VII.

'T WERK EENER MOEDER.

's Avonds laat op een lieflijken voorjaarsdag.

Aan 't Zuider-station van Brussel staat de nachttrein voor Parijs op

't punt van te vertrekken. 't IJzeren gevaarte met de vurige oogen

hijgt en blaast, onwrikbaar stevig op de metalen voeten, als brieschte

het van ongeduld om voort te snellen. Straks zal het onweerstaanbaar

heenspoeden langs afgrond en bergrug, over stroomen, door wouden en

dwars door rotswanden, geen haarbreed wijkende van de rechte baan,

als een zinnebeeld der plicht zijn eenmaal gekozen doel nastrevend,

met volmaakte nauwgezetheid zijn woord gestand doende tegenover de

honderden aan zijne hoede toevertrouwd.

Zich een weg makend door het gedrang van reizigers, sjouwerlui en

handwagens, treedt een paar naar voren, om plaats te nemen in een

eerste-klas-coupé van den Parijschen trein. De man is iemand van

schijnbaar middelbaren leeftijd, forsch gebouwd, donker van haar en

knevel, met een haviksneus, en gekleed in een licht reiskostuum en

nagenoeg gelijkkleurigen zomerjas. Hij zou knap van uiterlijk genoemd

kunnen worden, ware het niet, dat zijn dikke lippen en de trekken

om mond en neus, het lage voorhoofd, en de eenigszins dichtgeknepen

oogen hem iets onbeduidends en domzinnelijks gaven. De jonge vrouw

naast hem, slank, iets langer dan haar metgezel, is geheel gehuld in

een z.g. stofmantel, die een sierlijk reistoilet verbergt. Haar lief

gelaat heeft iets invermoeids, en er is een trek van droefheid en

moedeloosheid op, zoo zonderling bij zooveel jeugdige frischheid. Als

onverschillig volgt zij haar geleider naar een coupé-lit.

Eenige minuten later is de trein in vollen gang, en ligt ze in 't

nauwe bedje, waar zij den nacht zal doorbrengen. Vlak onder haar is de

slaapplaats van haar metgezel. Met kwalijk verholen wrevel heeft zij

pas zijn nachtkus geduld, en nu tracht ze rust te vinden, schoon ze

niet veel hoop heeft, spoedig in te zullen slapen. Haar slaapkameraad

onder haar schijnt weinig moeite daarmee te hebben. Een paar minuten

slechts zijn noodig, om hem luidruchtig te doen snurken. Ook hij is

blijkbaar vermoeid na een dag van ronddrentelen in 't groote Brussel.

Maar Clara--want zij is de jonge vrouw--is niet alleen lichamelijk

vermoeid. Gave God dat ze dat alleen ware! Had ze als Van Breeveld

slechts vatbaarheid daarvoor, dan ware ze wellicht gelukkig.

Niet dat zij in de laatste maanden ooit recht gelukkig geweest is,

o neen, verre van dien, maar de zielsellende, waaraan ze thans ten

prooi is, dateert slechts van enkele dagen geleden, van den dag, dat

die man haar echtgenoot geworden was. Te voren had ze veel verdriet

gehad, weken achtereen was ze zelfs ziek geweest na de vreeselijke

aandoeningen van die nare zaak van Willem Victor, daarna had ze allengs

zich geschikt in 't onvermijdelijke en met doffe onverschilligheid was

ze 't leven weer ingegaan. Haar liefste illusiën lagen vergruisd. Zij

geloofde niet meer aan liefde, en de droeve leer harer moeder, "dat

die alleen in boeken bestond", had ze tot de hare gemaakt. Ze had

koel Van Breeveld's hulde aangenomen, toen hij om haar hand vroeg,

zooals ze erin zou toegestemd hebben, zich te laten vaccineeren. Een

meisje moet nu eenmaal trouwen. En de man was niet kwaad, meende zij,

en haar moeder deed alles wat ze kon, om haar een goed denkbeeld van

hem te doen krijgen. Ze geloofde ook, dat hij haar oprecht liefhad,

en alles zou doen, om haar gelukkig te maken. Hoe weinig kende zij

hem, hoe weinig besefte zij, dat een man een meisje kan begeeren,

zonder dat er een greintje liefde in zijn hart bestaat! Mevrouw

Van Merenstein had de noodige ondervinding, om haar aanstaanden

schoonzoon op den waren prijs te schatten. Zij wist zeer goed, dat

hier hartstocht alleen in 't spel was: ze wist het uit zijn oogen,

zijn gansche gelaatsuitdrukking, zijn verleden, waarvan zij zich

geheel op de hoogte had gesteld. Maar dat alles woog weinig bij haar:

zijn rang en fortuin waren daar, om nog veel meer dan dat goed te

maken! En dan--zij zelve had nooit anders dan hartstocht gekend,

liefde was bij haar een onding, zij kon zich geen andere aantrekking

tusschen man en vrouw denken dan die der grofste zinnelijkheid....

