„Hoe zal ik u mededeelen, wat ik u nu te zeggen heb? Mijne hand en mijn
hart sidderen nog zoo hevig, dat het schrijven mij bijna onmogelijk is.
Zeide ik u niet, dat hij nog leefde? Zeide ik u niet, dat ik niet
wanhopen wilde? Hoe kondet gij denken, waarde Mathilda, dat mijn
voorgevoel, omdat ik zoo jong van hem gescheiden ben, eer uit eene
vurige verbeelding dan uit mijn hart ontsproten was? Neen, hoe dikwijls
wij ons ook in de gevoelens van ons hart mogen bedriegen, ik was zeker,
dat dit gevoel echt was. Maar laat ik u alles verhalen, lieve vriendin,
en deze bekentenis, het sterkste bewijs van mijne openhartigheid jegens
u, zij het heiligste pand van onze vriendschap.
Men gaat hier vroeg te bed, vroeger, dan mijn met zorg belast hart rust
kan vinden. Ik breng daarom gewoonlijk nog een paar uren op mijne
eigene kamer met lezen door, waar, zoo als ik u reeds meen gezegd te
hebben, een klein balkon op het schoone meer uitziet, waarvan ik u eene
kleine schets heb pogen te geven. Mervyn-Hall, gedeeltelijk een oud en
oorspronkelijk tot verdediging ingericht gebouw, ligt op den steilen
oever van het meer, zoo dat een steen, van dit balkon afgeworpen, in
het water, dat hier aan den oever zelfs bevaarbaar is, nedervalt. Ik
had mijn venster gedeeltelijk opengelaten om, vóor dat ik naar bed
ging, als naar gewoonte, nog eens het heldere maanlicht op het meer te
zien. Geheel verdiept in het schoone tooneel in den koopman van
Venetië, waar twee minnenden, als om strijd, het bekoorlijke van een
stillen zomerschen nacht schilderen, gaf ik mij langzamerhand over aan
soortgelijke herinneringen en gevoelens, welke het tooneel bij mij
opwekte, toen ik eensklaps den toon eener fluit op het meer hoorde. Ik
heb u reeds gezegd, dat de fluit Brown’s lievelings-instrument was. Wie
kon het toch zijn, die deze tonen voortbracht, daar de nacht wel stil
en helder, maar veel te koud en het jaargetijde te ver gevorderd was,
om iemand tot een tochtje op het meer, alleen tot zijn genoegen, uit te
lokken? Ik ging naar het venster en luisterde met ingespannen aandacht.
De tonen zwegen eenige oogenblikken, lieten zich toen weder hooren,
verstomden nogmaals en verhieven zich, al nader en nader komende,
weder. Eindelijk onderscheidde ik duidelijk het kleine Hindo-liedje,
dat gij altijd mijn lievelingsstukje noemdet – gij weet, van wien ik
het geleerd heb. Het was zijne fluit, het ware zijne tonen. Was het
aardsche muziek of zweefden deze tonen op de vleugelen van den wind tot
mij, om mij zijn dood aan te kondigen?
„Er verliep eenige tijd, voor dat ik moed vatte om op het balkon te
treden. Niets kon mij daartoe den moed schenken, dan mijne vaste
overtuiging dat hij nog leefde en dat wij elkander zouden wederzien.
Deze overtuiging bemoedigde mij en ik waagde het, schoon met een
kloppend hart. Ik zag eene boot met een enkel man; o Mathilda! hij was
het zelf! Ik herkende hem, na zulk eene lange scheiding en zelfs in de
duisternis van den nacht, even goed, als of wij eerst gisteren van
elkaâr gescheiden waren en ik hem in den heldersten zonneschijn weder
ontmoet had. Hij voer met zijne boot onder het balkon en sprak met mij.
Nauwelijks weet ik, wat hij zeide en wat ik antwoordde. Waarlijk,
tranen verstikten bijna mijne stem, maar het waren vreugdetranen. Wij
werden door het blaffen van een hond, die zich op een kleinen afstand
hooren liet, gestoord en moesten scheiden, maar niet voor dat hij mij
bezworen had, hem heden avond op dezelfde plaats en hetzelfde uur eene
tweede bijeenkomst toe te staan.
„Maar waar zal dit op uitloopen? Kan ik deze vraag beantwoorden? Neen,
dat kan ik niet! De Hemel, die hem van den dood redde en uit zijne
gevangenschap verloste; die mijn vader bewaarde voor het storten van
het bloed eens mans, die hem geen haar op het hoofd gekrenkt zou
hebben, – de Hemel moet ook mij uit dezen doolhof redden. Voor het
tegenwoordige vergenoeg ik mij met het vaste besluit, dat Mathilda
nooit over hare vriendin, mijn vader nooit over zijne dochter, en mijn
minnaar nooit over haar, op wie hij zijne genegenheid gevestigd heeft,
zal behoeven te blozen.”