VIII.

'T BOOZE OOG.

Over het ruime plein--de "aloen-aloen"--ter hoofdplaats Poerwanegara

schijnt een breede lichtglans uit de aanzienlijkste woning, die daar

staat, en 't anders zoo flauwe schijnsel der enkele straatlantaarns

in de onmiddellijke nabijheid wordt er geheel door verdrongen, zoodat

ze den indruk van gloeiende spijkers maken.

't Is feest in 't sierlijke assistent-residentshuis. De nieuwe

dignitaris, de heer Van Breeveld heeft sinds een week het bestuur der

afdeeling aanvaard, en nu moet dat heugelijke feit met een schitterende

avondpartij gevierd worden. Al de ambtenaren van eenig aanzien, de

officieren en de vele koffie-planters van de plaats en mijlen ver

in den omtrek zijn met hunne dames op 't feest genoodigd. De mare

is den nieuwen burgervader reeds vooruitgegaan: iedereen wist reeds,

voordat hij ter plaatse was, dat hij rijk, en met een "beeld van een

vrouwtje" onlangs van verlof naar 't moederland teruggekeerd was. Men

vlaste erop, dat nu het zoo stille plaatsje eens wat opgevroolijkt zou

worden. De beide vorige assistent-residenten waren gezegend met een

vrij groot gezin, hadden geen geld en geen mooie jonge vrouw. Jaren

achtereen was het dus te Poerwanegara bijzonder saai geweest. Er kwam

bij, dat de regent ter plaatse alles behalve een gezellig heer was:

hij gaf hoogst zelden een feest, en hield zich meestal stelselmatig

buiten contact met de Europeesche wereld. De sociëteit, niet lang

geleden gebouwd, zat nog diep in de schuld; want de architect had

van de gelegenheid gebruik gemaakt, om er een aardig duitje uit

te kloppen, en het tempeltje der gezelligheid had handen vol geld

gekost. Van feesten daar kon dan ook niet veel sprake zijn. Geen

wonder dus, dat de gansche afdeeling Poerwanegara--het Europeesche

element daarin althans--juichte, toen eindelijk kon verwacht worden,

dat aan al die verveling een einde zou komen.

Dat Europeesche element was voor een binnenlandsche afdeeling op

Java vrij talrijk. In de buurt der hoofdplaats was een benteng met de

noodige officieren en manschappen, bij en om het oord lagen ettelijke

landelijke ondernemingen, en op de plaats zelf waren een twintigtal

Europeanen gevestigd, deels ambtenaren, deels particulieren. Alleen het

binnenlandsch bestuur telde er een viertal controleerende ambtenaren

buiten den assistent-resident.

Van Breeveld was erg in zijn schik met de afdeeling, waarover hij

gesteld was. Zij gold voor een der beste in West-Java, en hij dankte

haar aan den invloed van een neef te Batavia. De onaangenaamheden met

zijn vrouw hadden hem niet lang het leven zuur gemaakt. 't Had hem

eenige weken geducht gespeten, dat hij, na herhaalde mislukte pogingen,

om 't anders te maken, van alle andere dan Platonische betrekkingen

tot Clara voorgoed moest afzien: maar tegen een echtscheiding had hij

te veel bezwaar gehad, om daaraan voorloopig te denken. In Indië een

andere vrouw te zoeken, achtte hij vrijwel ondoenlijk, en bovendien zou

een echtscheidingsproces hem maar allerlei last gegeven hebben, en er

zou over gepraat zijn, meer dan hem lief was. Een oogenblik had hij er

ernstig over gedacht, zich maar van overspel te laten beschuldigen;

maar hij was spoedig tot andere inzichten gekomen. Waartoe die

comedie en al die omhaal? Als Clara maar goed de huishouding bleef

waarnemen, en althans in de wereld den schijn bewaarde eener goede

verstandhouding, dan was er nog niet zooveel verloren. Hij zou zich

wel weten schadeloos te stellen. Met zijn geld en zijn positie zou

't hem al heel gemakkelijk vallen zijn Venus- en Bacchusdienst, op

naar zijn idee behoorlijke wijze, onafgebroken voort te zetten. Gaf

de eerste hem dan ook niet het uitgelezene, dat hij verloren had,

de tweede zou niet in gebreke blijven hem overvloedig zijn gunsten

te schenken.

