DE GEVANGENNEMING.

Raffles was in het telegraafkantoor van zijn eigen huis en Charly Brand

bevond zich bij hem.

Het Morse-toestel tikte regelmatig en Raffles las met groote

oplettendheid, wat de papierstrook voor nieuws bevatte.

Het waren telegrammen van de Engelsche Bank, welke deze naar een harer

filialen zond en wel volgens een nieuw cijfersysteem, dat Raffles nog

niet kende.

„De Bank heeft een ander cijferschrift aangenomen,” sprak Raffles tot

zijn vriend, „ik had het reeds verwacht, nadat ik inzage had genomen in

een geheele serie telegrammen en ik zal er eenige uren aan besteden om

dit schrift te leeren ontcijferen.”

Hij seinde, na een vertraging van tien minuten, de opgenomen

telegrammen nauwkeurig volgens hun inhoud verder en schakelde daarna

zijn toestel weer uit.

Nu begaf hij zich met de papierstrook naar studeerkamer.

Urenlang zat hij aan zijn schrijftafel en probeerde de getallen in

woorden of letters om te zetten.

„Ik vergelijk mijzelf,” sprak hij tot Charly Brand, „met iemand, die

een prijsraadsel zit op te lossen en wel een heel ingewikkeld.

„Een interessant werk voor gezonde hersens.”

„Ik zou het niet klaarspelen,” meende Charly. Brand, terwijl hij vol

bewondering zijn vriend en meester aanzag, die reeds een tiental

velletjes papier met getallen en woorden had volgeschreven.

Tot middernacht zat Raffles over zijn werk gebogen.

Toen sprong hij op en riep:

„Ik heb het gevonden! De telegrammen zijn ontcijferd!”

Bij die woorden keek hij naar den cigarettenrook, die zoo dicht in de

kamer hing, dat alles als in een sluier was gehuld.

„Charly,” riep hij uit, „ik geloof, dat ik vijftig cigaretten heb

opgerookt om het cijfersysteem van de Engelsche Bank uit te vinden.

„De dikke Londensche mist kan niet ondoordringbaarder zijn dan deze

damp. Zet het raam open.”

Charly Brand voldeed aan den wensch van zijn vriend, terwijl deze zich

gereed maakte om uit te gaan.

„Waar wil je naar toe?” vroeg Charly.

„Ik heb honger gekregen”, antwoordde Raffles, „alsof ik in twee dagen

niet had gegeten en slootgraverswerk had verricht. Het was geen

gemakkelijk zaakje.

„Ga met mij mee, wij zullen naar een goed restaurant aan het Strand

gaan.”

Samen gingen zij, ondanks het vergevorderde uur, naar een voornaam

café. Niet ver van hen zat aan een klein tafeltje een schijnbaar

welgesteld heer met een dame in druk gesprek.

Toen Raffles binnentrad, klemde hij zijn monocle vaster in zijn oog en

keek hem met groote opmerkzaamheid aan.

Raffles was gewend, opgemerkt te worden door zijn bijzonder knap

uiterlijk en bekommerde zich daarom niet om de onbescheiden blikken van

den heer.

„Voor den duivel”, mompelde deze binnensmonds, „dat noem ik geluk

hebben. Daar zit hij, dien ik zoek, John Raffles.”

Het was Raoul Navazka, die dit tot zichzelf zei. Hij had de vijftig

pond sterling gebruikt om een prettigen avond te hebben met een

demi-mondaine.

Tot nu toe had hij er nog niet ernstig over gedacht, zich bezig te

houden met de opdracht van den inspecteur van politie.

Lichtzinnig als hij was; was hij zeer verheugd, aan de handen der

politie ontkomen te zijn; hij leefde slechts voor het oogenblik.

En nu kwam het toeval hem te hulp.

Volgens het signalement, dat hij van inspecteur Baxter had gekregen,

moesten de beide heeren, die juist waren binnengekomen, de gezochte

individuen zijn.

„Een groote brutaliteit”, vervolgde de oplichter tot zichzelf, „zoiets

zou ik nooit durven!

