LIEFDE OF KUNSTROEPING.

Die flegmatieke talen-automaat ergert den jongen ingenieur

onuitsprekelijk. Hij wendt zich kregelig van hem af, en gaat de

groote eetzaal binnen. Wellicht hoort hij aan 't ontbijt iets, dat hem

voldoende inlicht. Hij komt toevallig naast een jongen Franschman te

zitten, een miniatuur-baronnetje met klein kneveltje en sikje, een

lorgnet op, en een onbeschrijfelijke uitdrukking van vroegrijpheid

en brutaliteit op 't jeugdig gezichtje. Victor brengt spoedig het

gesprek op de zangeres.

"O, jawel, jawel, gisteravond gehoord, prachtig, onbetaalbaar,

appétissante vrouw, énivrante, ma foi!"

Victor onderdrukt een opwelling van nieuwe ergernis.

"Ja, ze is vertrokken, nietwaar? Zeker om haar kunstreis voort te

zetten?" vraagt hij quasi-onverschillig.

"Kunstreis, ja, dat is te zeggen, ze zou drie avonden zingen. Kleine

oneenigheid met theaterdirectie, denk ik. Gevlogen. Och, 't zijn

luchtige, lichte vogeltjes, die diva's, wat zegt u?"

"Maar," vraagt Victor verder, op zijn snor kauwende, "waar zou ze

van hier heen gegaan zijn?"

"Laat me 's zien," zegt 't ventje: "Ik.... och, neem u even de

courant. Garçon! Le Secolo!" Het Italiaansch blad wordt aangereikt,

en het baronnetje geeft het aan zijn buurman.

"'t Staat daar in, meen ik," legt hij uit. Victor glimlacht verlegen:

hij leest geen Italiaansch. De ander slaat een vluchtige blik in het

blad, en zegt dan:

"Naar Rome, juist, 't is waar ook. Misschien is ze nu wel direct

daarheen gegaan. Best mogelijk."

Victor luistert met zooveel naïeve aandacht, dat het spotzieke ventje

hem lachend aanziet.

"Ook al onder de betoovering?" vraagt hij. "Nareizen? Gevaarlijk

spelletje, die actrices. Kan u wel van raad dienen." 't Kleine

gezichtje kijkt bijzonder wijs.

"Dank u," bromt Victor, en de toornige blik, dien hij zijn nietig

buurmannetje toewerpt, brengt al diens praatlust op eens tot 't

doode punt.

Zoo, Rome dus? Zal hij dien weg gaan, en kans loopen, dat ze er niet

is? Als ze hier haar contract gebroken heeft, wie waarborgt dan,

dat ze te Rome haar beloften zal nakomen? En dan, hij komt pas zelf

van dien kant. Maar dat is niet 't ergste. Met genoegen offert hij

ook zijn doorkaartje naar Holland op, als hij maar zekerheid had,

haar te zullen vinden. In Godsnaam, 't moet dan maar. Spreken zàl

hij haar, al moest hij haar tot in Petersburg nareizen. Als hij een

poos later de vestibule doorgaat, om zich naar 't station te begeven,

spreekt de tolk-portier hem met een ironisch lachje aan.

"Soms een portret koopen van de artiste? Is hier te krijgen. Daar

hangen ze, Mijnheer."

Victor ziet om, en ontwaart eenige goed-geslaagde photographieën in

een glazen kastje aan den muur. Dadelijk koopt hij er een. 't Is hem

een troost, hoe gering ook, dat lieve gelaat in de eenzaamheid te

kunnen beschouwen, zooveel hem lust.

Een half uur later is hij op weg naar de Eeuwige Stad.

Wie had hem twee dagen te voren kunnen voorspellen, dat hij zoo

spoedig dat traject terug zou afleggen! Hoe geheel anders was zijn

gemoedstemming, toen en nu: toen vreugde, dat hij Europa weer terugzag,

blijde verwachting van een hartelijke ontvangst, thuis in 't lieve

Holland, kalme, berustende tevredenheid voor 't tegenwoordige en in

't vooruitzicht, thans slechts éen verlangen--Clara--en zijn gansche

ziel in onrust en beroering.

't Landschap, waar de trein doorsnorde, somber en eentonig, vooral

nu het winter was, kon hem weinig afleiding geven, ook al had hij

vatbaarheid daarvoor gehad. 't Was een lange, vervelende rit.

Eindelijk, den volgenden ochtend vroeg, stapte hij aan 't station

af. Hij had een goeden nacht gehad. Zijn gezond gestel had zijn rechten

hernomen, en hij voelde zich bijzonder opgewekt. Dadelijk reed hij

naar een hotel, en informeerde daar naar 't groote theater. Nog in

den voormiddag vervoegde hij zich daar, en reeds spoedig vernam hij,

dat de verwachte diva een telegram gezonden had, meldende, dat ze om

dringende redenen verandering in haar reisplan gemaakt had.