O, hoe mat en levensmoede voelde Clara zich dien nacht, toen zij

slapeloos neerlag in haar ongemakkelijk bed in den trein! Hoe was

ze in die drie dagen na haar huwelijk ouder geworden, oud naar de

ziel! Haar laatste hoop op eenig geluk was ook thans vervlogen. Groote

God, welk een ondervindingen in die korte spanne tijds! Ze besefte

thans ten volle, dat er bij Van Breeveld nooit van liefde sprake

was geweest. Het hart keerde haar om in 't lijf van walging voor den

lagen hartstocht van dien man.

Met ontzetting dacht Clara aan 't haar wachtende leven. Hoeveel jaren

zou ze samen moeten zijn met dien man, dien zij nu reeds verachtte

en verafschuwde! En er zou geen hoop op verandering wezen, nooit,

nooit! Zij mocht hem weigeren, haar ooit weer als echtgenoot te

naderen, hem den toegang tot haar slaapkamer ontzeggen--en dat zou

ze, dat moest ze, als ze zichzelve bleef eerbiedigen--'t zou niet

beletten dat ze dagelijks zijn gezelschap zou moeten dulden, en

tegenover de wereld den schijn eener goede samenleving zou moeten

ophouden. En hoe zou hij daaronder zijn? Zij voorzag zeer goed,

dat hij ruw en halstarrig genoeg zou wezen, om in opstand te komen

tegen haar besluit. De schijn van welwillendheid en vriendelijkheid

zijnerzijds zou spoedig wijken voor wrevel en ergernis. Maar liever ruw

geweld desnoods, dan zijn goede gezindheid gekocht tot den prijs harer

vernedering! Bij God, zij zou hem toonen, dat ze meer wenschte te wezen

dan een voorwerp van vermaak, een speeltuig voor zijn ruwe lusten!

Een onwillekeurige beweging, waarmee zij omwoelde, als wilde zij zich

vol afschuw afwenden van zulk een schrikbeeld, deed de slaapplaats

zoo kraken, dat van Breeveld half ontwaakte. Hij ademde diep met

rochelend geluid, en het gesnurk hervatte met grooter kracht dan te

voren. Clara ontstelde, alsof haar geheime gedachten door dien man

beluisterd waren. Neen, hij slaapt weer rustig door, onbewust van 't

lijden dier jonge vrouw, daar in zijn onmiddellijke nabijheid toevend

met haar lichaam, doch zoo ver verwijderd met haar ziel. Weggerukt

uit haar gepeins, treedt de werkelijkheid, de tegenwoordigheid van

dien man, haar weer met ontzettende duidelijkheid voor den geest. Ze

hoort bij hem, wellicht voor haar gansche leven! Haar gloeiende oogen

baden zich opeens in een tranenvloed. Ze grijpt haar kussen en drukt

het krampachtig tegen haar gelaat, om het geluid van haar snikken

te smoren. Hij mag niets hooren: hij zou haar smart niet begrijpen,

haar bespotten wellicht...

Zoo mocht ze misschien een uur gelegen hebben. Eindelijk overmande haar

de vermoeienis, en ze viel in een zwaren slaap, waaruit ze eenige uren

later wakker schrok, toen de trein, aan zijn doel gekomen, ophield.

"Paris! Paris!" klonk het om haar heen, "Tout le monde descend!" O,

hoe had ze vroeger in haar schooljaren gedweept met dat Parijs! Hoe

had ze vroeger gesmacht, die stad der steden eens te mogen zien! Nu was

ze er. Die naam, welke vroeger zooveel aantrekkelijks en verlokkelijks

voor haar geest tooverde, klonk nu koud en nietszeggend in haar ooren.

