De oplichter zag het vroolijke spotlachje niet, dat bij het lezen dezer
woorden over het gelaat van Raffles vloog.
„Zeg tegen den heer”, zoo wendde hij zich tot den oberkellner, „dat bij
maar bij mij moet komen.”
Eenige oogenblikken later naderde de zwendelaar Raffles, een beleefde
buiging makende, die door den ander zeer uit de hoogte werd beantwoord.
„Graaf Salden”, zoo stelde Navazka zichzelf voor, wat een nieuw
spotlachje op Raffles gelaat te voorschijn riep.
„Gij wenscht?” vroeg Lord Lister, terwijl hij zijn handschoenen
aantrok.
„Ik moet u dringend spreken”, antwoordde Raoul Navazka.
„Dan moet gij met mij meegaan naar de Club. Ik heb daar een afspraak en
kan hier niet langer blijven.”
Raoul Navazka dacht even na. Hij vreesde terecht, dat Raffles hem naar
een club zou brengen, die hem geheel onbekend was. Raffles zou hem
zeker ontsnappen.
„Als gij het goed vindt, vergezel ik U”, sprak hij, niettegenstaande
dat, vastberaden.
„Het zal mij een waar genoegen zijn, u mee te nemen”, antwoordde
Raffles.
De zwendelaar maakte een buiging, ging naar zijn tafeltje, betaalde
zijn vertering en sprak met de dame een later rendez-vous af.
Vóór alles moest hij nu beproeven, in gezelschap van Raffles te
blijven, opdat hij onderweg een betere gelegenheid kreeg hem aan de
detectives over te leveren.
Voordat hij Raffles uit het restaurant volgde, sprak hij tot den
oberkellner:
„Er zullen hier eenige kennissen voor mij komen.
„Zeg tegen de heeren, dat ik telefonisch bericht zal zenden, waar ik
mij bevind. Ik had graag, dat de heeren dan bij mij kwamen. Vraag, of
zij zoolang op mij willen wachten.”
Nu verliet hij het lokaal en volgde Raffles, die hem reeds buiten
wachtte. Deze had een automobiel aangeroepen en Raoul Navazka nam
daarin plaats met Lister en Charly Brand.
Raffles had den chauffeur het adres reeds opgegeven.
Er waren nauwelijks vijf minuten verloopen, toen een politieauto voor
het restaurant stilhield en Baxter, vergezeld door verscheiden
detectives, het lokaal binnensnelde.
Maar tevergeefs zocht hij naar Raffles, totdat de oberkellner hem de
boodschap van Raoul Navazka overbracht.
Mistroostig nam de inspecteur met zijn beambten aan een tafeltje
plaats, waar hij op het bericht wachtte, dat de zwendelaar hem zou
zenden.
Raffles was intusschen voor de Sandwich-club aangekomen en met Charly
Brand en Navazka een kleine conversatiezaal binnengegaan.
Nauwelijks hadden zij hun jas en hoed aan den bediende afgegeven, toen
Raoul Navazka een voorwendsel zocht, om zich eenige oogenblikken te
verwijderen. Hij wilde inspecteur Baxter per telefoon meedeelen, dat
hij zich met Raffles in de Sandwich-club bevond.
Maar Raffles sprak glimlachend:
„Gij zult moeten toestaan, dat onze zaak eerst moet worden afgehandeld.
Gij weet, dat mijn tijd zeer beperkt is. Deel mij dus mee, wat gij
wenscht.”
De oplichter zag, dat Raffles blijkbaar verraad vreesde en goed
oppaste.
Hij nam daarom plaats en begon:
„Ik was gisteren nog een gevangene en ben slechts op één voorwaarde uit
Scotland Yard vrijgelaten.”
„En die conditie is?” vroeg Raffles, hem met ijskouden blik aanziende.
„Misschien kunt u ze raden?” vroeg Navazka.
Raffles haalde de schouders op en maakte een beweging, alsof hij het
niet kon raden.
In werkelijkheid was hij nu echter van de zaak reeds volkomen op de
hoogte.
Maar hij vond het prettig, onder sommige omstandigheden niet voor al te
snugger te worden aangezien.
„Men beloofde mij duizend pond, als ik zou zorgen dat men u gevangen
kan nemen”.