Clara had zich eveneens in haar lot geschikt schoon zij alleen in

zelfvoldoening over de vervulling harer plichten vergoeding zocht voor

't gemis aan ander geluk. Zij liet zich te veel door haar antipathie

tegen Van Breeveld beheerschen, schoon ze die voor hem verborgen

wist te houden, om er ook maar een oogenblik aan te denken, dat het

wellicht mogelijk zou zijn, hem door haar goeden invloed tot een ander

mensch te maken. De stalende moed der martelares, die zich opoffert

om haar naaste te verheffen, miste zij geheel. Zij meende reeds veel

van zichzelve te vergen, wanneer zij haar man vriendelijk bejegende

en goed voor haar huishouden zorgde. De overtuiging, dat ze op die

wijze alles deed, wat redelijkerwijze van haar geëischt kon worden,

gaf haar voldoening genoeg, om zelfs tevreden en welgemoed te zijn. Zij

bezat iets van het Indische fatalisme harer moeder, en opwellingen

van spijt of droefenis bij de gedachte "hoe 't had kunnen wezen,"

onderdrukte zij spoedig met de overweging, dat het ongetwijfeld zóo en

niet anders moest wezen: 't was haar lot, en zij zou 't dapper dragen.

Hoe Van Breeveld zich gedroeg, baarde haar geen zorg, zoolang hij

tegenover de wereld maar een schijn van fatsoen wist op te houden,

en die "wereld" was in Indië niet veeleischend. De man kon ook in

haar oog moeilijk verachtelijker worden; want zijn zonden bleven zich

eenvoudig op het oude terrein bewegen. Haar eigen vlekkelooze reinheid

was haar als een sterke burcht, van welker hoogte zij met heimelijken

trots op al die gemeenheid neerzag. Gelijk de lotusbloem--de "in 't

slijk geborene"--zooals de Indiërs haar noemen--onbesmet blijft van

't haar omringende moeras, en haar kelkje opheft naar 't hemellicht,

als besefte zij juist in die omgeving haar eigen waarde meer dan

anders, zoo was Clara's ziel in 't bewustzijn harer meerderheid. Het

groote zelfvertrouwen, daardoor allengs gekweekt, zou weldra blijken

haar noodlottig te wezen.

Op bewusten avond zou niemand onder de gasten mogen vermoeden, hoe de

ware verhouding tusschen haar en Van Breeveld was en waarlijk, toen

om zeven uur het eerste rijtuig de breede grintlaan opreed en Clara

in luchtig feestgewaad met een glimlach op de lippen haar eerste

gasten ontving, maakte zij den indruk der gelukkige jonge gade,

die opgetogen is haar rol als huisvrouw ook tegenover "de wereld"

te mogen aanvaarden.

De rijtuigen volgden elkaar geruimen tijd onophoudelijk, totdat in

de ruime wit marmeren voorgalerij en de belendende middengalerij

haast geen stoel of "bank" onbezet bleef. Een zee van licht stroomde

van de prachtige kroonen neer op den bonten drom van gasten en deed

de kleurige toiletjes der dames en de schitterende uniformen der

officieren aardig uitkomen tegen de witte omlijsting der vloersteenen,

muren en pilaren.

Clara en Van Breeveld bewogen zich voortdurend tusschen de gasten,

hij hoffelijk en deftig, zij vriendelijk en minzaam jegens een

ieder. Menig jaloersch oog eener leelijke dochter Eva's volgde

de ranke gestalte der gastvrouw, als zij zich verwijderde, menige

bewonderende blik viel op haar, als zij voorbij een groepje heeren

ging. "Een kapitale vrouw," zei een jeugdig planter met overtuiging,

waarop zijn buurman, een luitenant, niet nalaten kon op te merken,

dat "die Breeveld toch een kraan van een kerel was, om zoo'n

vrouw in de wacht te sleepen." Een ander officier, groot en forsch

gebouwd, met een prachtigen blonden knevel en een houding als Mars

en Apollo vereenigd, van wellicht dertigjarigen leeftijd, had reeds

bij de begroeting--hij was alleen gekomen, want hij was ongetrouwd

en had geen dames meegebracht--zijn blik bijna niet van de jonge

gastvrouw kunnen afwenden. Hij behoorde tot dat soort jonge mannen,

dat bij den eersten aanblik reeds beslissen, of zij een vrouw al of

niet interessant vinden, en dan dadelijk hun gedragslijn naar dien

indruk regelen. Hij was onder zijn kameraden bekend als een warm

vereerder van 't vrouwelijk schoon en, door velen benijd om zijn

succes bij de dames, wanneer hij ze zijn aandacht waardig keurde. Aan

't huwelijk dacht hij niet, omdat dat hem te zeer zijn vrijheid te

dien opzichte zou benemen. Er gingen allerlei verhalen van hem; dat

niets hem heilig was, als hij eenmaal zijn zinnen op een vrouwelijk

wezen gezet had: nu eens was 't een jong meisje, dat in zijn netten

gevallen was, dan weer een getrouwde vrouw. Nooit echter was er

tegen "den schijn" gezondigd. Zijn lijfspreuk was die der Franschen:

"sauvez les apparences", en die in toepassing te brengen, ging hem

wonderwel af. In de reeks van jaren, dat Lindhorst zijn rol van "don

Juan" speelde, was dan ook nog nooit een schandaal door zijn toedoen

ontstaan. Alles was behoorlijk "getoetoept"--in de doofpot gedaan--en

wel fluisterde men van zijn geheime zegepralen, zijn donjuannerie was

algemeen bekend, maar niemand beweerde openlijk eraan te gelooven,

of dacht er in de verte aan ze aan de kaak te stellen. De zaak was een

"publiek geheim", een echt Indisch verschijnsel.

Nauwelijks had hij Clara gezien, of omtrent drie punten was hij

't onmiddellijk met zich zelven eens: dat die vrouw de mooiste

en begeerlijkste was, welke hij ooit gezien had, dat hij werk van

haar zou maken, en dat hij niet rusten zou, voordat hij zijn doel

had bereikt. Toen hij die bloeiende, frissche gestalte met die

prachtige oogen vóor zich zag, bracht die aanblik hem plotseling in

een roes--niet van verliefdheid, maar van begeerte, zooals hij die in

zulk een mate nog nooit voor een vrouw gevoeld had. Hij kon dan ook

niet nalaten, haar langer en sterker aan te kijken dan de beleefdheid

eischte, en haar hand langer in de zijne te houden dan voor een eerste

ontmoeting wel noodig was. Er lag iets in zijn oogen, dat voor de

meeste vrouwen onweerstaanbaar was, iets als een magnetische kracht,

die aantrok maar tevens verbijsterend werkte, wanneer hij dat wilde,

iets als het gebod van den hypnotiseur, dat eigen wil doodt. "Ge zult

naar mij verlangen en naar niets en niemand dan mij," beval zijn blik

reeds zoo menigmaal en telkens was er blindelings aan gehoorzaamd.

Zou ook op de jonge gastvrouw dat "booze oog" zijn uitwerking niet

gemist hebben? Was de blos, die haar konen overtoog, toen zij die blik

op haar voelde branden reeds het eerste symptoom dier noodlottige

betoovering, of was het haar eerbaarheidsgevoel, dat zich gekwetst

voelde door die al te duidelijke oogentaal? Zeker is 't, dat Clara zich

zonderling te moede voelde, toen de jonge man zich na een kort gesprek

verwijderde. De kleur, die zij gekregen had, was haar een raadsel, en

zij was zeer ontevreden over zichzelve. Ze was toch geen schoolmeisje

meer, dat voor 't eerst een mooien jongen man ziet! Wat had ze zich

verlegen en onhandig gevoeld, toen die man vóor haar stond! Ze had

niet gedacht, dat zóo iets bij haar nog mogelijk was, bij haar,

die meende reeds zooveel geleefd te hebben. En nu had ze nauwelijks

uit haar woorden kunnen komen! Hoe dwaas en hoe onaangenaam! Wat

zou die man wel van haar denken? Zou hij zich verbeelden, een diepen

indruk op haar gemaakt te hebben? Hij is er misschien verwaand genoeg

voor. Hoe kwam ze toch op eens aan die zotte bedremmeldheid, zij die

anders zooveel zelfbeheersching meende te bezitten? 't Was ellendig,

akelig. Dat alles hield Clara's gedachten bezig, toen zij lachend en

pratend zich met haar andere gasten bezig hield. 't Gaf haar eenige

voldoening te bemerken, hoe gemakkelijk het haar viel, zich weer de

onbevangen, kalme vrouw van vroeger te toonen. 't Duurde geen half uur,

of de onaangename indruk harer verlegenheid was uitgewischt. Zij was

overtuigd, dat zoo iets haar niet meer overkomen zou, en verlangde er

zelfs naar, den man, die ze veroorzaakt had, evenzeer die overtuiging

te geven.