Een half uur ruim later stapten Clara en haar man af in 't Grand

Hôtel: Van Breeveld wilde van geen minder hotel hooren. Het was hem

een genot, zijn rijkdom te kunnen toonen, en bovendien was hij gewend

aan een weelderige woning en tafel. Van Breeveld, wiens praktische

kennis van het Fransch gebleken was zeer dun te zijn, liet ook nu,

evenals te Brussel, de bespreking van kamers als anderszins aan zijn

vrouw over. Deze bestelde twee slaapkamers en een zitkamer, en spoedde

zich dadelijk daarheen, op de hielen gevolgd door Van Breeveld. Toen

't kamermeisje heen was gegaan, kon hij een uitroep van verwondering

niet bedwingen: "Maar Clara, waarom twee slaapkamers? Wat moeten de

menschen hier wel denken?"

"O, niets bijzonders, dat gebeurt wel meer, en wat mij betreft, ik

wil eens rustig slapen. Die twee-persoonsbedden zijn zoo weinig ruim."

Meteen wierp ze zich lusteloos in een gemakkelijken stoel. Beiden

bevonden zich in haar slaapkamer. Van Breeveld kwam naar haar toe,

kuste haar en vroeg:

"Wat scheelt er toch aan? Je ziet er ellendig uit."

"Och, wat hoofdpijn, en ik ben doodmoe van die reis: Ik heb heel

weinig geslapen. Ik zal zien 't nu te doen."

"Maar moet je dan niet eerst wat gebruiken?" vraagt haar man weer

belangstellend. Hij blijft bij haar staan.

"O neen, straks om twaalf uur. Ik wil alleen maar slapen. Laat me nu

met rust."

Ze staat op en richt zich naar haar ledikant. Van Breeveld volgt

haar. Hij vat haar om 't middel, en wil haar liefkozen. Wrevelig

keert zij zich om en verwijdert zich van hem:

"Laat me in Godsnaam met rust. Ga nu heen."

"Goed, goed, ik ga. Slaap wel."

Van Breeveld is geheel uit het veld geslagen. "Wat scheelt haar

toch?" mompelt hij, als hij, in 't andere vertrek gekomen, de deur

achter zich hoort sluiten. 't Is hem volmaakt onbegrijpelijk, dat zij

hem iets durft weigeren, waarop hij meent recht te hebben: waarvoor is

hij anders getrouwd? Waarom anders, heeft hij dat kind zonder cent de

eer aangedaan, zijn vrouw te mogen worden en zijn rijkdom te deelen? En

dan, welk een uitdrukking op haar gezicht! Zij, die altijd zoo gedwee

en vriendelijk was geweest, scheen plotseling veranderd. "Vreemd,

vreemd," mompelde Van Breeveld weer, langzaam den breeden gang

afwandelend naar de lift, die hem beneden zal brengen. In een der

prachtige benedenzalen troost hij zich met een krachtig ontbijt. De

uitstekende sherry, die hij erbij gebruikt, montert hem weer geheel

op, en als hij zich later onder 't genot van een fijne sigaar in de

"Nieuwe Rotterdammer" verdiept, is de onaangename gewaarwording van

daareven totaal verdwenen.

Aan 't tweede ontbijt vertoont Clara zich. Haar wangen zijn

weer frisch. Een oogenblik heeft ze zich verbeeld, weer de

oude levenslustige Clara te zijn: 't was bij haar ontwaken uit

den versterkenden slaap. Onmiddellijk echter was 't besef der

werkelijkheid haar loodzwaar komen drukken. Maar ze was niettemin

niet meer zoo moedeloos. Ze moest sterk zijn, om niet onder te gaan,

dat begreep ze nu volkomen, en ze nam zich heilig voor, de toekomst

moedig tegemoet te gaan.

Van Breeveld was nu eenmaal haar man: ze nam zich voor, als een goede

vrouw voor hem te zorgen, hem trouw te zijn, zooals zij dat opvatte. In

haar naïeve voorstelling voldeed een vrouw geheel aan haar plichten

jegens haar echtgenoot, wanneer zij daarin niet te kort kwam. Intiemere

omgang was daar geheel buiten. Ze verlangde niet naar nakomelingen,

nu ze overtuigd was, haar man nooit lief te zullen hebben.

Het vooruitzicht van een bijzonder smakelijke lunch had Van

Breeveld--voor wien eten en drinken zeer voorname zaken waren--bij

't betreden der eetzaal dadelijk verrukt. Hij toonde een vriendelijk

gezicht aan zijn vrouw, en was bijzonder hoffelijk. Clara achtte het

dwaas, daar koel tegen in te wezen, en vooral aan tafel.

