Mervyn-Hall

„Is Indië het land der wonderen, waarde Mathilda, dan is hier het land

der poëzie. De natuurtooneelen zijn prachtig en verheven: donderende

watervallen, hooge bergen, die hunne kruinen tot aan den hemel

verheffen, meren, die door schaduwrijke valeien kronkelen en met iedere

bocht naar nog meer romaneske plekken voeren, en rotsen, die tot aan de

wolken reiken. Hier het wilde en woeste van Salvator Rosa, dáár de

betooverende tooneelen van Claude Lorrain. Het verheugt mij ook ten

minste één voorwerp te vinden, waarvoor mijn vader met geene mindere

geestdrift is bezield, dan ik. Als schilder en dichter beide, is hij

een bewonderaar der natuur, en dikwijls heb ik met het grootste

genoegen hem den aard en de oorzaak van deze heerlijke bewijzen harer

scheppende kracht hooren ontleden. Ik wenschte maar dat hij zich hier,

in deze betooverende landstreek wilde nederzetten! Maar hij wil verder

naar het noorden en is thans juist op reis, om, naar ik me verbeeld, in

Schotland een landgoed te koopen, waar hij zich voor goed vestigen wil.

Herinneringen uit zijne jeugd boezemen hem eene bijzondere liefde voor

dat land in. Ik moet mij dus nog verder van u verwijderen, lieve

Mathilda, voor dat ik eene vaste woonplaats heb. En welk eene vreugde

zal het voor mij zijn, als ik eens zeggen kan: „kom Mathilda, en wees

de gast van uwe getrouwe Julia!”

„Ik bevind mij thans ten huize van den heer en Mevrouw Mervyn, oude

vrienden van mijn vader. De dame is eene goede, zorgvuldige, eerbare

huisvrouw; maar fijne beschaving en verbeelding moet gij bij haar

evenmin zoeken als bij Juffer Julia. Lees maar: – gij ziet, dat ik de

bijnamen, die wij op school uitvonden, niet vergeten heb! De heer

Mervyn verschilt véel van mijn vader, ja is een geheel ander mensch;

maar hij vermaakt mij en heeft van zijn kant geduld met mij. Hij is een

gezet man, zeer goedaardig, heeft veel gezond verstand en scherp

oordeel, schertst gaarne. Daar hij denkelijk in zijne jeugd een beau

garçon was, is hij niet geheel zonder verbeelding op dat punt en is

bovendien met hart en ziel landbouwer. Ik vind er vermaak in, met hem

op de toppen der bergen en tot aan den voet der watervallen te klimmen;

maar daarentegen moet ik dan zijne rapen, zijn klaver en zijne vreemde

grassoorten bewonderen. Me dunkt, hij beschouwt mij als een eenvoudig,

romanesk, goedaardig meisje, dat (het woord wil er uit) niet van

schoonheid ontbloot is, en ik houd het er voor, dat Mijnheer goeden

smaak betoont wat vrouwelijke bevalligheid betreft, maar verwacht

geenszins, dat hij verder in mijn binnenste zou weten door te dringen.

Hij schertst met mij, laat zich door mij bij de hand leiden en klautert

naast mij voort (want de lieve man is thans door de jicht gekweld),

terwijl hij oude geschiedenissen uit de groote wereld, waarvan hij veel

gezien heeft, vertelt, waarbij ik toeluister, grimlach en zulk een

vriendelijk en mooi gezichtje zet, als ik maar kan, en mij zoo

eenvoudig mogelijk voordoe. Op deze wijze leven wij zeer tevreden met

elkander voort.

„Maar ach, liefste Mathilda! hoe zou ik mijn tijd, zelfs in dit

betoverend paradijs, aan de zijde van een paar menschen, die zoo weinig

passen bij de natuurtooneelen rondom hen, kunnen doorbrengen, indien

gij mij niet zoo getrouw op mijne weinig belangrijke brieven wildet

antwoorden! Ik bid u, schrijf mij toch ten minste iedere week drie

malen. Aan stof kan het u zeker niet ontbreken.”

Guy Mannering of de Sterrewichelaar · 第 24 / 75 题