U moet niet denken, dat ik boos ben, hoor. Veel groeten en zoentjes
ook aan Loetjoe.
Mama Van Merenstein vouwde 't kleine rozeroode briefje weer op en
leî het in haar sleutelmandje, vlak bij haar op 't nachttafeltje. Ze
bleef nog even rechtop in haar bed zitten en mompelde:
"Och, die Toetie is ook altijd zoo, kasian!"
Meteen keerde zij zich naar de half geopende deur van 't kleine
kamertje waarin zij lag, en riep luid en schril:
"Dientje!!"
Een stem van de eerste verdieping, beneden, waar de keuken lag,
riep terug:
"Ja, Mevrouw!"
"Je kunt sluiten, ja, Dientje. Ik ga maar slapen, jà?" Dientje,
de meid, schreeuwde terug, dat het goed was.
Mevrouw Van Merenstein sloot hierop haar kamerdeur: ze kon die uit
haar bed gemakkelijk bereiken. Behagelijk strekte ze zich uit en trok
de dekens tot hoog over de schouders.
't Was een gure April-avond en haar Indische kleumerigheid had haar
na tien jaren verblijf in Holland nog niet verlaten.
Als een hondje in zijn mandje bewoog de kleine gestalte zich nog
eenige malen onrustig heen en weer, totdat eindelijk 't goede plekje
en de gemakkelijke houding gevonden waren.
"Och, die Toetie", mompelde zij nog eens en ze gaf den vrijen loop
aan haar gedachten, zooveel ze die had. Ze zou 's lekker slapen. 't
Was nu elf: als ze om acht uur opstond, zou ze wel uitgerust zijn. Ze
hield niet van lang slapen, maar nu was 't wat anders. Den vorigen
dag was ze jarig geweest en ze had veel gedaan voor al haar gasten,
en zelf braaf mee feestgevierd. Ze moest eens uitslapen.
Een gekraak aan de deur deed haar opschrikken, zoo uit haar eersten
dommel. Erg onaangenaam. Ze keek naar de deur.
Een zwartharig meisjeskopje vertoonde zich er even binnen. Ze mocht elf
jaar oud geweest zijn. 't Gezichtje was geestig en guitig; de zwarte
kijkertjes tintelden van leven en 't kleine mondje stond altijd even
open, als gereed om te lachen. 't Neusje was een wipneusje van de lieve
soort. Ziende, dat haar moeder reeds te bed lag, zeî ze half ontsteld:
"Is u al in bed?" met een sterke rekking van 't laatste woord. "Ik
wist niet, dat u al naar bed was gegaan ..... Nacht, Ma, dan ga ik
óók maar."
"Ach, wat toch?" Mevrouw Van Merenstein was een beetje boos.
"Nu, ik mag u toch wel goeie nacht zeggen?" antwoordde het kind
spijtig. "Nacht Ma, goeie nacht, hoor."
Geen geluid terug.
"Ik wensch u goeie nacht, Ma." Er klonk iets ondeugends in 't
stemmetje.
"Allag tobat, laat me toch slapen!" riep de moeder, nu geheel
wakker. "Màg ik niet slapen? 't Is elf uur..... Ga na' je bed..... 't
Is te erg!"
"Ik ga al ...." De deur gaat dicht.
"Ik doe 't toch niet," pruttelt de kleine Loetjoe in de gang.
Mama hoort 't en voelt zich in haar moederlijke waardigheid aangetast.
"Wat zeg je daar, Tjoe?" roept ze haar achterna.
"Niets, Ma. Ik zeg u goeie nacht."
"Kom 's hier."
't Kind gehoorzaamt.
"Wil je nog 's zeggen, wat je daar zooeven zeî?" roept de verbolgen
moeder.
"Ik heb niets gezegd, heusch niet." De groote donkere kijkers kijken
zoo erg ondeugend, quasi oprecht.
Daar kan de ander niet tegen. Geërgerd als ze al is door de stoornis in
haar eersten slaap, wordt ze nu nog beet genomen. Ze wil meer eerbied
in haar kind. Niet in staat, dit door een gepaste houding te bereiken,
gelooft ze in de macht van 't geweld. Dreigend heft ze de hand op,
om Loetjoe te slaan. Maar ze ligt nog altijd te bed en 't meisje
staat aan de deur. Loetjoe ziet het gevaar en ontsnapt in de gang.