Het toeval wilde, dat vlak tegenover hen een paartje kwam te zitten,

dat Clara bekend was. De jonge echtgenoot--blijkbaar waren ze ook op

hun huwelijksreis--was een luitenant van 't Pruisische leger, dien

Clara te Mühlenwald wel eens in gezelschap ontmoet had, en met wien zij

een paar maal op een bal had gedanst, de jonge vrouw was een Engelsche,

een harer kennissen van de kostschool. De herkenning was wederzijds

zeer verrassend. Clara stelde haar man voor, en er begon dadelijk een

levendig gesprek, waarin Van Breeveld echter maar karig deelnam. 't

Jonge vrouwtje was blijkbaar zielsgelukkig: dat sprak uit alles wat ze

zeide, en uit den blik, waarmee zij den reusachtigen luitenant met zijn

fraaien blonden snor telkens aanzag. Ze moest met alle geweld Duitsch

spreken en "schwärmerisch" doen: dank zij haar tweejarig verblijf te

Mühlenwald, ging haar dat redelijk wel af, schoon haar man nu en dan

er duchtig den draak mee stak. Ook hij scheen meer dan gelukkig. "Hoe

anders zijn die twee dan wij", dacht Clara met stil verdriet. En toch

moest ze den schijn aannemen van overgelukkige jonggetrouwde!

Na de lunch moest de jonge Engelsche met Clara samen een rijtoertje

doen: ze stond erop, met haar kostschoolvriendin te gaan "winkelen"

in de prachtige magazijnen. De beide heeren zouden elkaar wel weten

bezig te houden in haar afwezigheid. Maar Clara voorzag een te intiem

samenzijn, en wist het zoover te drijven dat de beide echtgenooten

meegingen. Van Breeveld had eerst weinig lust: hij was--zooals

Clara tot haar ergernis kon zien--vol zoeten wijns, en verlangde

naar een rustig uurtje in den rooksalon; maar hij zwichtte voor den

algemeenen aandrang. Toch kon ze niet vermijden, dat Alice telkens,

wanneer ze maar even gelegenheid had, Clara wat apart te zeggen,

allerlei vragen deed, die haar in pijnlijke verlegenheid brachten,

en haar dwongen de waarheid geweld aan te doen.

"En is hij niet lief, heel lief voor je? En verafgoodt hij je niet? Dat

moet ook, want je bent een dot en.... veel mooier dan ik." Zoo

ging het voort. Clara deed haar best, om vroolijk te schijnen, maar

zooveel warmte uit wat haar vriendin zeide te voelen stralen, terwijl

't in haar hart zoo koud, zoo akelig koud was, deed haar onzeggelijk

droevig aan. Haar oud en dierbaar geloof aan huwelijksliefde voelde

zij weer opkomen. Maar ze herinnerde zich de woorden harer moeder;

"als jonggehuwden zich verbeeldden dol veel van elkaar te houden,

dan was die begoocheling al heel spoedig verdwenen." Zouden ook

die twee tortelduifjes na een jaartje geheel uitgekird hebben? Zich

daarvan te overtuigen, was Clara een magere troost: aangenomen, dat

het al zoo ware, dan toch hadden ze een tijd van zaligheid gekend:

was die dan minder zoet, omdat hij zoo kort duurde? En liet hij

dan niet heerlijke herinneringen na, genoeg voor een gansch verder

leven? Of zou wellicht te veel liefde afkeer baren, genoeg om 't

verdere samenzijn te verbitteren? En ware dàn een koele, verstandige

omgang van den beginne niet veel beter? Ja, misschien, wanneer er

wederzijdsche achting bestond! Maar die wàs er niet in haar geval,

en Clara wanhoopte of ze ooit weer achting voor Van Breeveld krijgen

kon, nu ze die eenmaal verloren had. Neen, die man daalde met den

dag dieper in haar achting; hoe zou dat ooit anders kunnen worden?