"Waar kwam dat telegram vandaan?" vroeg Victor teleurgesteld.

"Van Venetië, 't is juist ontvangen."

"Dank u."

Mistroostig ging de jonge man de treden van de trap af. Hij had dus die

ellendige reis voor niets gedaan! 't Telegram was uit Venetië.... Zou

ze daar gezongen hebben? Ja, misschien net eens, en dan daarna? Goede

God, wat een dolmakende onzekerheid!

Dan naar Venetië, denzelfden dag nog. De avondtrein vertrok om zes

uur. Goed. Te Venetië zou men wel iets van haar afweten. Of anders kon

hij tegen dien tijd wellicht iets over haar in een courant vinden. 't

Hinderde hem geweldig, dat hij geen jota Italiaansch verstond: hij zou

't zich moeten laten voorvertalen.

De stad der oudheden, der kunstenaars, van den Paus, het Vaticaan, het

Quirinaal, had niets aantrekkelijks voor den onspoedigen reiziger. Hij

zou er anders zijn hart hebben opgehaald aan al 't schoons--hij had er

smaak genoeg voor--maar zijn haast en opwinding gedoogden thans geen

oogenblik aandacht daarvoor. Den ganschen dag bleef hij in zijn hotel,

nu en dan het portret zijner aangebedene voor den dag halend, om er in

stille verrukking naar te zitten staren. Een half uur vóor den tijd

wandelde hij reeds op en neer op het perron van het station, de eene

sigaar na de ander rookend. Hij constateerde tot zijn verbazing, dat

hij een sterk rooker was. 't Scheen, dat hij zich verbeeldde afleiding

te vinden door de wolkjes van zijn manila droomerig te volgen.

Weer in den trein, weer een nacht in het nauwe bedje van den

slaapwagen, en een halven dag eentonig voorthotsen door een

winterlandschap. Daar was hij te Venetië. De dichterlijke stad der

kanalen en gondels was hem alleen interessant als mogelijke plaats

van oponthoud voor Clara. In 't hotel gunde hij zich nauwelijks

den tijd, om zich wat op te frisschen, vroeg naar het theater,

en snelde daarheen. 't Was namiddag, en hij kon gelukkig aan het

bureel terecht. Men wist daar echter niets van de zangeres af. Zij

had er niet gezongen en zou er niet zingen! Nieuwe verlegenheid. Wat

nu? Terug naar 't hotel, en daar de couranten ingezien. Een gedienstig

kellner hielp hem zoeken. Hij vond niets nieuws, niets: alleen het

plotselinge vertrek der diva uit Milaan, waarheen wist men niet. Hij

had zich die reis naar Rome waarlijk wel kunnen besparen, dacht hij nu:

't Was toch duidelijk, dat zij, als ze hem ontgaan wilde--en dat moest

wel--niet naar de plaatsen zou gaan, welke in de courant reeds genoemd

waren als haar aanstaande reisbestemming. Neen, zij moest een nieuw

reisplan gemaakt hebben. Hij dacht aan Weenen, Buda-Pesth, Berlijn,

Petersburg; want te Parijs was zij nog niet lang geleden geweest. Hij

zou zien, voorloopig afwachten. Ongetwijfeld zou het doen en laten

van zulk een beroemdheid als Tizia Beatincanti niet onopgemerkt

blijven. Ware ze naar Weenen, dan zou er wel iets van in de dagbladen

vermeld staan. Hij had dus een paar dagen vóor zich. Haar optreden

te Weenen of op éen dier andere plaatsen zou dan wel blijken. Met een

zucht besloot hij in Godsnaam maar een paar dagen werkeloos te blijven.

Zijn geduld werd niet lang op de proef gesteld. Reeds den volgenden

ochtend vernam hij aan 't ontbijt uit een morgenblad, dat de beroemde

diva Tizia Beatincanti de hoofdstad der Magyaren met haar bezoek

vereerd had. Een ontzaglijke ovatie wachtte haar daar; want de

naijverige Hongaren waren verrukt, dat zij eerst hunne hoofdstad

bezocht, voordat zij zich nog te Weenen had doen hooren.

Naar Buda-Pesth dus. Hemel, hij werd een reiziger van professie op

die manier! Onwillekeurig lachte hij bij al zijn tegenspoed. Zou

zijn moeder hem niet wachten in Holland? Waarschijnlijk niet, want

ze wist niet wanneer precies hij in Holland zou aankomen. Hij had

haar willen verrassen. Dat kwam dan gelukkig goed uit. Als nu maar

dat onzinnige krijgertje spelen spoedig een einde nam. Verbeeld je,

dat hij gansch Europa zóo door moest vliegen, om haar eindelijk in

Lissabon of Stockholm te vinden!

