„Wat voor belangrijks zie je op straat?” vroeg Charly Brand zijn
vriend, die, verborgen achter een Turksch gordijn, aan het venster
stond en minutenlang met groote aandacht naar buiten keek.
„Ken je dien man?” informeerde Raffles, „die daar met den rug naar ons
toe met een huurkoetsier staat te praten?”
„Neen,” antwoordde Charly Brand, „wat is er met dien man?”
„Ik kijk al tien minuten naar hem en kon hem eerst niet herkennen,
omdat hij zijn hoed zoo over het voorhoofd heeft getrokken.
„Hij keek met de grootste belangstelling naar alle huizen en las de
namen op de bordjes.
„Ik heb hem herkend, het is onze oude vriend, de oplichter en spitsboef
van Scotland Yard.”
Nu was het gesprek, dat Raoul Navazka (deze was het inderdaad) met den
koetsier had gevoerd, uit en langzaam liep hij weer langs de huizenrij.
Ook Charly herkende hem nu.
„Hoe kan de kerel weten, dat wij aan het Waterlooplein wonen?” vroeg
Charly Brand.
„Ik herinner mij nu,” antwoordde Raffles, „dat ik een groote domheid
heb begaan door mijn visitekaartje in de portefeuille te laten zitten.
„Hij zal het adres gelezen hebben en zich dit nog zoo ongeveer
herinneren.
„Dat is een vervelende geschiedenis, ik zou niet graag ter wille van
dezen man ons gezellig huis hier verlaten.”
Hij keek den zwendelaar met groote belangstelling na:
„Hij schijnt den naam, die op het kaartje stond, te hebben vergeten,
ook het nummer. Maar ik zal hem op een verkeerd spoor brengen, dat zal
een aardige mop worden.
„Kleed je en ga met mij mee.”
Na eenige oogenblikken verlieten beide heeren het huis door een
achterdeur.
Alle gebouwen aan het plein hadden aan elkaar grenzende tuinen, die nu
in den winter kaal en verlaten waren. Zij waren door lage heggen van
elkaar gescheiden.
Het liep tegen vier uur en een dunne mist deed de duisternis vroeg
invallen.
Beschut door dezen nevel klauterden zij tot in den tuin van het
veertiende huis, op den hoek van het plein.
Hier woonde, zooals Raffles wist, Miss Webster, een oude, voorname
dame, die een liefhebster was van katten en honden. Het gelukte hun,
het huis van Lady Webster ongemerkt van de achterzijde binnen te
sluipen en door de huisdeur, die op het plein uitkwam, weer te
verlaten.
Bij het openen der deur klonk een bel en een oude bediende snelde de
gang in. Denkende, dat Raffles van het Waterlooplein het huis was
binnengekomen, vroeg hij, wat mijnheer wenschte.
„Pardon,” antwoordde Raffles terwijl hij den ouden man een shilling
gaf, „kunt gij mij ook zeggen, waar hier in de buurt een zekere Mr.
Vanderfeldt woont?”
„Neen, mijnheer,” antwoordde de portier, „het spijt mij, dat ik u niet
kan inlichten.”
„Dank u,” sprak Raffles, hij nam zijn hoed af en verliet het huis.
Een klein tuintje scheidde het huis van het plein, Hierin bleef Raffles
staan, tot Charly Brand zeggende:
„Ga nu naar links, naar den kant, waar de spion van de politie staat,
doe alsof je hem niet ziet en breng mij een rijtuig naar dit huis. Ik
wacht hier.”
Charly Brand ging links het plein op en op eenige schreden afstand van
het huis zag hij den politiespion naar hem toekomen.
Deze zag Charly Brand dadelijk.
Om niet herkend te: worden, liet de oplichter zijn sigaar vallen en
bukte zich om deze op te rapen, juist toen Charly Brand hem passeerde.
Hij zag dat deze een rijtuig nam en daarmee terugkeerde naar het huis
van Lady Webster, waar zeker de groote onbekende moest wonen.
Een straal van vreugde blonk in de oogen van Raoul Navazka, toen hij
Raffles het bordes af zag komen en in het rijtuig stappen.