De dag verliep in gedurig samenzijn met het gelukkige jonge paar. Aan

het diner kon Clara weer Van Breeveld's onmatigheid opmerken en

hinderde het haar onuitsprekelijk, hem ten aanzien van een groot

gezelschap, zich letterlijk te zien bedrinken aan fijne wijnen. Nog

meer hinderde, ja ergerde haar zijn toenemende hoffelijkheid jegens

haar en de begeerigheid zijner oogen, telkens wanneer hij den blik

op haar vestigde. Reeds vroeg in den avond gaf hij haar op allerlei

bedekte manieren te kennen, dat hij met haar het gezelschap wenschte

te verlaten; maar Clara deed, alsof ze niets daarvan bespeurde. Ze

zag vreeselijk tegen den nacht op: wie weet, welk een tooneel haar

wachtte.... Eindelijk, toen 't aardig laat was geworden, stond ze op,

en namen beiden voor den nacht afscheid van den luitenant en zijn

vrouwtje. Van Breeveld bood haar hoffelijk den arm.

Nauwelijks boven wilde hij haar in haar slaapkamer volgen, maar

voordat hij nog iets gezegd had, gaf Clara hem een kus, en zeide

vriendelijk--zij wilde vriendelijk zijn, als 't kon, hoe zwaar haar

dat ook viel--:

"Goeden nacht, man. Slaap wel."

Van Breeveld kuste haar op zijn beurt en haar om 't middel

vasthoudende, antwoordde hij verbaasd:

"Goeden nacht voor goed, meen je?"

"Zeker, ik ga slapen."

"Maar kindlief, jaag je me dan weg?"

"Dat nu niet precies, maar ik woû toch wel, dat je ook in je kamer

ging."

"Mag ik dan niet een poosje bij je blijven?"

"Waartoe zou dat dienen?"

"Waartoe? moet ik je dat nog zeggen? Wat zou een pasgetrouwd man,

die z'n vrouwtje aanbidt, wel van haar verlangen?" Van Breeveld deed

zijn best, een teederen, verliefden toon aan te slaan, die zich zeer

slecht paarde met de gemeene uitdrukking van zijn gezicht. Clara had

moeite, om zich niet vol walging van hem af te keeren. Zij vermande

zich en bleef vriendelijk:

"Ik kan niet aan je verlangen voldoen, 't is me onmogelijk. Als je

me werkelijk zoo liefhebt, laat me dan met rust.... Ik kàn niet,

heusch.... ik kàn niet...."

"Kom, kom, Claartje, dat meen je niet." Hij dacht met een gril, een

coquetterietje te doen te hebben; een beetje zacht geweld, dan zou hij

toch wel zijn doel bereiken, dacht hij, en meteen trachtte hij haar met

zich mee te troonen. Maar Clara gaat hem uit den weg. O, de blik dier

dronkemansoogen, ze huivert ervan! Nochtans wil ze bedaard blijven.

"'t Is me volle ernst. Ik zeg je nog eens: ik kàn niet. Als je

iets voor me over heb, ga dan naar je kamer, toe, ik verzoek 't

je vriendelijk."

Zij ziet hem vol aan. De blik dier heldere, vastberaden oogen is hem

blijkbaar te machtig. Hij slaat de oogen neer, en voelt zich min of

meer met zijn houding verlegen. Zoo iets is hem nog nooit te voren

overkomen. Hij heeft de gewaarwording van een verliefden schooljongen

tegenover zijn veel oudere aangebedene in een eerste tête-à-tête.

"Wat heb je toch?" stamelt Van Breeveld na een oogenblik

zwijgens. "Waarom behandel je me zoo vreemd? Of vind je zulk een gedrag

heel gewoon tegenover je man op den vierden dag van ons huwelijk?"

"Ik weet 't niet, maar 't is me eenmaal niet mogelijk anders te

handelen. Ik wil lief en goed voor je zijn.... alles voor je doen

maar.... dat.... nooit meer. Eisch dat niet meer van me, als je

me respecteert."

"Eischen... respecteeren... maar, mijn lieve God, wat een woorden! Ik

eisch niets, ik vraag..."

"Nu goed, maar ik kàn niet...."

Haar houding, haar toon en gelaatsuitdrukking zijn zóo beslist,

dat Van Breeveld niets meer daartegen weet in te brengen.

Welk een pracht van een vrouw! Zoo heeft hij haar nog nooit gezien:

tegen zooveel vrouwelijke fierheid had hij in zijn losse leven nog

nooit te kampen gehad. Het gevoel dat hem bekruipt, heeft iets van

eerbied als zoo iets mogelijk ware geweest in een ouden lichtmis als

Van Breeveld; in alle geval is 't een nieuwe, tot nu toe hem geheel

onbekende aandoening. Met neergeslagen blik schuifelt hij naar de

deur, en met een stamelend: "Goeden nacht dan," begeeft hij zich naar

zijn slaapkamer.

