Hij had het totaal vergeten.
Haastig greep hij naar zijn borstzak, waarin hij het had opgeborgen.
„Hebt gij het geld inderdaad nog?” vroeg Marholm met een ironisch
lachje, „het zou mij in het geheel niet verbazen, als Raffles het u
weer listig had ontfutseld.”
Inspecteur Baxter opende zijn portefeuille en nam het papiergeld eruit.
Zorgvuldig telde hij het na en sprak:
„Het geld is nog voorhanden.”
Daarop gaf hij de bankbiljetten aan Marholm met de woorden:
„Daar het te laat is, om het nog heden aan de Engelsche Bank terug te
bezorgen, zullen wij het geld tot Maandag in de brandkast bewaren.
Sluit het weg.”
Detective Marholm telde de biljetten na en ging naar een groote
brandkast, die zich in het zijvertrek bevond.
Nadat hij het bedrag had weggesloten, kwam hij terug.
„Hoe was het mogelijk,” vroeg inspecteur Baxter, „dat gij het telegram
niet hebt ontvangen?”
„Heel eenvoudig,” antwoordde Marholm, „een ander heeft het gekregen!”
„Vervloekt! Welke andere? Verklaar u duidelijker!”
„Wel, wie anders dan John Raffles!”
„Maar dat is immers niet mogelijk,” riep Baxter uit, „dat grenst aan
tooverij!”
„In ’t geheel niet,” lachte Marholm, „ik heb allang vermoed, dat
Raffles zich een geheime aansluiting aan onze telegraaflijn heeft
verschaft. Daardoor is hij in staat onze zaken, die wij per telefoon of
telegraaf te behandelen hebben, te controleeren.”
„Wij moeten de lijn laten onderzoeken,” meende inspecteur Baxter.
„Dat zal niet gaan,” antwoordde Marholm, „wij kunnen de draden, die
door geheel Londen loopen en in verbinding staan met alle
politiebureaux, niet zoo maar zonder meer uit den grond laten nemen.
„Het zou een arbeid van vele maanden zijn en dan bleef het nog altijd
twijfelachtig, of wij de geheime aansluiting zouden vinden.”
Inspecteur Baxter sloeg met de vuist op tafel en riep:
„Als Raffles zijn werk in Londen niet spoedig staakt, laat ik mij
pensionneeren. Dat houden mijn zenuwen niet langer uit. Laat een ander
zich in mijn plaats op het krankzinnigengesticht voorbereiden.”
Op dit oogenblik klonk de telefoon. Detective Marholm nam den hoorn op
en riep:
„Hier Scotland Yard—wie is daar?”
Na een pauze, waarin een guitig lachje op zijn gelaat verscheen, gaf
hij den hoorn aan zijn chef en sprak:
„John Raffles wenscht u te spreken!”
„Wie?” schreeuwde Baxter, opspringend.
„John Raffles!” herhaalde Marholm lachend.
„Voor den duivel, wilt gij mij ook voor den gek houden?”
„No sir,” antwoordde Marholm kort en beslist.
„Ik ben niet te spreken. Laat die kerel iemand anders krankzinnig maken
dan mij.”
„All right, sir”, antwoordde Marholm; hij nam de telefoon weer in de
hand en sprak:
„Inspecteur Baxter wenscht geen onderhoud met u!”
Daarop ontstond een pauze, gedurende welke detective Marholm met
gespannen aandacht aan de telefoon luisterde, terwijl Baxter nerveus
met zijn vingers op de schrijftafel trommelde.
Eindelijk was het gesprek afgeloopen.
Met een „goeden avond, Sir!” belde Marholm af.
„Wat wil hij van mij?” vroeg de inspecteur vol belangstelling.
„Hij laat u weten,” sprak Marholm, „dat hij vannacht bij u zal inbreken
en hij vraagt u, of gij hem die moeite niet zoudt willen sparen en hem
het geld per bode toezenden.”
De inspecteur hijgde letterlijk naar adem.
Daarop riep hij uit:
„Die brutaliteit overtreft alles!