Mevrouw van Merenstein springt op en loopt haar in "sarong en kabaai"
na.
"Ik zeg 't toch niet," roept het kind, als 't bij den arm gegrepen
wordt. "Ik heb immers niets geen kwaad gedaan."
Meteen krijgt ze een klinkenden slag om de ooren.
Loetjoe is woedend. Luid schreiend krijt ze:
"Dat 's gemeen van u! U màg me niet slaan! Als Toetie dat 's wist." 't
Kind tracht zich los te worstelen, maar de moeder is door de laatste
woorden nog heviger verbitterd en houdt haar armpje als in een tang
omkneld. Met de vrije hand grijpt ze naar een parapluie in den standerd
en wil het kind daarmee te lijf. Loetjoe doet eene wanhopige poging
om los te komen, de angst voor 't strafwerktuig doet haar krachten
verdubbelen. Met een vaart vliegt ze in eens de trap op. Mama haar
achterna. 't Kind is half gek van angst en verontwaardiging. Ze stuift
in haar slaapkamertje boven en slaat de deur dicht, vlak voor haar
moeder. Ze hijgt. De deur is dicht, Goddank. Maar de sleutel zit er
buiten op. Haastig schuift het kind haar bedje tegen de deur aan en
leunt met haar volle gewicht er tegen aan.
"Zul je open doen?" klinkt het van den overloop.
"U mag me niet slaan! Ik vind u gemeen!" roept het meisje met trillende
stem terug.
Mevrouw van Merenstein is buiten zich zelve. Met alle kracht drukt
ze tegen de deur van 't kamertje. Maar 't lukt haar niet, die open
te krijgen.
"Wacht maar, morgen," dreigt ze in machtelooze woede.
"Ik vind u gemeen!" schreeuwt het kind tergend van binnen.
"Zwijg ...."
"U is gemeen, gemeen, gemeen!" klinkt het ten antwoord.
Nog een poos blijft Mama van Merenstein haar woede luchten. De gewone
voorraad scheldwoorden, die ook dienst doet in voorkomende oneenigheden
met Dientje de meid, worden in de gebruikelijke climax uitgestooten.
Nog een paar keer poogt ze de deur van 't kamertje open te dringen. Te
vergeefs. 't Kind is tot 't uiterste gebracht en blijft meester van
't terrein.
Mokkend en zich voornemend, dat "ellendige" kind morgen eens
onderhanden te nemen, sluit ze de noodlottige deur van buiten, steekt
den sleutel bij zich en sloft de trap af naar haar eigen slaapkamer.
Onderweg hoort ze nog eens:
"U is gemeen!" en dan luid snikken.
"'t Is te erg," mompelt 't menschje in nachtgewaad en, nog een en al
zenuw van 't gebeurde, kruipt ze weer in haar bed.
Een kwartier later is alles stil in huis.
Iets over achten op den volgenden morgen stond Mevrouw van Merenstein
aan haar ontbijttafel thee te zetten. De aandoeningen van den
voorafgaanden nacht hadden geen spoor achtergelaten noch in haar
gelaatsuitdrukking, noch in haar gedachten. Ze had goed geslapen
en voelde zich als gewoonlijk, opgewekt. 't Leven was voor haar
altijd een uiterst gemakkelijk zaakje geweest. Toch, eens had ze
onaangename oogenblikken gehad, o, jawel, bij voorbeeld bij den dood
van haar eersten man en ook, iets meer nog, bij 't overlijden van
haar tweeden en laatsten echtgenoot. Dat was nu tien jaar geleden. Ja,
toen had ze een paar uur zuur gekeken en zich zeer ongelukkig gevoeld,
maar voor de rest was alles zonneschijn geweest. Ze had overigens
altijd pret. Behalve bedoelde narigheden had ze dan ook geen reden
tot klagen, dat moet gezegd worden. Van een zeer eenvoudige, echt
Indische familie--zelfs met een tikje Javaansch bloed--was ze reeds
op zeer jeugdigen leeftijd in het huwelijk getreden met iemand uit
de hoogste kringen, die een zeer invloedrijke betrekking in Indië
vervulde, en was ze daardoor al heel spoedig in staat gesteld, om
van 't aardsche te genieten naar hartelust. Die eerste echtgenoot
was letterlijk verzot op haar geweest, en zij had hem ook wel mogen
lijden, zoover dat bij haar oppervlakkige natuur mogelijk was. De
arme man--niet meer in zijn eerste jeugd--had spoedig de waarheid
bevestigd gezien van 't Fransche versje, dat eindigt met:
A une jeune femme il faut un jeune mari.