Nauwelijks was het rijtuig weggereden, of Raoul Navazka snelde naar het
huis en noteerde het nummer ervan.
Met een triomfantelijk lachje liep hij nu het plein over, nam eveneens
een rijtuig en riep tot den koetsier:
„Rijd zoo snel mogelijk naar Scotland Yard, ik betaal u het dubbele!”
Inspecteur Baxter wilde juist zijn bureau verlaten om te gaan dineeren,
toen een der beambten Raoul Navazka binnenleidde.
„Wat wilt gij?” vroeg Baxter, „hebt gij Raffles gevonden?”
„Ja,” antwoordde Raoul, „ik heb hem zooeven uit zijn huis aan het
Waterlooplein zien komen en in een rijtuig stappen.”
„Is dat inderdaad waar?” vroeg inspecteur Baxter met een uitdrukking
van twijfel op het gelaat.
„Zeker!” sprak Raoul, „en ik moet u verzoeken, voordat ik u het adres
meedeel, mij de beloofde duizend pond sterling uit te betalen. Want ik
behoef u, volgens onze overeenkomst, slechts mee te deelen, waar gij
Raffles gevangen kunt nemen.”
„Ik vind, dat het tijdig genoeg is, als wij er ons van hebben
overtuigd, dat uwe mededeelingen op waarheid berusten,” antwoordde
Baxter, „wijs mij eerst het huis, ik zal u het geld uitbetalen!”
Raoul begreep zeer goed, dat de inspecteur van politie brandde van
verlangen om Raffles in hechtenis te nemen.
„Het spijt mij,” antwoordde hij daarom, „ik blijf bij mijn voorstel.
Gij betaalt mij duizend pond sterling, daarna breng ik u naar de woning
van Raffles.”
Inspecteur Baxter zag in, dat hij met dezen zwendelaar niet veel verder
zou komen. Hij belde en gaf een beambte het bevel, hem uit de kas der
politie een chèque van duizend pond sterling te brengen.
Maar ook hiermee nam Raoul Navazka geen genoegen.
„Geef mij het bedrag in geld, heer inspecteur”, sprak hij, „ik kan met
een chèque niets meer uitrichten.”
Inspecteur Baxter werd zenuwachtig.
„Kom,” antwoordde hij, „ik zal zien of het bedrag in onze kas
voorhanden is.”
Hij ging naar den kassier van Scotland Yard en ontving van dezen het
geld.
Nadat Raoul Navazka het had weggeborgen, sprak hij:
„Laat ons nu naar het huis gaan.”
Vergezeld door een paar dozijn beambten verliet inspecteur Baxter
Scotland Yard, om eindelijk Raffles gevangen te nemen.
Deze was intusschen met een ander rijtuig uit de stad teruggekeerd en
had een cijfertelegram verzonden aan Het filiaal der Engelsche Bank te
Brighton, van den volgenden inhoud:
„Deponeer onder couvert, letter R. 100, bij den kassier van het
badhotel een bedrag van vijfduizend pond sterling ten onzen laste.
Wij zullen u morgen, daar het nu reeds te laat is, de chèque
toezenden.
De directeur Charly Ruster.”
Het was precies halfvijf, toen Raffles dit telegram overseinde.
„Ik wil,” sprak hij tot Charly Brand, „nog een grapje met den
bankdirecteur uithalen.
„Om vijf uur wordt de Bank gesloten en daarna kan de chef van het
filiaal in Brighton telegrafisch, noch telefonisch den directeur meer
bereiken.
„Nu gaan wij met den avondtrein naar Brighton en keeren vannacht terug.
Het is een reis voor zaken, die wel de moeite zal loonen. Herinner er
mij even aan, dat ik vannacht de couranten bericht zend van mijn
laatste werk, opdat de directeur van de Bank niet weer onjuiste
berichten op kan geven.”
Toen Raffles per rijtuig met Charly Brand naar het station reed,
ontmoette hij verscheiden gesloten auto’s, die hij dadelijk als
politiewagens herkende.
Hij wees ze Charly en sprak lachend:
„De jacht van den inspecteur van politie op Raffles!”