„Maar ik zal hem een ontvangst bereiden, waarop hij niet zal zijn
voorbereid.
„Geef bevel aan twee agenten van den nachtdienst om mij naar mijn huis
te vergezellen.
„Dezen keer vergist Raffles zich terdege.
„Alles, wat hij zal vinden, is een leege portefeuille en drie
detectives van Scotland Yard om hem gevangen te nemen.”
Bij deze woorden verliet hij het bureau en droeg zijn dienst voor dien
nacht over aan den binnenkomenden beambte.
Vergezeld door twee detectives begaf hij zich naar huis, om daar de
komst van Raffles af te wachten.
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
Het was tegen twee uur in den nacht.
Scotland Yard was in diepe duisternis gehuld.
De paar beambten, die nachtdienst hadden, zaten in de wachtkamer,
rookten, dronken thee en verdreven de verveling door kaartspel.
De dienstdoende chef was op de leeren rustbank in Baxter’s kamer gaan
liggen slapen. Hij sliep zoo vast, dat het bericht van twee moorden
hem, volgens zeggen zijner collega’s, eerst kon wekken.
Eén moord was daartoe niet voldoende.
Bij het vernemen van een dergelijke misdaad keerde hij zich om en sliep
door.
Scotland Yard, een groot gebouw, grensde aan den achterkant aan een
tuin, die bij fabrieksterrein behoorde.
Door dien tuin sloop in het nachtelijk uur John Raffles, gevolgd door
Charly Brand.
De laatste droeg in een leeren tasch alle inbrekerswerktuigen, die
Raffles noodig had.
„Ik zal je nu eens leeren, op welke wijze men gemakkelijk een brandkast
opent”, had Raffles tot zijn vriend gezegd.
„Het moeilijke van het geval is niet, de brandkast open te krijgen,
maar om in het vertrek te komen, waar ze staat.
„Voor zoover ik weet, bevindt zich de brandkluis van Scotland Yard in
een kamer van de eerste verdieping.
„Wij moeten dus trachten, daar van uit de kelderruimte te komen.”
Het venster van het sousterrain van Scotland Yard, waardoor Raffles
zijn weg wilde nemen om het hoofdbureau van politie binnen te dringen,
was van dikke tralies voorzien. Raffles nam een ijzeren stang uit zijn
tasch en, die tusschen de tralies stekende, boog bij deze van elkaar.
Na eenige minuten waren de traliën zoover van elkaar gebogen, dat er
gemakkelijk een mensch tusschen door kon kruipen.
De beide inbrekers bevonden zich nu in den kelder van het gebouw.
Raffles liet het licht van zijn electrische zaklantaarn schijnen en
onderzocht nauwkeurig de muren, om te ontdekken, op welke plaats boven
hen zich het vertrek met de brandkast zou kunnen bevinden.
Tegelijkertijd luisterde hij, of hij ook schreden hoorde.
Daar de vloeren der politiebureaux niet met tapijten bedekt zijn,
dreunde elke stap door het gebouw.
Raffles liep in de kelderruimte de middengang door, daar deze
evenwijdig liep met de gang boven.
Eindelijk bleef hij staan. Hij nam een kist op, die dicht bij hem
stond, klom daarop en kon nu gemakkelijk met zijn hand de zoldering
aanraken.
Met een klein hamertje, dat hij uit een zijner zakken haalde, klopte
hij zacht op de geplafonneerde zoldering, terwijl hij tot Charly Brand
sprak:
„Het is altijd gemakkelijker werken, als men weet waar balken en waar
steenen liggen. Dat is te hooren aan den doffen of hollen klank.”
Zonder moeite vond hij de plek, die hij zocht en nu liet hij zich door
Charly een draaiboor geven, zette deze tegen zijn borst en had binnen
tien minuten een gat van verscheiden centimeters in het plafond gemaakt
Charly moest de naar beneden vallende kalk en puin in een hoed
opvangen.
