensdoel

kent dan jou geluk te geven? Je bent dezelfde voor mij als voor drie

jaren, neen meer, beter, gelouterd door verdriet en strijd...."

Hij was opgestaan en stond nu vlak vóor haar, vol angstige verwachting.

"O, Willem, spreek zoo niet!" en ze barst in snikken uit. "'t Kan

niet, 't kan niet." Ze wendt het gelaat af, wanhopig worstelend met

het machtige gevoel, dat haar dreigt te overweldigen.

"Maar waarom dan toch niet?!" roept de jonge man uit. "Geef toch

die dwaze illusie op, om gelukkig te willen zijn in je kunst

alleen. Inbeelding, en niets anders! 't Huwelijk is de roeping van

iedere rechtgeaarde vrouw. En een vrouw als jij moet den man gelukkig

maken, die haar liefheeft."

"Je kunt nooit gelukkig zijn met mij!" valt Clara in. Dan, met

neergeslagen blik, weifelend: "Men zou me niet waard vinden.... je

vrouw te worden."

"Dat ben je wel! Hoeveel maal moet ik je dat verzekeren? Een ieder,

met wien je daar in een land, waar niemand je kent, in aanraking zal

komen, zal je eeren en achten om je lieve eigenschappen, je zult er

een nieuw leven beginnen, en eindelijk gelukkig zijn, daar ben ik

zeker van. Niet waard mijn vrouw te worden! 't Zal mij een eer zijn

mijn leven aan je te wijden."

Clara antwoordt niet. Snikkend verbergt ze haar gelaat in haar handen.

"Je wilt wel, nietwaar? Daar te Pretoria in Zuid-Afrika heb ik een

goede positie. Ik kan je een onbezorgd leven geven, je op de handen

dragen. Ik wil er de menschen in Holland buiten laten, als je dat

wenscht. Vertrek met mij, dan kunnen we daar trouwen."

Met schier bovenmenschelijke inspanning bedwingt Clara haar smart. Aan

dit tooneel moet een einde komen. Ze wischt haar tranen af, en den

jongen man vol aanziende, zegt ze thans kalm:

"Droomen, Willem. Ik weet, dat je 't goed meent, maar dat is alles

onuitvoerbaar. Je kunt je moeder niet buiten de zaak houden. En al

deed je 't ook," haast ze zich erbij te voegen, als de ander in de

rede wil vallen, "ik kan mezelf niet dwingen. Als ik dezelfde was

als voor drie jaar, dan zou ik geen oogenblik aarzelen. Ik stel je

achting op prijs, zeker, maar jouw achting kan mij de achting van de

wereld niet teruggeven. Ik blijf erbij. In 't huwelijk is voor mij

geen geluk meer. Blijf in vriendschap aan me denken. Ik zal jou ook

nooit vergeten."

't Is Victor te machtig. Driftig doet hij een beweging, als wilde hij

op den grond stampen. Hij voelt behoefte, om iets tusschen zijn vingers

te verbrijzelen. Hij doet een paar schreden in de kamer, om zijn

geweldige aandoening te beheerschen, met op elkaar geklemde tanden.

"Je volhardt dus in je dwaze idees! Je wilt je zelf en mij ongelukkig

maken, met moedwil? O, je kunt 't niet meenen." De vastberaden

uitdrukking op haar gelaat maakt hem radeloos.

"Zeg, dat je 't niet meent, Clara! Ik kan 't niet gelooven."

"Zoowaar als je me liefhebt, Willem. Er is nu eenmaal niets aan

te doen. Wees toch kalm, en draag het als een man. Ook mij zal 't

strijd kosten, dit tooneel te vergeten, geloof me. Maar ik weet, dat

't eenmaal zoo moet zijn. Laten wij aan dit pijnlijke gesprek een

eind maken. 't Leidt tot niets dan tot kwelling voor ons beiden."

"Je besluit is dus onherroepelijk? Geef me tijd. Misschien verander

je nog van inzicht...."

"Ik mag je geen hoop geven, Willem. Laten we als vrienden scheiden,

voor goed."

"Goed, ik zal gaan," mompelt de jonge ingenieur in doffe

mismoedigheid. Dan, na een poos zwijgens, met een opflikkering van

hoop in zijn donkere oogen: "Toch geloof ik, dat je eenmaal nog

van je dwaze zelfverblinding zult genezen. Ik blijf daarop hopen,

al moest ik er tien jaar op wachten."

Clara schudt weemoedig 't hoofd.

"Mijn besluit is geen gril van 't oogenblik, Willem," zegt ze zacht

en meewarig. "Ik heb lang nagedacht. 't Huwelijk is voor mij niet

weggelegd, alle illusiën daarover moet ik bannen uit mijn hart...."

"Goed, goed," valt Victor in. "Zoo denk je nu. Als je weerzin begint

te voelen voor je kunstenaarsleven, dat je nu zoo hoog stelt, denk

dan aan mij. Je zult me wachtende vinden. Beloof je me dat? Eén brief

aan mij, en alles is in orde."

"Waartoe zoo'n belofte, die toch nooit eenig resultaat kan geven?"

"Laat dat daar. Beloof 't me toch. Doe 't om me éen gunst te bewijzen."

"Maar ik màg je geen hoop geven...."

Hij ziet 't nuttelooze van verder aandringen in.

"Nu, in Godsnaam. Dan doe ik je deze belofte, Clara: ik zal wachten,

geduldig wachten, jaren achtereen desnoods, als God me 't leven laat,

en uitzien naar 't woord, dat me gelukkig zal maken. En 't zàl komen,

Clara."

"'t Doet me verdriet, dat je blijft toegeven aan die ijdele droomen,"

antwoordt de jonge vrouw, hem haar hand reikend.

Zwijgend drukt hij die in de zijne. Dan, zijn aandoening vermannend:

"'t Ga je goed, Clara. Je hebt me veel leed gedaan, maar mijn hoop

zal me kracht geven.... God zegen je."

Nog eens drukken ze elkaar de hand.

Eenige oogenblikken later is ze alleen. Het hoofd op de hand geleund,

staart ze naar buiten. De duisternis is geheel ingetreden, en een gure

motregen ritselt tegen de ruiten. Daar buiten is 't kil en eenzaam

als in haar gemoed. Het tooneel van daareven schijnt haar geen

werkelijkheid, 't is als de geluksdroom van een ten doode gedoemde

kranke. Victor's woorden weerklinken nog in haar geest:

"En 't zàl komen, Clara...."

En haar oogen staren, zonder traan. Haar ziel schreit.

Clara van Merenstein: Haagsch-Indische Roman · 第 33 / 35 题