Weer snorde de trein met hem voort, uit de lage delta-landen

van Venetië naar de schoone bergstreken. Doch niets boeide

hem. Zijn gedachten vlogen vooruit. Kruipend schakelde uur zich aan

uur. Buda-Pesth. 't Was avond, de voorstelling in den schouwburg--als

die gegeven werd--zou wel spoedig aanvangen. Hij spoedde zich naar

een hotel, en was dadelijk op weg naar 't theater. Daar waren de

aanplakbiljetten nog, reusachtig groot: met ontzaglijke letters las

hij er: Tizia Beatincanti. Jawel, zij hàd gezongen. De schouwburg

was open, en er werd een opera-voorstelling gegeven, maar zonder

haar! Doch op 't zelfde biljet ziet hij aangekondigd, waarheen de

diva zich na Buda-Pesth begeven zal: Weenen. Daar zal ze zeker een

paar avonden optreden. Regelrecht van den schouwburg rijdt hij Victor

naar 't station, om naar den Weener sneltrein te informeeren. Hij is

te laat, den volgenden ochtend is er weer een.

De nacht van oponthoud schenkt hem heilzame rust, hoognoodig in zijn

opgewonden toestand. Weenen bereikt hij in den avond. Hij geeft zich

geen tijd, om naar een hotel te gaan. Onmiddellijk richt hij zich

naar 't Hoftheater. Daar zal hij de voorstelling bijwonen--Goddank,

men speelt dien avond, en Tizia zingt--dan zal hij zijn spionage van

Milaan herhalen, en in 't zelfde hotel gaan logeeren als de zangeres.

Den ganschen avond is éen extase voor hem, schoon hij niets

ziet of hoort dan de diva alleen. Het overige laat hem volmaakt

onverschillig. Hij had gehoopt een plaats te zullen krijgen, waar hij

voor de zangeres duidelijk zichtbaar was, maar ongelukkig maakte zijn

late komst dat onmogelijk. Zijn onbekendheid met den inhoud der opera,

die men geeft,--hij heeft niet eens een tekstboekje--is oorzaak, dat

hij in de laatste tooneelen van het laatste bedrijf haar weder-opkomen

verwacht, terwijl haar rol reeds uitgespeeld is. Als hij dus bij 't

einde van 't stuk tot zijn schrik ontwaart, hoe hij zich vergist heeft,

en haastig naar den ingang voor de artisten gaat, ziet hij daar wel

achtereenvolgens de andere spelers van dien avond heengaan, maar Tizia

niet. Blijkbaar is ze reeds eenige minuten te voren heengegaan. Had

hij nu maar dadelijk naar haar adres geïnformeerd! "Onvergeeflijke

zorgeloosheid!" denkt hij. 't Is te laat, om nog den schouwburg

in te gaan, 't personeel is al naar huis; want hij heeft zeker een

kwartier buiten staan wachten. 't Is dicht bij middernacht. Wat zal hij

beginnen? Een rijtuig nemen en aan de verschillende hotels informeeren,

dat is wel 't rationeelste. Daarmee wachten tot den volgenden ochtend

is gewaagd: ze mocht eens weer vertrokken zijn. De koetsier van zijn

rijtuig kijkt vreemd op, als hij zijn opdracht krijgt: al de groote

hotels, er zijn er zoo enkele in 't groote Weenen!

De tocht begint, en duurt een paar uur. Nergens weet men iets van de

diva af! Dan nog eens de hotels tweede rang? Lieve hemel, dat loopt

in de dozijnen! De koetsier wil er niet aan. Victor moet een ander

rijtuig zoeken.

Voort gaat 't weer door de stille straten. 't Wordt twee uur, drie

uur, nergens een spoor. Eindelijk geeft hij 't op. Aan 't hoeveelste

hotel hij 't laatst geïnformeerd heeft, weet hij niet meer: hij

duizelt ervan.

Wat daaruit af te leiden? Dat Tizia niet in een hotel logeert? Zeer

waarschijnlijk. Maar in dat geval logeert ze hier of daar bij

vrienden; want 't is niet waarschijnlijk, dat ze voor den korten

tijd van haar optreden te Weenen kamers gehuurd zal hebben. Aan 't

postkantoor, of anders aan 't theater zelf, zal men hem morgen wel

kunnen inlichten. Met dat hoopvolle denkbeeld laat hij zich ten slotte

doodmoê aan de deur van 't laatste der langsgereden hotels afzetten.