't Duurde niet lang, of de gelegenheid daartoe bood zich aan. Na

wat praten onder een kop thee werden de oudere, "ernstigere" gasten

aan de verschillende speeltafeltjes ingedeeld, terwijl het jongere

deel zich opmaakte tot een dansje in de voorgalerij, waar tot dat

doel inmiddels de meeste meubels verwijderd waren. 't Lot wilde,

dat Lindhorst éen der spelers aan het tafeltje der gastvrouw werd;

zoodat hij als partner tegenover haar kwam te zitten. Nauwelijks was

men met kaarten begonnen, of Clara gevoelde weer dezelfde onaangename

gewaarwording van te voren. Wederom was diezelfde doordringende blik

op haar gevestigd, en nogmaals maakte zich een ontroering van haar

meester, die haar op onverklaarbare wijze geheel van haar zelfbedwang

beroofde. Hoe ze ook haar best deed er onverschillig onder te zijn,

't was alles te vergeefs. Ze kon haar aandacht niet op haar spel

houden, en beging de eene onhandigheid na de andere. "'t Is van

avond mijn speelavond niet," zeide ze eindelijk lachend, "ik maak

fout op fout." En 't werd er niet beter op, integendeel; want, nu ze

de gevolgen harer afgetrokkenheid zelf duidelijk waarnam, maakten de

ergernis daarover en haar inspanning, om er verandering in te brengen,

haar zenuwachtigheid hoe langer zoo erger. Eindelijk hield ze 't niet

meer uit.

"Ik geloof, dat ik beter doe met van avond niet meer kaart te

spelen," zeide zij, toen een rubber uitgespeeld was. Haar partner

en de beide andere medespelers--een controleur met zijn vrouw--waren

geen van drieën groote liefhebbers van 't kaartspel. Toen dus Clara

voorstelde, eens een kijkje naar de dansende "jeugd" te gaan nemen,

vond dat denkbeeld dadelijk instemming. Lindhorst bood haar zijn arm,

en het viertal begaf zich naar de rumoerige voorgalerij.

Daar was het dansen in vollen gang. Op de tonen eener uitstekende

muziek, uitgevoerd door Italiaansche muzikanten, die speciaal voor

de gelegenheid uit Samarang waren ontboden, bewoog zich een bonte

menigte over het gladde marmer. Er werd een wals van Waldteufel

gespeeld, wegslepend en zinnelijk. Clara keek met waar genoegen naar

de zwevende paren, die langs haar heen gleden, en haar oude danslust

herleefde voor een oogenblik. Juist wilde zij, om de tegenwoordigheid

van Lindhorst te ontkomen, naar een ander deel der voorgalerij gaan,

toen deze haar ten dans vroeg. Ze had gaarne willen bedanken, maar

vond geen verontschuldiging. Ze had bovendien te zijnen aanhoore

gezegd, dat zij een dolle liefhebster van dansen was, en daar veel

meer van hield dan van kaartspelen, wat in haar zenuwachtigheid en

onhandigheid van zooeven als een excuus had moeten gelden. Zoo was ze

dus van Scylla in Charybdis gevallen! Weer kwam die ellendige blos haar

plagen, toen zij Lindhorst's arm aannam, en weer dat vreemde gevoel,

waar ze zich geen rekenschap van geven kon, en van welks obsessie

ze had willen wegvluchten. Toch verkoos Clara den bewegelijken dans

boven het stille kaartspel; want zoo kon ze in allen geval haar

zenuwachtigheid beter verbergen, meende zij. Lindhorst was een

volleerd walser, en zijn dame gaf hem op dat punt niets toe. Met

innig welgevallen op haar neerziende--hij was nog een hoofd grooter

dan Clara--en haar als overstelpende met den vloed van hartstocht, die

uit zijn oogen straalde, zwierde hij, zijn lichten last bijna dragend,

door de galerij, alles om zich heen vergetend, en slechts bewust, dat

hij genoot met een genot, meer en intenser dan de dans hem ooit te

voren geschonken had. Clara was als in een droom: een nooit gekende

zwijmeling deed haar zinnen dwalen, zij voelde zich als zwevend in

een heelal van zaligheid. Het paar walste en walste door, totdat het

ophouden der muziek beiden tot de werkelijkheid terugbracht. Ze zagen

elkaar aan. 't Was of Clara met schrik ontwaakte. Haar gloeiende

wangen verfden zich met nog een donkerder rood. Een vreemd gevoel,

een mengeling van schaamte en zelfverwijt overviel haar als 't besef

eener bedreven zonde. Zij wenschte zich op eens weg, ver weg uit dat

gewoel om haar heen. Met moeite bedwong ze een opwelling van smart,

die dreigde haar te overweldigen.

"Naar mijn plaats.... als 't u belief.... Mijnheer Lindhorst,"

stamelde zij.

Lindhorst voldeed dadelijk aan haar verzoek. Clara's aandoening was

niet aan zijn aandacht ontsnapt. Met kennersoog zag hij, hoe onervaren

zij was, op wier verovering hij zijn zinnen gezet had: dat naïeve kind

zou niet lang weerstand kunnen bieden, daar was hij thans zeker van.

