Inspecteur Baxter was in zeer slechte stemming op zijn bureau in
Scotland Yard aangekomen.
Het was tegen acht uur in den avond.
Hij uitte zijn ergernis door luid te vloeken en schold op zijn
ondergeschikten over allerlei kleine onregelmatigheden, die gedurende
zijn afwezigheid waren gepleegd. Dat wil zeggen, volgens zijn
opvatting.
Vooral ergerde hem het vergenoegde gelaat van zijn secretaris,
detective Marholm en woedend riep hij dezen toe:
„Lach op straat of waar gij wilt, maar niet op mijn bureau. Ik verkies
dat niet!”
Detective Marholm, die met een dikken bundel acten voor zich aan de
schrijftafel zat, keek den razenden inspecteur bedaard aan en sprak
glimlachend:
„Gij zijt zenuwachtig, inspecteur.”
„Zenuwachtig!” riep Baxter uit, „dat is geen woord voor mijn
gemoedsstemming.
„Die man maakt mij gek, die Raffles. Nu meende ik, de beide vogels te
hebben gevangen en eindelijk den besten dag van mijn leven te zullen
hebben en op het laatste oogenblik ontsnappen zij mij.”
Marholm vervolgde, steeds glimlachend:
„Hadt gij iets anders verwacht, inspecteur? Van John Raffles moest gij
reeds aan dergelijke dingen gewend zijn. Nu, zoo erg is het niet. Gij
hebt tenminste de tienduizend pond.”