Den volgenden ochtend vroeg is hij weer op 't pad. Eerst naar 't groote

postkantoor. Daar weet men van niets: hij zal aan éen der bijkantoren

moeten wezen. Maar welk? Dan maar eerst naar den schouwburg. Aan

't bureel kan men hem niet op de hoogte stellen! Dat is afgesproken

werk, denkt de jonge man bijna wanhopig. Nog éen kans heeft hij:

aan éen der verschillende kleine postkantoren moet men 't weten. Weer

dus een rit door de stad. Aan 't derde kantoor verneemt hij, dat de

diva al haar brieven daar "poste-restante" laat aanhouden, en ze laat

afhalen. Haar adres kent men er niet. "Ze moet daar een bedoeling mee

hebben!" denkt Victor, "ongetwijfeld vreest ze, dat ik haar vinden

zal." Schier radeloos verlaat hij het postkantoor. 't Eenige, dat hij

nu weet, is, dat ze niet ver van dat laatste kantoor moet wonen. Maar

wie zal hem inlichten!

't Loopt inmiddels naar den middag. Dien avond speelt de groote opera

niet. Welk een zee van tijd tot morgenavond. Hemelsche goedheid,

hoe zal hij die doorkomen? Morgenavond kan hij weer de zangeres aan

den uitgang van den schouwburg opwachten. Dan zàl hij uitvinden waar

ze woont, al moest hij den ganschen nacht haar rijtuig achterna rijden!

Voorloopig dus geduld hebben. Hij gaat naar een restaurant, gebruikt

haastig wat, en koopt daarna een boek. Hij zal zien wat te lezen in

een café. 't Prado ligt met zijn kale boomen vóor hem. Hij zit vlak

vóor aan 't raam, en kan de voorbijgangers zien. Rookende, lezende

en uitkijkende, en onderwijl aan een glas bier nippend, zal hij zijn

tijd trachten te dooden tot het diner.

Reeds een uur zit hij zoo zich te vervelen, als plotseling een

voorbijsnellend rijtuig zijn aandacht trekt. De dame, die er in zit,

is de zoo lang gezochte! Hij springt op. Goddank, dat loopt mee. 't

Geluk dient hem dan toch. Hij betaalt haastig, en vliegt de straat

op. Er staan huurrijtuigen in de buurt. Hij neemt er een, en rijdt het

sierlijke coupétje na. 't Is het Prado opgegaan, een breeden langen

weg op, dat treft bijzonder goed; in de stad zou 't spoedig uit 't

oog zijn. Een klein kwartier later houdt het voorste rijtuig stil

bij een elegante, kleine villa.

"Nu kan 't nog wezen, dat ze daar een bezoek brengt; maar dat is toch

onwaarschijnlijk," bromt Victor in zichzelven. Hij laat zijn rijtuig

wachten. Een uur later is de dame uit het coupétje nog niet voor den

dag gekomen. Hij is dus vrij zeker, dat ze daar woont of ten minste

logeert. Zichzelf dadelijk aanmelden, zal wel niet gaan. Ze zal hem

niet thuis geven misschien.... Het beste is, dat hij een briefje

zendt, en haar dringend om een onderhoud verzoekt. Zoo gezegd, zoo

gedaan. In een café vraagt hij om 't noodige schrijfgereedschap, en

eenige minuten later is een bediende met zijn briefje naar de villa

met last, om op antwoord te wachten. 't Luidt aldus:

Waarde Clara!

Waarom gunt gij een oud vriend niet, u eens te ontmoeten? Jaren

van scheiding hebben mij u niet doen vergeten, en ik brand van

verlangen, om u eindelijk eens weer te zien. Waarlijk, ik heb 't

niet aan u verdiend, zoo door u geschuwd te worden. Niet anders

dan een misverstand kan u van mij vervreemd hebben. Laat mij dat

thans uit den weg ruimen, nu de gelegenheid zich aanbiedt. Een

weigering zou me ontzaglijk spijten. Ik heb u nagereisd, dagen

achtereen. Wees niet wreed jegens iemand, die voor u altijd de

zuiverste gevoelen gehad heeft. Sta mij een oogenblik te woord,

nu van middag nog, als 't mogelijk is. Ge verliest er immers niets

bij. Geloof mij, 't is mij ondragelijk te denken, dat gij niet met

dezelfde vriendschap aan mij denkt als vroeger. Ik heb er al jaren

onder geleden. Gij zult mij niet afstooten, nietwaar? Wellicht

zou 't u berouwen, verdriet te hebben gedaan aan iemand, die zich

zoo gaarne noemt

Clara van Merenstein: Haagsch-Indische Roman · 第 32 / 35 题