Hij was namelijk na twee jaar "ad patres" gegaan.
Zijn bekoorlijke weduwe had echter nauw het rouwkleed--dat haar
allerliefst stond--afgelegd, of een nieuwe bruidsjapon werd noodig;
want ze had geen weerstand kunnen bieden aan den drang van een drom
aanbidders: ze had eene nieuwe keuze gedaan. Ditmaal was de gelukkige
een ambtenaar in staatsdienst, een assistent-resident op Java. Deze,
een reus in gestalte en lichaamskracht, zat spoedig onder 't snoezige
pantoffeltje zijner wederhelft. Het vrouwtje had nu ondervinding
van 't echtelijk leven: was ze voor haar eersten man 't schuwe,
onnoozele, onderworpen nonnatje geweest, hoe goed en zwak hij zich
ook steeds getoond had, thans was zij de baas. En ze regeerde in de
assistent-residentswoning naar behooren, aangenomen dat ze er regeeren
mocht: als huisbestierster een voorbeeld van netheid en zuinigheid,
als gastvrouw de gulheid en voorkomendheid zelve. Manieren had ze voor
een binnenlandsche plaats op Java voldoende aangeleerd. Binnenskamers,
met manlief alleen, was ze echter weer kind van 't land: koppig,
onverschillig, jaloersch, kattig; maar al de eigenschappen, met
nog enkele meer, op wonderlijke wijze gepaard met onverwoestbare
luchthartigheid. Met een allerverleidelijkst lachje--om haar man dol
te maken--kon ze halsstarrig weigeren, als ze verkoos te weigeren,
kon ze hem sarren en plagen uit pure speelschheid, kon ze razen
van jaloezie en een half uur tieren en schelden, om 't volgend
oogenblik zachtzinnig te zijn als een poesje. Van Merenstein,
de assistent-resident, had sterke zenuwen, en hij stond hoog op de
ranglijst om resident te worden. Hij bracht het dus tot die hoogte en
hield het nog zes jaar uit. Waarschijnlijk zou hij, flink gewetensvol
ambtenaar als hij steeds geweest was, het zonder zijn vrouw wel
tot directeur of raad van Indië gebracht hebben. Maar den lande
dienen in een zware betrekking en thuis in zijn vrije uren lichaam
en ziel op te offeren aan 't verleidelijkst duivelinnetje, dat ooit
vrouwengedaante heeft aangenomen, ziedaar twee zaken, die moeielijk
samen kunnen gaan. Zeven volle jaren hield hij 't uit. Toen kreeg hij
zijn ontslag en pensioen. De man was op. Toen hij drie weken niets
te doen had gehad, scheen zijn gestel, als een afgeloopen uurwerk,
dat niet meer opgewonden wordt, plotseling alle kracht verloren te
hebben. Haastige aanstalten voor een vertrek naar Holland werden
gemaakt, maar de man stierf, vóordat men aan boord was. Men beteekent
hier Van Merenstein, zijn vrouw en drie dochters, waarvan éen uit het
eerste huwelijk. De zeven en veertigjarige ex-resident vond dus rust,
de eeuwige, in "Java's palmentuin", en zijn vrouw ging ontspanning
zoeken in 't verre, gure Holland. Wellicht werkte daarbij sterk
het besef harer gevallenheid na zooveel macht en luister als de
residentsche, wellicht ook een trek naar 't geheimzinnige "Holland",
waar haar man en zooveel anderen zoo waanwijs van konden praten,
zonder dat zij er eenig ander begrip van had, dan dat 't er "heerlijk"
moest wezen. Ze was dus vertrokken.