Baxter verdeelde zijn beambten zoodanig, dat niemand het huis, dat hem
door Raoul Navazka was aangewezen, kon verlaten. Daarop wachtte hij, of
Raffles en Charly Brand misschien nog moesten thuis komen. Maar de
helder verlichte ramen en de schaduwen, welke af en toe op de gordijnen
zichtbaar waren, gaven hem de overtuiging, dat de beide vrienden reeds
weer thuis moesten zijn.
Tegen tien uur in den avond gaf hij zijn detectives bevel, het huis te
bezetten.
Hij belde zelf en toen de oude, grijze portier de huisdeur opende en
met verbaasd gelaat vroeg, wat mijnheer wenschte, hield deze hem een
revolver voor en riep:
„Gij zijt mijn gevangene! Geef geen geluid en waag het niet, u te
verdedigen. Hier is mijn ambtspenning. Ik ben de inspecteur van politie
van Scotland Yard.”
Doodelijk verschrikt staarde de oude man den woedenden inspecteur aan
en stamelde:
„God in den Hemel! Wat wilt gij van mij? Ik ben 70 jaar oud en heb nog
nooit in mijn leven iets met de politie te maken gehad!”
„Zwijg!” riep inspecteur Baxter, „wat gij gedaan hebt, zal u morgen
door den rechter worden meegedeeld. Volg de beambten naar het rijtuig.”
Twee detectives namen den bevenden, snikkenden oude in hun midden en
brachten hem naar hun auto.
Nu begon Baxter het huis door te zoeken.
„Vindt gij ook niet,” vroeg detective Marholm zijn chef, „dat het hier
zeer sterk naar katten en honden riekt?”
„Ja,” antwoordde de inspecteur, „waarschijnlijk houdt Raffles er van
die beesten op na. Volg mij nu naar boven.”
Met de geladen revolver in de hand stiet hij de deur der woonkamer open
en in het volgende oogenblik overschreed hij den drempel van een deftig
ingericht vertrek, waarin een oude dame in een leunstoel zat.
Verbaasd keek zij de binnentredenden aan en vroeg:
„Wat wenscht gij van mij?”
Inspecteur Baxter aarzelde een oogenblik, toen hij de oude dame zag.
Daarop echter riep hij, terwijl hij aan de verschillende vermommingen
dacht, waarvan Raffles reeds gebruik had gemaakt:
„Gij misleidt mij niet. Voorwaarts, mannen! Daar in dien stoel zit
Raffles! Hij wil ons zooals reeds meermalen is gebeurd, weer
bedriegen.”
Met opgeheven revolver naderde hij de oude dame, die bleek van schrik
in haar stoel achterover zonk.
„Mijn God,” fluisterde zij, „zijt gij krankzinnig? Wat wilt gij van
mij?”
Detective Marholm, die alleen was meegegaan om te zien, welke domheden
de inspecteur van politie nu weer zou uithalen, zag dadelijk, dat dit
een oude dame en volstrekt niet John Raffles was.
„Zijt gij door den duivel bezeten, inspecteur?” riep hij, zijn chef van
de oude dame wegtrekkende, „deze dame zou hoogstens de moeder van
Raffles kunnen zijn!”
„Wie zou ik zijn?” vroeg Mrs. Webster.
„John Raffles,” antwoordde detective Marholm, moeite doende om niet te
lachen.
„Gij vergist u,” sprak de dame, „mijn naam is Lady Webster.”
Inspecteur Baxter keek nog altijd vol twijfel naar de oude vrouw. Nu
begon ook hij te vermoeden, dat de vóór hem zittende inderdaad een dame
en niet de verkleede John Raffles was.
„Wij veronderstellen,” legde hij Mrs. Webster uit, „dat dit het huis is
van den door ons gezochten John Raffles.”
„Gij vergist u,” antwoordde de Lady, „dit huis is sinds veertig jaar
mijn eigendom. Gij kunt hiernaar informeeren op het naaste
politiebureau. Elke agent daar kent mij.”
De op het plein dienstdoende politieagent werd naar binnen gehaald, om
de verklaring van Lady Webster bevestigen.