„Duizend pond sterling?” vroeg Raffles lachend, „dat vind ik een
belachelijk klein bedrag voor zulk een waardevolle vangst als ik ben.
Inspecteur Baxter schijnt slecht bij kas te zijn, sinds ik die heb
leeggehaald!”
„Best mogelijk”, antwoordde de avonturier, „dat kan mij ook niet
schelen.
„Ik weet alleen, dat ik die duizend pond zou kunnen verdienen, als ik
nu naar de telefoon ging en Scotland Yard bericht gaf of op een andere
wijze de zaak opknapte.”
Raffles stak een cigarette aan, zoodat de ander de spottende
uitdrukking op zijn gelaat niet kon zien.
Er ontstond een pauze.
Raffles deed, alsof hij ernstig over de zaak nadacht.
„Gij zult toegeven”, vervolgde de zwendelaar, „dat ik u op het
oogenblik ongetwijfeld in mijn macht heb.
„Ik zou u gemakkelijk door een der clubbedienden kunnen laten bewaken,
totdat de detectives van Scotland Yard hier waren”.
„Ik zie dat volkomen in”, antwoordde Raffles, „maar ik vermoed, dat gij
genoeg man van zaken zijt, om dergelijke aangelegenheden van een
practisch standpunt te behandelen. Luister eens:
„Ik bied u vijfduizend pond sterling, onmiddellijk betaalbaar, als gij
mij niet verraadt”.
De oogen van Raoul fonkelden van hebzucht, toen hij het hooge bedrag
hoorde, dat Raffles hem bood.
„Sta mij toe, dat ik u voorstel aan een mijner vrienden, graaf
Rammler.”
Raffles maakte een handgebaar naar Charly Brand en stelde hem onder
dezen vreemden naam voor.
„Ik verzuimde dit tot dusverre”, verontschuldigde Raffles zich, „en
antwoord mij nu, of gij op mijn voorstel ingaat”.
„Natuurlijk”, antwoordde Raoul Navazka met een dankbaar lachje.
„In orde”, sprak Raffles, zijn portefeuille te voorschijn halende.
„Ik heb in deze portefeuille ongeveer zevenduizend pond sterling.
Daarvan heb ik misschien nog tweeduizend pond noodig, omdat ik in de
Club de bank moet houden. Ik ben er op gesteld, den nacht hier
ongestoord door te brengen.
„Maar het zou mogelijk kunnen zijn, dat gij, zoodra gij de club
verlaat, Scotland Yard toch bericht zendt, om de premie van inspecteur
Baxter te verdienen.
„Daarom verzoek ik u in gezelschap van graaf Rammler in de speelzaal te
blijven en de club eerst morgenochtend te verlaten.
„Ik betaal u dan, behalve de vijfduizend pond, welke ik u dadelijk
geef, nog duizend als extra belooning, neemt gij dit aan?”
„Gaarne”, antwoordde Raoul Navazka, beleefd buigend.
Raffles gaf den man zijn portefeuille, waaruit hij eerst tienduizend
pond had genomen en sprak:
„Tel, alstublieft, den inhoud na”.
Navazka deed het en antwoordde:
„Het is in orde; er zijn vijfduizend pond sterling in, ik dank u. De
zaak is afgedaan”.
Als goede vrienden ging Raffles met den zwendelaar en Charly Brand, die
in de club bekend stond als graaf Rammler, naar de speelzaal, waar op
een groene tafel een roulette stond.
Raffles en Charly Brand hadden, toen zij buiten op Raoul Navazka
stonden te wachten, hun plan, om den avonturier onschadelijk te maken,
voldoende in elkaar gezet.
De oplichter vermoedde niets, en meende volkomen zeker te zijn van zijn
zaak.
Af en toe voelde hij in zijn borstzak om zich te overtuigen, dat de
portefeuille nog aanwezig was.
Raffles nam de bank over en het spel begon dadelijk met vrij hoogen
inzet.
Er was ongeveer een half uur voorbijgegaan, waarin de oplichter had
gezien, dat Raffles met veel geluk bankhouder was, toen Charly Brand,
de zoogenaamde graaf Rammler, plotseling blijkbaar bijna doodelijk
verschrikt in een der zakken van zijn rok zocht, daarop naar de deur
snelde en, terwijl hij daarvoor ging staan, een revolver te voorschijn
haalde en uitriep:
„Heeren, ik ben bestolen! Niemand verlaat dit lokaal!”
