AANTEEKENINGEN OP GUY MANNERING, DOOR DEN SCHRIJVER [37].

Noot A. bladz. 29.

Kraamvrouwenbier.

Deze drank werd bepaaldelijk gebrouwd om gedronken te worden na de

gelukkige bevalling der huisvrouw. Daarbij werd een kaas gemaakt,

ken-no (d.i. „onbekend”) geheeten, daar de mannelijke leden van het

gezin verondersteld werden er niets van te weten, om bij het bier

gebruikt te worden. De echtgenoot vooral moest algeheele onwetendheid

veinzen, en als de buurvrouwen na afloop der gewichtige gebeurtenis

bijeenkwamen, was hij verplicht haar uit te noodigen eenige

ververschingen tot zich te nemen en zich uiterst verwonderd te houden

bij hare weigering. Zoodra hij echter de kamer verliet, begon het

feest, en hetgeen van de kaas overbleef werd verdeeld onder de gasten

en met een schijn van groote geheimzinnigheid mede naar huis genomen.

Noot B. bladz. 116.

De Bedelaarsherberg.

De herberg was in de nabijheid van Gilsland gelegen, eer het vlekje als

badplaats bekend was. Het huis werd voornamelijk bezocht door boeren,

die te paard reisden, hetzij naar de naburige steden, of heen en weêr

op hunne reizen tusschen Engeland en Schotland. De streek was woest en

eenzaam, en ten tijde van ons verhaal gebeurden vele aanrandingen in

die streken, terwijl de herberg in een kwaden reuk stond als dikwerf

eene plaats van bijeenkomst der straatroovers. Het avontuur in dat

verhaal is bijna hetzelfde, als er een werkelijk een heerenboer uit die

buurt is overkomen.

Noot C. bladz. 123.

Dandie Dinmont.

Het karakter van Dinmont is naar de natuur geteekend, en aan zekeren

James Davidson werd, na het verschijnen van Guy Mannering, de bijnaam

van Dandie Dinmont gegeven, hoewel de schrijver eerder algemeene, dan

bijzondere trekken van eenige hem bekende personen uit denzelfden stand

in den persoon van den bewoner van Liddesdale vereenigd had.

Noot D. bladz. 120.

Gerookte Zalm.

De zalm wordt gespleten, met zout ingewreven, aan ijzeren haken in den

schoorsteen gehangen en in den rook gedroogd.

Noot E. bladz. 133.

Geslachtsnamen.

Op de grenzen tusschen Engeland en Schotland worden menschen, die geen

landeigenaren zijn, nog vaak door bijnamen onderscheiden, wat inderdaad

noodzakelijk is, omdat er zoovele menschen zijn, die denzelfden

geslachtsnaam dragen. De schrijver herinnert zich nog, dat in het

dorpje Lustruther er niet minder dan vier mannen woonden, die allen

Andries Olivier heetten en alleen door bijnamen te onderscheiden waren.

In een dorp van Annandale waren er sléchts twee geslachtsnamen, die van

Johnstone en Jardine.

Noot F. bladz. 138.

Bijgeloof onder de Heidenen.

De geheimzinnige plechtigheden waarmede Meg Merrilies zich in den tekst

bezig houdt, zijn werkelijk eigenaardig bij de rol eener koningin van

een Heidenstam.

De Heidenen zijn zeer bijgelbovig, zien naar den vorm der wolken, naar

de vlucht van zekere vogels en andere dergelijke voorteekens. Het is

van hen bekend, dat zij dikwerf op een tocht terugtrekken als zij

iemand ontmoeten, dien zij als een ongeluksbode beschouwen, en zij

ondernemen nooit hunne lange zomertochten zonder eenige voorspelling

aangaande den gelukkigen afloop er van. De kleêren der dooden worden

steeds verbrand, omdat zij vreezen dat het leven van hem, die ze later

dragen mocht, daardoor verkort zou worden.

Noot G. bladz. 207.

Het Liddesdal.

De wegen in Liddesdale bestonden letterlijk nog niet, twintig jaren

voor dat dit verhaal geschreven werd, en de streek was alleen

toegankelijk langs paden door de moerassen. De schrijver was de eerste,

die tot groote verbazing der inwoners in een klein open rijtuig langs

den pas begonnen weg reed en hun zoodoende voor het eerst van hun leven

een ergelijk wagentje vertoonde.

Noot H. bladz. 212.

De leggende hen.

„De leggende hen” was een beker, die drie liters wijn kon bevatten. De

schrijver zag een dezer vaten te Jedburgh in zijne jeugd. De beker was

van koper, met het beeld eener kip op het deksel. In latere tijden gaf

men denzelfden naam aan een glazen flesch van dezelfde afmetingen.

Noot I, bladz. 212.

Gezellige gewoonten der Schotsche rechtsgeleerden.

Het verhaal in den tekst door den heer Pleydell gedaan, hoe hij te

midden van een feest eene moeielijke rechtsquaestie behandelde, is door

mij ontleend aan een dergelijke geschiedenis, welke ik vernam

betreffende den vader van Lord Melville.

Noot K. bladz. 252.

Kookkunst der Heidenen.

In Blackwood’s Magazijn van April 1817 leest men dienaangaande: „Voor

de liefhebbers van eene goede tafel, zou men denken, dat de kookkunst

der Heidenen weinig aanbevelenswaardig zal opleveren. Ik kan u echter

verzekeren, dat de kok van de beide laatst overledene hertogen van

Buccleugh, een kunstenaar van naam, den „Almanac des Gourmands”

verrijkt heeft met zekere „Potage à la Meg Merrilies”, bestaande uit

wild en gevogelte van allerlei aard, met groenten vermengd, en dat de

soep door hen geleverd, de bijzondere goedkeuring van alle kenners

verdient.

Noot L. bladz. 268.

Lord Monboddo.

Burnet, Lord Monboddo, was de bekende wijsgeer, als uitstekend mensch

door Pleydell in den tekst geroemd en wiens gastmalen niet spoedig

vergeten zullen worden door diegenen, die daaraan deel namen. In

navolging der ouden, werden de fijne flesschen steeds op zijne tafel

met rozen bekroond en tal dezer bloemen lagen altijd op de tafel

gestrooid.

Noot M. bladz. 270.

Slapelooze nachten der rechtsgeleerden.

Het is waarschijnlijk onbetwistbaar, dat, zooals Pleydell opmerkt, het

gewichtigste rechtsgeding zelden de nachtrust van een geoefenden

pleiter storen zal. De cliënten zijn echter dwaselijk geneigd het

tegendeel te gelooven. Ik heb wel gelachen om zekeren landedelman, die

den morgen, waarop voor hem gepleit moest worden door het hoofd der

balie in Edinburg, den beroemden rechtsgeleerde aansprak met de

woorden: „Nu, Milord, ik heb den heelen nacht geen oog kunnen toedoen,

en dat zal ook wel het geval met u wezen!”

Guy Mannering of de Sterrewichelaar · 第 74 / 75 题