Voordat deze man kwam, doorzocht Baxter het huis. Toen hij een deur
naast de woonkamer opende, sprong hem een groote, zwarte kater
tegemoet, gevolgd door een menigte katten en honden. De dieren snelden
allen de kamer hunner meesteres binnen.
„Daar is Raffles!” riep detective Marholm lachend. De geheele zaak kwam
hem als een vermakelijke comedie voor.
„Waar?” vroeg Baxter, zijn revolver gereed houdende.
„Daar!” antwoordde Marholm, op den zwarten kater wijzend.
De inspecteur uitte een vloek, terwijl de oude dame sprak:
„Het dier heet niet Raffles, maar Murphy.”
„Houd uw grappen voor u,” riep Baxter, „gij zijt in dienst, detective
Marholm! Wij hebben andere dingen te doen. Ga met mij mee om de andere
vertrekken van het huis te onderzoeken.”
Zij liepen alle kamers door, zonder een enkel spoor van Raffles te
ontdekken.
Toen zij in de huiskamer van Lady Webster terugkeerden, waren daar
reeds verscheiden agenten van het dichtst bijgelegen bureau van politie
aangekomen, met verbaasde blikken hun chef aankijkend.
„Aan wien behoort dit huis?” vroeg Baxter.
„Aan Mrs. Marie Webster,” antwoordden de agenten.
„Kent gij deze dame?”
„Jawel,” luidde het antwoord, „de echtgenoot van deze dame was de
bekende admiraal Webster. Wat wenscht gij van haar?”
Inspecteur Baxter zette een verbazend verlegen gezicht, terwijl hij nu
volle zekerheid had, dat hij in zijn blinden ijver om Raffles te vangen
weer een grooten bok had geschoten.
„Hoe komt het echter,” vroeg hij de oude dame, „dat een paar uur
geleden Raffles en zijn vriend uit uw huis zijn gekomen en vóór dit
huis per rijtuig zijn uitgereden?”
„Dat weet ik niet,” sprak Lady Webster, „ik kan slechts herhalen, dat
ik dezen mijnheer Raffles niet ken en dat ik nog nimmer heb omgegaan
met lieden, die door de politie worden gezocht.
„Ik leef alleen met mijn dieren.”
„Breng den ouden bediende hier,” beval de inspecteur zijn detectives,
en binnen eenige minuten stond deze voor zijn meesteres, aan beide
handen zwaar geboeid.
„Om ’s Hemels wil, Jack! Wat hebben zij met jou gedaan?” riep Mrs.
Webster ontsteld uit.
Met tranen in de oogen keek de oude man zijn meesteres aan en sprak:
„Ik weet niet, wat ik misdaan heb. Die heer daar— —” hij wees naar den
inspecteur van politie, „beval, om mij te boeien en mij op te sluiten.”
„Kunt gij mij opheldering geven,” vroeg Baxter den bediende, „wat
eenige uren geleden een paar heeren in pelsjassen hier in dit huis
hebben gedaan?”
„Jawel,” antwoordde de bediende. „Het was vanmiddag om ongeveer vier
uur, toen twee heeren in pelsjassen en met hooge hoeden op door de
huisdeur, die door de een of andere nalatigheid niet gesloten was,
binnenkwamen.
„Zij vroegen mij, terwijl de eene heer mij een shilling fooi gaf, of ik
hun het adres kon opgeven van een zekeren mijnheer Vanderfeldt, die
hier aan het Waterlooplein moest wonen.
„Ik kon dit niet en daarna gingen de heeren heen.”
Inspecteur Baxter plukte zenuwachtig aan zijn kortgeknipte snor,
terwijl toorn en verlegenheid op zijn gelaat om den voorrang streden.
Nu begreep hij volkomen, dat hij weer door Raffles voor den gek was
gehouden en dat deze hem een groote domheid had laten begaan.
Detective Marholm kon zijn lachen niet langer bedwingen. Het gelaat van
den inspecteur was te grappig om er ernstig bij te blijven.
Hij schaterde en riep uit:
„Neem mij niet kwalijk, inspecteur, maar ik zou niet graag ongesteld
willen worden. Mijn spijsvertering zou er onder lijden. Ik moet lachen,
al zou het mij ook mijn betrekking kosten.