Een pijnlijke stilte volgde, het spel werd niet doorgezet en iedereen
keek vol spanning naar graaf Rammler, die de deur bewaakte.
„Wat is er gebeurd?” vroeg Raffles, de speeltafel verlatend.
„Men heeft mij bestolen!” riep graaf Rammler opnieuw, „men heeft mij
mijn portefeuille gerold!
„Ik verzoek u en een der andere leden van de club, om alle aanwezige
heeren te fouilleeren.
„Het is een quaestie van vijfduizend pond sterling!”
Een der bestuursleden van de club, een zekere Lord Euston, ging naar
graaf Rammler toe en wendde zich daarna tot de andere leden.
„Heeren!” riep hij, „het gebeurde is zeer onaangenaam en moet dadelijk
worden opgehelderd. Ik verzoek u daarom, mij toe te staan, dat ik u
fouilleer.”
Daarop vroeg hij aan Charly Brand:
„Verdenkt gij iemand, graaf?”
Graaf Rammler fluisterde Lord Euston in het oor:
„Ja, ga met mij mee!”
Raoul Navazka had de geheele zaak met onverschillig uiterlijk
bijgewoond.
Hij zat met het veilig gevoel van iemand, die niets te vreezen heeft,
in een der fauteuils een sigaar te rooken.
Hij voelde zich zeer voornaam, nu hij dezen keer eens werkelijk niets
gestolen had.
Verschrikt sprong hij op, toen Lord Euston en graaf Rammler op hem
toetraden.
„Sta mij toe, dat ik uw zakken onderzoek, mijnheer”, sprak Lord Euston.
„Het spijt mij”, antwoordde de oplichter, „ik heb niets in mijn zakken,
dat u zou kunnen interesseeren”.
„En toch zou ik graag eens willen kijken”, hield Lord Euston vol.
Voordat Raoul Navazka het kon beletten, haalde Lord Euston uit een der
borstzakken van den zwendelaar, behalve eenige brieven, de portefeuille
te voorschijn, die Raffles hem had gegeven.
Nauwelijks had Charly Brand deze gezien, of hij riep uit:
„Aha, heeren! Dat is mijn eigendom! Schurk, hoe kom je in het bezit van
mijn portefeuille?”
Navazka zette bij deze beschuldiging zulk een verbaasd gezicht, dat
Charly Brand moeite had om niet in lachen uit te barsten.
Alle aanwezige heeren omringden den avonturier en overlaadden hem met
uitdrukkingen van verontwaardiging.
Eerst nu begon Raoul Navazka te begrijpen, in welke gevaarlijke positie
hij zich bevond.
„Wel duivels!” riep hij uit, „wat is dat voor een ongepaste aardigheid!
Die portefeuille kreeg ik een half uur geleden van dien heer”,—hij wees
naar Raffles, die, terwijl hij een cigarette rookte, spottend naar hem
keek.
„Wat?” riep Lord Euston uit, „Lord Gravenshall!”—onder dien naam stond
Raffles in de club bekend—„heeft u hem deze portefeuille gegeven?”
Alle heeren lachten.
Raffles naderde Lord Euston en sprak:
„De kerel probeert zich er handig uit te liegen.”
„Wat?” riep Raoul Navazka, „durft gij mij van leugens te beschuldigen?
Voor den duivel, ik zal u den nek breken! Gij hebt mij zelf deze
portefeuille in tegenwoordigheid van graaf Rammler gegeven, opdat ik u
niet aan de politie zou verraden.
„Want, heeren, deze man is niet Lord Gravenshall, maar John Raffles, de
meesterdief!”
Een nieuw gelach weerklonk van de lippen der aanwezige clubleden.
„Die man is een komiek!” riep Lord Euston uit, „wat moeten wij met hem
aanvangen?”
„Aan de politie overleveren!” riepen verscheiden stemmen tegelijk.
„Gij hebt gelijk,” vond Raffles, „laat ons de politie waarschuwen,
opdat die hem in veilige bewaring brengt.”
De bediende moest Raoul Navazka in een der vertrekken opsluiten, wat
onder luid protest van den zwendelaar gebeurde.