Nu luisterde de groote onbekende eenige seconden, of zijn werk
opgemerkt was daarboven. Toen alles rustig bleef, nam hij een
breekijzer en maakte in weinig tijd de opening zooveel grooter, dat
beide mannen er gemakkelijk door konden.
Hij werkte zich omhoog en was een oogenblik daarna in het vertrek boven
den kelder.
Hij liet zich door Charly het leeren valies aangeven en, nadat hij dit
naast zich had neergezet, volgde Charly Brand hem.
Het licht van een lantaarn, die buiten brandde, scheen in de kamer,
zoodat Raffles zijn electrische zaklantaarn niet behoefde te gebruiken.
Nu ging Raffles naar de tegen den muur staande brandkast en een
spottend lachje gleed over zijn gelaat, toen hij de sloten der kast
onderzocht.
„Het is zooals ik dacht”, sprak hij tot Charly Brand, „de heeren van de
politie waren van meening, dat het niemand ooit in zou vallen om een
bezoek aan hun brandkast te brengen.
„Dit is een zeer verouderde constructie, een kast, die elk beginner
zonder moeite kan openmaken. Een eenvoudige looper is daartoe
voldoende.”
Hij haalde een ketting uit de tasch te voorschijn, waaraan zeldzaam
gevormde haken vast zaten. Eenige oogenblikken werkte hij daarmee aan
de sloten en plotseling sprong de deur van de brandkast met een zacht
geluid open.
Zoo bedaard, alsof hij in zijn eigen huis was, nam Raffles de
tienduizend pond uit de kast; daarenboven nog het bedrag, dat in een
geldbak lag en dat gebruikt moest worden om de traktementen der
beambten uit te betalen.
Daarop onderzocht hij de papieren, die in de kast lagen.
Het waren gewichtige geheime akten. Raffles gunde zich den tijd niet,
om ze dadelijk door te lezen en pakte ze daarom in zijn tasch.
Nu scheurde hij een stuk papier uit zijn zakboekje en schreef iets
erop.
Glimlachend legde hij het briefje in de brandkast, sloot deze weer en
verliet met Charly Brand het vertrek langs denzelfden weg, waarlangs
hij gekomen was.
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —— — — — — — — — — —
Den volgenden morgen om negen uur kwamen inspecteur Baxter en detective
Marholm bijna gelijktijdig in dienst.
„Inspecteur”, vroeg Marholm vol belangstelling, „heeft Raffles de
tienduizend pond al bij u afgehaald?”
Baxter antwoordde met gefronst voorhoofd:
„Ik heb uw reeds herhaaldelijk verzocht, uw flauwe aardigheden voor u
te houden. Ik verdraag ze niet langer. Neen, hij heeft ze niet gehaald,
stel u gerust. En ga nu het geld uit de brandkast halen en breng het
naar den directeur van de Engelsche Bank. Laat hij er u een quitantie
voor geven. Hij verwacht u.”
„Goed, inspecteur”, sprak Marholm en hij ging, zonder zijn overjas uit
te trekken, naar de kamer, waar de brandkast stond.
Plotseling hoorde inspecteur Baxter een kreet, waarop een hartelijk
lachen volgde.
Nog voordat Baxter naar detective Marholm kon snellen, vloog deze
binnen en riep:
„Inspecteur, inspecteur!”
Meer kon hij niet zeggen van lachen.
„Gij zijt krankzinnig”, riep Baxter, zijn secretaris bij den arm
beetpakkende.
„Neen”, antwoordde deze, proestend van lachen, „maar dit is de
geestigste mop, die ik ooit heb beleefd!”
„Wat voor een mop?” vroeg Baxter met een somber voorgevoel, „het is
hier de plaats niet voor moppen.”
„Gij zoudt gelijk hebben”, antwoordde Marholm, „als John Raffles zijn
grap niet was komen uithalen in Scotland Yard.”
„Wat heeft Raffles uitgevoerd?” vroeg Baxter, terwijl de aderen op zijn
voorhoofd opzwollen.
Marholm haalde diep adem en antwoordde:
„Raffles heeft de tienduizend pond van u teruggehaald uit de brandkast
van Scotland Yard.”