Daar gekomen barst zijn landerigheid, die door Clara's overwicht in

bedwang was gehouden, los. Hij stapt kregelig op en neer, en mompelt

woedend:

"Bespottelijk, dwaas, zot, krankzinnig! En dat zijn m'n

wittebroodsweken. God betere 't!"

Nog eenige minuten blijft hij op en neer wandelen, en herhaalt telkens:

"bespottelijk, bespottelijk," totdat de verleiding hem te groot wordt,

om maar zijn roes te gaan uitslapen in het weelderige ledikant met

de mollige kussens. De al te overvloedige maaltijd, eenige uren te

voren gebruikt, bezorgt hem een vreeselijke nachtmerrie: hij voelt zich

wegzinken in een ontzaggelijk groot vat fijne Chambertin, den zelfden,

dien hij aan tafel gedronken heeft, terwijl Clara over den rand naar

hem staart met dezelfde gebiedende oogen van dien avond, en op al

zijn hulpgeroep slechts antwoordt met een onverbiddelijk: "ik kàn

niet." Juist als hij zal ondergaan, ontwaakt hij met hevigen schrik

en een benauwden kreet. Mijn God, wat voelt hij zich ellendig! Het

tooneel van den voorafgaanden avond komt hem weer levendig voor den

geest, en met een hernieuwd: "bespottelijk, krankzinnig!" keert hij

zich woest om, en tracht den slaap weer te vatten.

Toen Van Breeveld den volgenden ochtend Clara weerzag, en zij hem

vriendelijk vroeg, hoe hij geslapen had, en verder den ganschen

dag niet van houding jegens hem veranderde, kwam hij meer en meer

tot de overtuiging, dat haar gedrag van den vorigen nacht slechts

iets voorbijgaands moest wezen: 't moest vermoeienis of--een gewone

onverklaarbare vrouwengril wezen, meende hij. Hij rekende er dan ook

stellig op, geen verderen tegenstand te zullen ontmoeten.

Bij 't ter ruste gaan, ontnam Clara hem die illusie nog vóor ze hunne

kamers bereikt hadden, door hem vlak voor haar slaapvertrek goeden

nacht te wenschen. Blijkbaar niet verwachtende, dat hij haar volgen

zou, wilde ze reeds de deur sluiten, toen Van Breeveld haar voor was,

en mee naar binnen ging.

"Wat beduidt dat, Clara?" riep hij ten hoogste verbaasd en beleedigd.

"Waarom volg je me?" was de wedervraag.

"Clara, ik geloof waarlijk, dat je je verstand verloren hebt." Hij

beefde van woede en begeerte. "Ben je van plan, je man voortdurend

den toegang tot je slaapkamer te weigeren?"

"Als je zulke bedoelingen hebt als gisterenavond, ja."

"Maar waaròm, in Gods naam?! Erken je me dan niet meer als je man?"

"Eenvoudig omdat ik niet anders kàn."

"Niet anders kan.... maar ik vraag niets dan mijn recht.... wat me

toekomt als je man."

"Meen je, dat 't je recht is, me te vernederen en te beleedigen? Wat

je me vraagt, vind ik.... beestachtig, walgelijk." Clara heeft zich

meer en meer opgewonden. Haar oogen schitteren van verontwaardiging,

haar geheele wezen vertoont het beeld der beleedigde vrouwelijke

fierheid. Haar machtige schoonheid straalt in al haar luister. Hoe

dicht bij hem, die haar met oogen vol vlammende begeerte als verslindt,

en toch hoe ongenaakbaar staat ze daar!

Schoon overbluft, geeft Van Breeveld zich nog niet gewonnen. Hij wil

bedaard zijn.

"Maar Clara lief," zegt hij, zijn ongeduld bedwingend, "geloof je dan,

dat in andere huwelijken...."

"Ik weet niet, hoe 't bij anderen is," valt Clara hem in de rede,

"ik weet alleen, dat zoo iets tusschen ons niet meer mogelijk is,

nooit meer...." Ze wil hem niet zeggen, dat ze hem niet alleen niet

liefheeft, maar ook minacht.

