VIJFDE UITTREKSEL.

„Hoe zal ik u mededeelen, wat ik u nu te zeggen heb? Mijne hand en mijn

hart sidderen nog zoo hevig, dat het schrijven mij bijna onmogelijk is.

Zeide ik u niet, dat hij nog leefde? Zeide ik u niet, dat ik niet

wanhopen wilde? Hoe kondet gij denken, waarde Mathilda, dat mijn

voorgevoel, omdat ik zoo jong van hem gescheiden ben, eer uit eene

vurige verbeelding dan uit mijn hart ontsproten was? Neen, hoe dikwijls

wij ons ook in de gevoelens van ons hart mogen bedriegen, ik was zeker,

dat dit gevoel echt was. Maar laat ik u alles verhalen, lieve vriendin,

en deze bekentenis, het sterkste bewijs van mijne openhartigheid jegens

u, zij het heiligste pand van onze vriendschap.

Men gaat hier vroeg te bed, vroeger, dan mijn met zorg belast hart rust

kan vinden. Ik breng daarom gewoonlijk nog een paar uren op mijne

eigene kamer met lezen door, waar, zoo als ik u reeds meen gezegd te

hebben, een klein balkon op het schoone meer uitziet, waarvan ik u eene

kleine schets heb pogen te geven. Mervyn-Hall, gedeeltelijk een oud en

oorspronkelijk tot verdediging ingericht gebouw, ligt op den steilen

oever van het meer, zoo dat een steen, van dit balkon afgeworpen, in

het water, dat hier aan den oever zelfs bevaarbaar is, nedervalt. Ik

had mijn venster gedeeltelijk opengelaten om, vóor dat ik naar bed

ging, als naar gewoonte, nog eens het heldere maanlicht op het meer te

zien. Geheel verdiept in het schoone tooneel in den koopman van

Venetië, waar twee minnenden, als om strijd, het bekoorlijke van een

stillen zomerschen nacht schilderen, gaf ik mij langzamerhand over aan

soortgelijke herinneringen en gevoelens, welke het tooneel bij mij

opwekte, toen ik eensklaps den toon eener fluit op het meer hoorde. Ik

heb u reeds gezegd, dat de fluit Brown’s lievelings-instrument was. Wie

kon het toch zijn, die deze tonen voortbracht, daar de nacht wel stil

en helder, maar veel te koud en het jaargetijde te ver gevorderd was,

om iemand tot een tochtje op het meer, alleen tot zijn genoegen, uit te

lokken? Ik ging naar het venster en luisterde met ingespannen aandacht.

De tonen zwegen eenige oogenblikken, lieten zich toen weder hooren,

verstomden nogmaals en verhieven zich, al nader en nader komende,

weder. Eindelijk onderscheidde ik duidelijk het kleine Hindo-liedje,

dat gij altijd mijn lievelingsstukje noemdet – gij weet, van wien ik

het geleerd heb. Het was zijne fluit, het ware zijne tonen. Was het

aardsche muziek of zweefden deze tonen op de vleugelen van den wind tot

mij, om mij zijn dood aan te kondigen?

„Er verliep eenige tijd, voor dat ik moed vatte om op het balkon te

treden. Niets kon mij daartoe den moed schenken, dan mijne vaste

overtuiging dat hij nog leefde en dat wij elkander zouden wederzien.

Deze overtuiging bemoedigde mij en ik waagde het, schoon met een

kloppend hart. Ik zag eene boot met een enkel man; o Mathilda! hij was

het zelf! Ik herkende hem, na zulk eene lange scheiding en zelfs in de

duisternis van den nacht, even goed, als of wij eerst gisteren van

elkaâr gescheiden waren en ik hem in den heldersten zonneschijn weder

ontmoet had. Hij voer met zijne boot onder het balkon en sprak met mij.

Nauwelijks weet ik, wat hij zeide en wat ik antwoordde. Waarlijk,

tranen verstikten bijna mijne stem, maar het waren vreugdetranen. Wij

werden door het blaffen van een hond, die zich op een kleinen afstand

hooren liet, gestoord en moesten scheiden, maar niet voor dat hij mij

bezworen had, hem heden avond op dezelfde plaats en hetzelfde uur eene

tweede bijeenkomst toe te staan.

„Maar waar zal dit op uitloopen? Kan ik deze vraag beantwoorden? Neen,

dat kan ik niet! De Hemel, die hem van den dood redde en uit zijne

gevangenschap verloste; die mijn vader bewaarde voor het storten van

het bloed eens mans, die hem geen haar op het hoofd gekrenkt zou

hebben, – de Hemel moet ook mij uit dezen doolhof redden. Voor het

tegenwoordige vergenoeg ik mij met het vaste besluit, dat Mathilda

nooit over hare vriendin, mijn vader nooit over zijne dochter, en mijn

minnaar nooit over haar, op wie hij zijne genegenheid gevestigd heeft,

zal behoeven te blozen.”

Guy Mannering of de Sterrewichelaar · 第 25 / 75 题