„Daar bezoekt die man, die door de geheele Londensche politie wordt

gezocht, zulk een bekend restaurant en soupeert met een kalmte, alsof

hij de koning van Engeland was.”

John Raffles en Charly Brand namen zoo weinig notitie van den ander,

alsof hij een vlieg ware.

Raoul Navazka overlegde, wat hij zou doen.

Langen tijd was hij in tweestrijd, of hij Scotland Yard telefonisch zou

meedeelen, wat er gaande was, dan wel of hij de waarschijnlijk meer

voordeelige partij zou kiezen, naar Raffles gaan en hem tegen een

flinke belooning vertellen, welk gevaar hem boven het hoofd hing.

De gewetenloosheid, welke den meesten avonturiers eigen is, ried hem

aan, twee vliegen in één klap te slaan, eerst Scotland Yard bericht te

geven, ten einde duizend pond te krijgen en daarna Raffles zooveel

mogelijk af te persen.

Het viel Charly Brand eindelijk op, dat de onbekende hen onophoudelijk

met zijn oogen volgde en hij maakte hierop zijn vriend opmerkzaam.

John Raffles keek vluchtig naar het tafeltje, waaraan Raoul Navazka zat

en sprak:

„Die man is een oplichter, hij interesseert mij niet.”

Toch keek Charly Brand nog telkens naar den heer, die door Raffles een

oplichter werd genoemd en hij zag, dat deze opstond en naar de telefoon

liep naast het buffet.

Dat verbaasde den ander. Sinds men hem gevangen genomen had, was hij

uiterst wantrouwend geworden en zag hij in iedereen, die hem scherp

aankeek, een detective.

Hij verontschuldigde zich bij Raffles en stond op. Langzaam slenterde

hij naar het buffet, dat hij bereikte op hetzelfde oogenblik, waarin de

vreemdeling aansluiting vroeg met het hoofdbureau van politie Scotland

Yard.

Deze woorden wekten de belangstelling van Charly in de hoogste mate op.

Hij ging naar het buffet en zocht op zijn gemak eenige merken uit van

de sigaren, die daar te koop lagen.

Hierdoor was het hem gemakkelijk, het gesprek van den oplichter met

Scotland Yard te hooren.

Hij schrok hevig, toen hij duidelijk verstond, dat de onbekende

Scotland Yard mededeelde, dat John Raffles zich in het restaurant

bevond.

Raoul Navazka kon hem niet zien en toen hij de telefoon weer ophing,

was Charly Brand reeds weer naar Raffles teruggegaan.

„Wij zijn verraden”, fluisterde Charly zijn vriend toe, terwijl hij aan

het tafeltje plaats nam. „Laat ons dadelijk weggaan. Er dreigt ons

groot gevaar.”

Raffles glimlachte, stak een sigarette aan en antwoordde met de

grootste onverschilligheid:

„Je ziet spoken, beste vriend. Je bent zenuwachtig geworden.”

„Neen!” sprak Charly opgewonden, „luister, wat ik zooeven aan de

telefoon hoorde.”

Gejaagd deelde hij Raffles den inhoud mede van het afgeluisterde

gesprek.

De oplichter was ook naar het buffet gegaan en had daar een klein

briefje geschreven. Dit gaf hij nu aan den oberkellner, wees hem

Raffles aan en verzocht hem, dien heer het briefje te overhandigen.

Een uitdrukking van ergernis kwam op zijn gelaat, want hij zag, dat

Raffles en Charly Brand zich juist gereed maakten om het restaurant te

verlaten.

Bliksemsnel bedacht hij, dat Raffles misschien zijn telefoongesprek had

afgeluisterd. Maar hij begreep toch, dat dit bijna onmogelijk was.

Maar zijn plan zou in duigen vallen, als Raffles het restaurant

verliet.

Lord Lister had zijn pelsjas reeds aangetrokken, toen de oberkellner

hem het briefje overhandigde.

Verbaasd nam de groote onbekende het aan en las:

„Ik wensch u te spreken, Raffles!

Lord Lister No. 0027: Letter R. 100 · 第 15 / 20 题