"Is dat je laatste woord? En weiger je me een goede reden op te geven

voor zulk een houding?" roept Van Breeveld, reeds wanhopend zijn doel

te bereiken.

"Ik kan geen andere reden geven, dan dat je eisch me een gruwel

is. Je kan me even zoo goed vragen, mezelf door je te laten

vertrappen.... neen, dat zou mijn gevoel van schaamte ten minste

niet kwetsen."

Van Breeveld haalt driftig de schouders op. Hij ziedt inwendig van

machtelooze woede.

"Je wilt dus, dat die toestand zoo tusschen ons blijft?" vraagt

hij bitter.

"Ik heb je alles gezegd, ik wil een goede vrouw voor je zijn, maar

dàt nooit meer."

"En geloof je, dat samenleven op die manier op den duur houdbaar is?"

"Waarom niet? Ik geloof dat er verscheidene huwelijken zijn, waar

man en vrouw op die wijze vriendschappelijk met elkaar blijven omgaan."

"Nu, ìk verlang zulk een samenzijn niet," roept Van Breeveld zijn

drift niet meer bedwingende. "Ik bedank er voor. Dan moeten we maar

van elkaar, hoe eêr hoe beter."

"Als je dat wenscht, in Godsnaam.... Ik kan er niet ongelukkiger door

worden dan ik al ben...." De aandoening is Clara te machtig. Ze zinkt

in een stoel neer, en bedekt snikkend haar gelaat met beide handen.

Van Breeveld ziet het een oogenblik zwijgend aan. "Ik wensch je een

goeden nacht," zegt hij koud en gaat dan snel naar zijn kamer.

Zenuwachtig herhaalt hij zijn heen en weer stappen van den vorigen

nacht, rukt nu en dan vinnig aan zijn knevel, zet zich een oogenblik

in een stoel, hervat zijn ijsberengang, telkens zijn overdenkingen met

een vloek of grof woord afbrekend. De heele zaak is hem een raadsel;

't is hem onbegrijpelijk, hoe Clara plotseling zoo veranderd kan

zijn, hoe zoo op eens zijn lot gekeerd is. Zijn geluk--of wat hij

daarvoor hield--is weg: hij voelt zich ellendig. En wat hem 't meest

ergert is, dat hij zich zoo klein heeft gevoeld tegenover die vrouw:

zijn eigenliefde heeft een geduchten knak gekregen. Ook weet hij niet

recht, wat hem te doen staat. Moet hij trachten het tot een scheiding

te brengen, nu hij nog zoo kort met Clara verbonden is? Dat zou dan

moeten gebeuren bij aankomst in Indië! Dat zou bespottelijk zijn, en

wat zou de wereld er wel van zeggen, zijn familie, zijn vrienden, zijn

kennissen? Hij zou een zot figuur maken, een eenig zot figuur! Toch

zou 't moeten, want waartoe verder samen te leven met een mooie, jonge

vrouw, die hem haar gunsten steeds zou blijven weigeren? 't Zou hem een

voortdurende terging zijn. Maar zou 't inderdaad zoo ver komen? Van

Breeveld was geen pessimist: 't was hem tot nu toe in 't leven zoo

voorspoedig gegaan, dat hij nauwelijks aan tegenspoed geloofde. Zou

Clara's wonderlijk gedrag niet nog kunnen veranderen? vroeg hij zich

weer hoopvol af. Langzamerhand troostte hij zich met dit denkbeeld. "'t

Zal wel terecht komen," mompelde hij, toen hij eindelijk besloot naar

bed te gaan.

Als hij toen echter in Clara's kamer had kunnen zien en hooren wat

daar op het oogenblik geschiedde, dan ware zeker die illusie even

snel verdwenen als ze opgekomen was. Clara lag op haar knieën voor

haar bed, en, de handen krampachtig saâmgedrukt, bad ze 't vurigste

gebed, dat ooit nog over haar lippen gekomen was. In door snikken

afgebroken woorden smeekte ze om kracht voor de toekomst, om licht in

't donkere verschiet, dat zich voor haar opende.

"O God," stamelde zij, "'t kan immers uw wil niet wezen, dat uw kind

zich verlaagt, om dien man ten genoege te zijn? Dat kàn niet! dat kàn

niet! Nietwaar, gij zult me kracht geven, om te blijven handelen naar

de inspraak van mijn geweten?"

Clara van Merenstein: Haagsch-Indische Roman · 第 21 / 35 题