"Voelt u zich niet wel, Mevrouw?" vroeg hij vriendelijk, toen hij zag,

hoe de jonge vrouw als neerzeeg op een canapé.

"O, 't is niets," Clara trachtte te glimlachen. "Ik ben wat moê en

duizelig... wil u mij een glas ijswater brengen?" En toen Lindhorst

een oogenblik later daarmee terugkwam:

"Dank u.... Wil u me nu een poosje alleen laten, Mijnheer Lindhorst? Ik

moet wat op mijn verhaal komen.... U neemt me niet kwalijk?..."

Door den koelen dronk en de rust kwam Clara allengs tot meerder kalmte,

schoon niet tot het besef van haar toestand. Wat was er dan toch

gebeurd? Toch niets, dat ze zich te verwijten had? Vanwaar dan die

zonderlinge aandoening, die haar naar eenzaamheid deed wenschen, met

een onstuimig verlangen om te schreien en te snikken als een kind? Een

onbegrijpelijke angst vervulde haar voor den man, die ze nog pas zoo

kort kende, en die nu reeds een zielsberoering bij haar verwekt had,

zooals zij die nog nooit in 't bijzijn van een man gevoeld had. Zou

hij terugkomen? vroeg ze zich af. O, ze moest hem dien avond verder

zien te vermijden, het koste wat het wilde. Ze zou ook in geen geval

meer met hem dansen, dat nam ze zich stellig voor.

Na eenige oogenblikken gezeten te hebben, richt Clara zich op. 't

Beste is, dat ze zich weer bij de kaartspelende gasten voegt. Ze gaat

naar 't speeltafeltje, waar haar man zit. Deze ziet verwonderd op,

als zij hem op den schouder tikt en lachend zegt:

"Kom, Breeveld, laat mij je plaats innemen, en ga jij nu 's naar

de dansende luitjes in de voorgalerij kijken. Daar is immers niets

tegen?" voegt zij erbij, zich tot de overige spelers, een dame en

twee heeren wendende.

Van Breeveld ruimt haar gewillig zijn plaats in. Lang zitten

kaartspelen is hem een gruwel en de onverwachte stoornis was hem dus

zeer welkom.

Lindhorst, die gevlast had op een tweeden wals met de gastvrouw,

ziet haar tot zijn teleurstelling weer onder de spelers. Een paar maal

dwaalt zijn blik daarheen in de hoop, dat ze op zal staan. Maar neen,

ze blijft verder den ganschen avond op haar plaats zitten, behalve

een enkel oogenblik nu en dan, om een bevel aan de bedienden te geven.

Clara snakt naar 't einde van den avond, schoon ze zich betrekkelijk

rustig voelt, nu ze buiten 't onmiddellijk contact van Lindhorst

is. Twee eindeloos schijnende uren blijft ze doorspelen, steeds

trachtend haar zenuwachtigheid door gemaakte vroolijkheid te

verbergen. De ontzaglijke inspanning die haar dit kost, wreekt zich

door een vreeselijke hoofdpijn. Als ten lange leste de laatste gast

vertrokken is, voelt ze zich op het punt van in onmacht te vallen. Ze

snelt naar haar slaapkamer en blijft geruimen tijd roerloos liggen,

zonder geluid, in wezenlooze afmatting. Dan is 't, of plotseling haar

zenuwen zich ontspannen, en ze barst in hartstochtelijk schreien uit,

het gelaat in haar kussens gedrukt, om 't geluid van haar snikken te

smoren. Van Breeveld, die in de kamer tegenover haar slaapt, mag haar

voor geen geld ter wereld hooren.... Nog nooit heeft Clara zooveel

behoefte gevoeld aan een sympathieke ziel, waarin zij haar smart zou

kunnen uitstorten, nog nooit heeft ze zich zoo rampzalig en eenzaam

gevoeld, na den dag waarop ze haar liefste droomen vaarwel zeide. En

toch zou ze niet in staat zijn te zeggen, waarom ze zoo bedroefd is;

ze weet niet, dat er in haar leven een nieuw tijdperk begonnen is,

dat daarin een nieuw element is opgetreden, welks kracht ze niet kent,

iets, dat niettemin de diepste roerselen van haar wezen op ruwe wijze

heeft aangetast, zoodat de schok haar te machtig was. Trots haar

huwelijk en haar omgang met Van Breeveld was Clara in geestelijken

zin nog maagd; thans had de blik en de aanraking van den eersten man

die reinheid verstoord!

Clara van Merenstein: Haagsch-Indische Roman · 第 22 / 35 题