„Daar hadden wij bijna een oude, eerbiedwaardige dame gevangen genomen
en een grijsaard als zwaar misdadiger geboeid, en alleen de zwarte
kater wacht er nog op om als John Raffles te worden weggebracht.
Heilige barmhartigheid! Is me dat lachen!”
Het geval was zoo vermakelijk, dat alle detectives en ook Mrs. Webster
in lachen uitbarstten.
Alleen inspecteur Baxter perste zijn lippen vast op elkaar. Met
verbeten woede sprak hij op barschen toon tot een der detectives:
„Ontdoe dien man van zijn boeien!”
Daarop wendde hij zich tot Lady Webster en begon met een grooten
woordenstroom zijn verontschuldigingen aan te bieden.
De kater, die meende, dat Baxter zijn meesteres uitschold, blies nijdig
en maakte een krommen rug, alsof hij den vreemden heer wilde
aanvliegen.
Nu gaf inspecteur Baxter bevel om naar Scotland Yard terug te keeren.
Toen hij voor het huis stond, vroeg hij zijn beambten, waar Raoul
Navazka was gebleven.
Maar geen der detectives had hem gezien.
Hij had zich ver van het arbeidsveld der politie verwijderd en was
duizend pond rijker geworden.
Toen Baxter in de auto zat, kermde hij van machtelooze woede en
verzekerde, evenals na elke nederlaag, die lord Lister hem deed
ondergaan:
„Ik word krankzinnig, die Raffles maakt mij stapelgek!”
Detective Marholm, die tegenover hem zat, antwoordde:
„Dat zou erg jammer zijn voor Scotland Yard!
„Stoor u voortaan eens meer aan mij en ga niet op zulke roekelooze
dingen in. Gij zijt tegen Raffles niet opgewassen!”
Toen Baxter in Scotland Yard aankwam, wachtte hem daar een nieuwe
verrassing.
Er was een brief voor hem gebracht en hij zag aan het adres, dat die
van Raffles moest komen.
De inspecteur was zoo zenuwachtig geworden, dat hij den brief niet
durfde openen. Hij liet dit aan Marholm over.
Toen deze den brief had gelezen, begon hij opnieuw te lachen en riep
uit:
„Deze man, die Raffles, maakt mij ook gek. Maar ik zal het niet worden
uit zenuwachtigheid, maar omdat hij mij zooveel laat lachen, dat ik er
niet tegen bestand zal zijn.
„Luister eens, inspecteur, wat hij ons meedeelt:
„Inspecteur van politie Baxter. Londen, Scotland Yard.
Waarde heer!
Met genoegen zag ik, dat gij heden langs mij zijt gereden, toen
gij, een paar uur geleden, op jacht naar mij zijt uitgetrokken.
Troost u over het feit, dat gij mij niet hebt gevangen. Het gebeurt
den knapsten jager, dat het wild hem ontsnapt. Opdat gij weet,
waarmede ik mij tijdelijk bezig houd, deel ik u mede, dat ik mij
onder het adres R. 100 uit den onbeschaamden overvloed van geld,
dien de Engelsche Bank nog steeds ten koste van het volk heeft,
5000 pond sterling laat geven. Als gij deze regels leest, ben ik
reeds in het bezit van dat geld.
Groet uw vriend en meester, den oplichter Raoul Navazka, of hoe hij
zich anders moge noemen, en laat u niet verleiden, in uw grooten
ijver om mij in handen te krijgen, een vogel, dien gij veilig in
een kooi hadt, weer te laten vliegen.
Deze Raoul Navazka was bij u uitstekend opgeborgen. Als gij soms
een der katten van Mrs. Webster inplaats van mij hebt meegenomen,
feliciteer ik u daarmee. Gij kunt namelijk een dergelijk dier zeer
goed gebruiken in Scotland Yard. Want in de kelders ontdekte ik,
toen ik daar den vorigen nacht een bezoek bracht, een massa muizen.
Een kater zou daar zeer goede diensten kunnen bewijzen. Maar
misschien bezit gij er zelf een. Met de meeste hoogachting voor uw
persoon blijf ik gaarne Uw