Bij 't begin van deze geschiedenis was zij reeds tien jaar in Den
Haag. Men had haar die plaats aangeraden: daar waren de meeste
Indischen, en daar zou ze veel van haar oude kennissen terug kunnen
zien. Die "stijve totok's" verveelden haar. Nu haar man dood was,
kon ze vrij haar kennissen kiezen, zonder op positie of rang te
letten. Ze hàd ze gevonden en een ruime keuze gedaan ook. 't Leven
in Holland was haar op die manier erg meegevallen. Haar gezond en
sterk lichaam kon opperbest tegen de koû, hoe weinig aangenaam ze
die soms ook vond, en haar pensioen met de inkomsten en 't beetje
fortuin, dat ze over gehouden had, veroorloofden haar een vrij ruim
bestaan. Ergens in de Zeeheldenbuurt huurde ze een ruim bovenhuis en
richtte dat keurig in. Ze had smaak en in 't algemeen een wonderlijke
artisticiteit in kleeding, houding en gebaren. Maar, zooals zoo vaak,
hoorde daar ongestadigheid en wispelturigheid bij. Geen jaar had zij
gewoond onder de auspiciën van Holland's oude zeeleeuwen, of ze trok
naar den Archipel, de nieuwe stadswijk, die onze koloniale macht op
naamplaatjes in herinnering moet brengen. Intusschen had ze tal van
bekenden uit haar glorie tijdperk opgezocht, was overal hartelijk
ontvangen, had er nog evenveel intieme vriendinnen bijgemaakt,
en leefde nu in een voortdurende roes van avondjes, partijtjes en
uitgangetjes. Loetjoe, haar jongste dochtertje, was heel wat keeren
thuis gelaten, toevertrouwd aan de zorgen der dienstbode; terwijl
Toetie--of eigenlijk Clara, zooals ze ingeschreven en gedoopt was--toen
ze vijftien was, meestal meeging, evenals de oudste, "Non".
Na zes verhuizingen was ze eindelijk--nu voorgoed, verzekerde
ze en geloofde ze zelf vast--terechtgekomen in haar kwartier in
de Malaka-straat. Hier woonde ze nu met Loetjoe alleen, want Non
(of Christien) was 't vorige jaar met éen van de vele intiemen,
een allerhartelijkste, allergoedigste, allersympathiekste vriendin,
een weduwe met dochters, naar Indië teruggegaan, en Toetie was sinds
een jaar op kostschool in Duitschland. Indië is, zooals men weet,
nog altijd een heerlijk land voor huwbare dochters, als ze "spoedig
goed aan den man" willen komen. Menig juffie, dat er maar zoo zoo
uitziet en nauwelijks een brief in haar moedertaal kan schrijven,
vindt daar wat ze wenscht: een man met meer dan drie honderd gulden
in de maand te verteren en--die geen schurk is. Verder gaan haar
wenschen niet. 't Huwelijk is voor die menschen een handelstransactie,
't sluiten van een vennootschap zoo voordeelig en solide mogelijk.
Mevrouw van Merenstein woonde dus "stilletjes" met éen dochter in
huis en éen dienstmeid. Dat "stilletjes" vatte zij echter op haar
manier op. Geen dag ging er om, of er was aanloop van vriendinnen,
hartelijke, in-hartelijke menschen allemaal, en geen avond ging er
voorbij, of de vrouw des huizes was in gezelschap of mèt gezelschap. Ze
ging uit eten of had iemand "familiaar" ten eten. Soms, zoo eens in
de maand, ging ze uit logeeren, voor een paar dagen, een andermaal
had ze een of twee logés of logées in huis. Alles was intiem, joviaal,
hartelijk! Nu en dan een hartelijk ruzietje met de hartelijkste passie
als een donderbuitje, om den hartelijkheidshemel wat op te frisschen,
wat zou dat?
Zoo had de thans zes en dertigjarige, fleurige Mevrouw van Merenstein
haar verjaardag weer allerjoligst gevierd.
Het bovenhuis had gedaverd van de pret, en de menschen beneden
hadden bepaald een onrustigen avond en een slapeloozen nacht
doorgebracht. Alle dertig intiemen--meest tusschen de dertig en vijftig
jaar, mannelijk en vrouwelijk, in alle schakeeringen van groenachtig
blond en vaal kleurig tot mahonie-bruin--waren op bezoek geweest en
een zestal was blijven eten, terwijl daarna het dubbele aantal "den
avond was komen passeeren." De altijd vroolijke "Moeder Merenstein"
was een jubilaris geweest naar de rechte beteekenis van 't woord:
ze had gejubeld. En ze was weer zoo beminnelijk geweest, dat al
haar gasten verrukt waren. Er was muziek gemaakt, men had gewhist en
gehomberd, gezongen en gedanst, in een roes van wijn en hartelijkheid.
Nog zat ze erover te denken, daar aan haar ontbijttafel: 't was toch
gezellig geweest, o zoo gezellig.