Daarop vertrokken de heeren, want de meeste van hen waren niet gesteld
op een ontmoeting met de detectives en eventueele verhooren.
Toen Raffles zijn pelsjas aantrok, kwamen de detectives van het naaste
politiebureau juist het gebouw binnen.
Raffles hoorde, hoe Lord Euston hun het geval uitlegde en tot hen
sprak:
„Wilt u mij volgen?”
Daarop reed Raffles met Charly Brand in een huurrijtuig naar huis en
eenige minuten later zat Raoul Navazka weer in een der cellen van de
Londensche gevangenis, waar hij erover kon nadenken, hoe hij de duizend
pond van inspecteur Baxter op een andere wijze zou kunnen verdienen.
Zijn bewijs van invrijheidstelling had Raffles hem met andere
schrifturen afgenomen.
Den volgenden dag werd de oplichter in Scotland Yard voor inspecteur
Baxter gebracht.
„Waar komt gij vandaan?” vroeg deze, terwijl hij den binnentredende,
die zwaar geboeid was, verbaasd aankeek.
„Van Raffles”, antwoordde Raoul Navazka met een verdrietige uitdrukking
op bet gelaat, „hij heeft mij gevangen laten nemen.”
„Prachtig!” riep detective Marholm, „schitterend! Ik had iets
dergelijks reeds vermoed.
„In plaats dat deze man Raffles gevangen neemt, stuurt Raffles hem op
deze wijze aan ons terug.
„Gij zult in uw heele leven de duizend pond niet verdienen.
„Gij zijt zoowel voor detective als voor misdadiger te dom!”
„Houd uw opmerkingen voor u en bemoei u met uw werk!” riep Baxter
woedend, „ik geef de hoop niet op, dat het Raoul Navazka toch nog zal
gelukken om Raffles te vangen. Dat, wat hem is overkomen, kan iedereen
gebeuren.”
Hij nam den oplichter mee in een ander vertrek, opdat detective Marholm
niet zou hooren, wat zij samen bespraken.
„Ik ben ervan overtuigd”, zoo begon hij, „dat gij er naar verlangt, u
op Raffles te wreken!”
„De duivel hale dien kerel!” bromde de avonturier, „het liefst zou ik
hem neerschieten, zoodra ik hem weer ontmoet. En ik denk wel, dat ik
hem terug zal vinden, want in de portefeuille, die hij mij gaf en die
hij mij daarna weer liet afnemen, onder de zware beschuldiging, het
ding te hebben gestolen, vond ik een visitekaartje, waarop een adres
stond. Ik ben van meening, dat het het adres van Raffles is!”
„Waar is dat visitekaartje?” vroeg inspecteur Baxter, „geef het mij
eens. Ik zal het huis van Raffles dadelijk laten omsingelen en hemzelf,
als hij er aanwezig is, gevangen nemen.”
„Het spijt mij”, antwoordde Raoul Navazka, „ik bezit het kaartje niet
meer. Het bevindt zich in de portefeuille, die Raffles mij weer afnam.”
„Gij zijt inderdaad een ongeluksvogel”, antwoordde inspecteur Baxter,
„maar misschien herinnert gij u nog het adres, dat op het kaartje
stond.”
„Zoo ongeveer, maar ik geloof, dat ik binnen een paar dagen zal hebben
uitgevonden, welk nummer de woning van Raffles aan het Waterlooplein
draagt.
„Vóór alles heb ik daarvoor geld noodig!”
„Natuurlijk”, sprak de inspecteur van politie, „ik zal u dadelijk
honderd pond sterling bezorgen en u tevens een detective meegeven.”
„Dank u”, antwoordde Raoul Navazka, „de honderd pond sterling kan ik
wel gebruiken, maar den detective niet, die zou mij maar tot last zijn
bij mijn navorschingen.”
Na een kwartier verliet de zwendelaar voor den tweeden keer het
hoofdbureau van politie om de jacht op Raffles te vervolgen.
Toen detective Marholm van het geval hoorde, dacht hij:
„De inspecteur is werkelijk ten einde raad. Jammer van de honderd pond
en van de leege cel.
„Maar zoo is onze vriend Baxter nu eenmaal: als hij eens voor een enkel
keertje werkelijk een goede vangst heeft gedaan, dan laat hij die weer
loopen!”