Baxter keek zijn secretaris aan met oogen, alsof hij aan diens verstand
twijfelde.
„Maar zijt gij dan werkelijk gek geworden?” vroeg hij na eenige
oogenblikken.
Detective Marholm was, opnieuw lachend, in een stoel neergevallen en
riep uit:
„Volstrekt niet. Maar ik bekijk de zaak van de grappigste zijde en ben
niet zoo zenuwachtig als gij. Maar”—hij stond op—„kom mee, inspecteur
en overtuig uzelf!”
Baxter volgde Marholm in de andere kamer.
Met zijn hand wees de secretaris naar de geopende brandkast.
„Kijk, inspecteur, waar de tienduizend pond zijn gebleven. Ik geloof
niet, dat Raffles ze heeft laten liggen”.
Inspecteur Baxter, wiens knieën sidderden, ging langzaam naar de
brandkast, keek die nauwkeurig door en vond slechts kale wanden.
Marholm was naast hem gaan staan.
Hij zag eerst nu het briefje, dat Raffles had achtergelaten.
„Een spoor van den dief!” riep hij uit. Daarop las hij:
„Inspecteur van politie Baxter! Laat als het u belieft, het gat in
het plafond, dat ik heb gemaakt, op uw kosten weer dichtmetselen.
Met vriendelijken groet:
Uw
JOHN RAFFLES.”
De kamer draaide met Baxter rond, terwijl Marholm weer een
onbedaarlijke lachbui kreeg.
Eindelijk was Baxter weer tot zichzelf gekomen.
Van woede zag hij purperrood.
„Vervloekt!” barstte hij los, „als gij nog meer lacht, ontsla ik u uit
uw betrekking in Scotland Yard en wel op staanden voet. Zwijg nu,
Marholm, en onderzoek waar het gat is”.
Marholm had dit reeds ontdekt en wees naar een opening in den hoek der
kamer.
„Die is groot genoeg, om geheel Scotland Yard leeg te stelen. Jammer,
dat Raffles den waarnemenden inspecteur ook niet heeft meegenomen.
„Als hij had geweten, hoe vast deze collega sliep, dan zou hij stellig
die grap hebben uitgehaald.”
Inspecteur Baxter keek vol woede naar het gat; in den vloer, dat hij,
zooals Raffles hem verzocht, op zijn kosten zou laten herstellen.
„Ik zal onderzoeken, langs welken weg hij is gekomen”, sprak Marholm,
door de opening in den kelder verdwijnend.
Na een korten tijd kwam hij terug.
„Hebt gij wat gevonden?” riep inspecteur Baxter tot den detective, die
onder het gat stond.
„Ja!” klonk het antwoord, „eenige cigaretten van het merk, dat Raffles
bij voorkeur rookt. Hier zijn ze; misschien wilt gij ze aan het
politiemuseum ten geschenke geven.”
Hij stak zijn hand door de opening en liet vier stompjes cigarette
zien. Daarna klom hij weer naar boven.
„Dit zal de laatste poets zijn, die Raffles mij heeft gespeeld!” riep
Baxter toornig uit. „Of ik pak hem binnen vier-en-twintig uur, of ik
neem mijn ontslag!”
Bij die woorden keerde hij Marholm den rug toe en ging heen.
Hij hoorde niet, hoe Marholm zacht tot zichzelf sprak:
„Hij zal hem niet vangen en evenmin zijn ontslag nemen. Het zou ook
eeuwig jammer zijn, als deze interessante strijd tusschen Baxter en
Raffles ophield.
„Sinds die man ons bezig houdt, lees ik geen anecdoten of geestige
tijdschriften meer.
„Raffles werkt door middel van inspecteur Baxter veel beter op mijn
lachspieren!”
Baxter echter riep alle beambten bij elkaar en overlegde met hen, hoe
hij Raffles zou kunnen te pakken krijgen.
Alleen Marholm bemoeide er zich niet mee.
Hij was op de leeren rustbank gaan liggen en rookte.