Bij de herinnering, onder de zorgen voor 't eenvoudig ontbijt door,
schitterden haar vroolijke oogen met verhoogden glans. Ze zag er
weer keurig netjes uit in haar stemmig peignoirtje, een toonbeeld
van frissche gezondheid, met rozeroode wangen. 't Leven scheen haar
zeer de moeite van 't leven waard. Wat woonde ze daar goed! Met
welgevallen keek ze rond in de gezellige huiskamer met de eikenhouten
meubels, de vroolijke schilderijtjes, het kleurige karpet en al de
kleine versierseltjes van vrouwenhand. Een sierlijke donkerblauwe
"portière" scheidde de kamer van den kleinen ontvangkamer met de
poppige stoeltjes en tafeltjes, de olieverf-portretten, de kleine
piano, de verleidelijke sofa. Over alles lag een waas van smaak en
gezelligheid, in de schikking der meubels en de overeenstemming der
kleuren, blauw, grijs en bruin.
Hoe kwam die vrouw aan zooveel tact, zij, die na een zeer gebrekkige
opvoeding zoo jong reeds aan 't hoofd eener schitterende huishouding
had moeten staan, waar zooveel anderen nog de beste leerjaren moeten
doorloopen? Is het waar, dat de vrouw in 't algemeen meer assimilatie
vermogen heeft dan de man? Of zou haar afkomst hier in 't bijzonder
meegewerkt hebben? Zeker is 't, dat vele "Indischen" van haar slag een
grooten aanleg voor nabootsen bezitten. Wellicht bezat zij dien aanleg
in hooge mate. Ongetwijfeld kon ze dame zijn in alles.... behalve
't innerlijke, iets, dat voor de meeste oppervlakkige opmerkers
verborgen blijft.
Dat innerlijke bleek maar al te duidelijk in haar huiselijke
omgeving. Geen dienstbode kon het bij Mevrouw van Merenstein lang
uithouden en haar kinderen hadden haar niet lief.
Het tooneel van dien avond, de parapluie-geschiedenis, was weer
vergeten; de wraakplannen tegen de ondeugende Loetjoe opgegeven;
ze dacht er geen oogenblik meer aan.
't Kind kwam binnen en zeî heel koeltjes goeden morgen. Dat bracht
haar moeder weer op 't idee: Ze had toch eigenlijk dat arme kind niet
goed behandeld, kasian!
"Goeie morgen, Tjoe. Geef je me geen zoen?"
't Meisje gaf er een met een onverschillig gezicht.
"Niet meer ondeugend zijn, hoor. Je bent een goed kind, hoor,"
en de moeder trekt haar nog eens naar zich toe en kust haar
hartstochtelijk. "Hier," en ze tast in den zak, "wil je wat koopen?"
"Och nee, Ma." 't Stroeve gezichtje gaat niet uit de plooi.
"Waarom niet, hier." Loetjoe krijgt een gulden, en nog twee
kussen. Zwijgend neemt de kleine beide aan.
Mama praat voortdurend en let maar weinig op de korte antwoorden van
't kind. Loetjoe blijft stroef kijken en gaat met een koel groetje
naar school.
Mevrouw van Merenstein is veel te goed gehumd, om er notitie van
te nemen.
Na 't ontbijt snuffelt het bedrijvige vrouwtje wat in haar papieren
in den kleinen lessenaar. Ze haalt haar "boek" voor den dag. Daarin
wordt anders trouw alles aangeteekend wat aan geld is uitgegeven
en ontvangen. Den vorigen dag heeft ze dat verzuimd en een paar
posten--winst van 't kaartspelen op haar verjaardag en nog wat--dienden
weer netjes te worden geboekt, ook de gulden van zooeven.
Midden in die aangename bezigheden--ze heeft veel gewonnen in de
laatste maand, niet op haar feest, maar te voren bij 't "tjeki"--wordt
ze gestoord door de meid, die binnenkomt met een telegram.
Met een levendig gebaar grijpt moeder Merenstein naar 't
papier. Zenuwachtig teekent ze even, scheurt de envelop en leest
hardop, in 't bijzijn van Dientje, die, haastig teruggekomen, met
een nieuwsgierig gezicht en half open mond luistert:
"Verloofd! Verzoeke huwelijkstoestemming voor Christien per draad,
kosten hierbij, vijf-en-twintig gulden.