"Hè?" roept ze na de lezing, vol verbazing en door de sterke aandoening
geheel natuurmensch geworden.
"Is dat van uw dochter uit Indië, Mevrouw?" vraagt Dientje heel leuk.
Mevrouw springt op.
"Och meid, wat leuter je.... van een heer, die ik heelemaal niet ken,
die juffrouw Christien ten huwelijk vraagt."
"Alle minse!" roept Overijselsche Dientje.
Mevrouw gaat voort, half in zich zelve en op en neer dribbelend:
"Allag, Allààààg, wat moet ik doen, wat moet ik doen?" Nog staat ze
een oogenblik besluiteloos, kijkt naar Dientje, naar 't telegram,
leest 't nog eens, frommelt 't daarna in elkaar, strijkt het weer glad
en bergt het weg, kijkt eindelijk de verwonderde meid nog eens aan,
ditmaal strak met beslistheid in de mooie bruine oogen en zegt:
"Haal mijn mantel en mijn hoed."
Dientje gehoorzaamt. In een ommezien is haar meesteres klaar om uit
te gaan. Even een behaagzieken blik in den spiegel en weg is ze,
de trap af en de deur uit. Ze gaat naar haar intieme vriendin in de
naaste straat, de vrouw van een suikerplanter, die met haar beide
jonge kinderen in patria is, rijk leeft in een prachtig huis, en
"niet wel is met haar man." Die zal wel raad schaffen, meent de
ander. Natuurlijk was haar besluit al genomen, maar zulk een zaak
kòn ze niet voor zich alleen houden....
Dientje staat nog een poos verbluft boven aan de trap, en, keukenwaarts
gaande, mompelt ze:
"Wel m'n lieve tijd, en die noemen ze nou "Moeder Merenstein!" Zou
je niet zeggen, dat 't een jonge meid was, zoo "vief" is ze!"
Dit tooneeltje viel voor om half tien in den morgen. Om twaalf uur kwam
er een boodschap "dat Mevrouw bleef koffie drinken". Om twee uur hield
een rijtuig voor de deur stil. De koetsier belt aan. De deur wordt
niet open gedaan. Hij belt nog twee maal, de deur blijft gesloten.
"Juffrouw, er schijnt niemand thuis te zijn daar boven", zegt hij
tot een jonge dame, die juist uit 't rijtuig is gestapt.
De zoo toegesprokene is Clara van Merenstein, de thuisverwachte
uit Mühlenwald.