PRINSES. Was hij niet Hector?
DUMAINE. De edele Trojaansche ridder.
ARMADO. Ik wil uw doorluchten vinger kussen en afscheid nemen. Ook
ik heb een gelofte gedaan; ik heb aan Jacquenetta gezworen voor
haar zoete min drie jaren den ploeg te voeren. Maar, hooggeschatte
grootheid, wilt gij de samenspraak hooren, dewelke de twee geleerde
mannen hebben opgesteld tot lof van den uil en den koekoek? Zij had
op het eind onzer vertooning moeten volgen.
KONING. Roep vlug hen hier; wij willen dit nog hooren.
ARMADO. Hé daar! treedt nader.
(Holofernes, Nathanaël, Mot, Dikkop en Anderen komen op.)
Deze zijde is Hiems, de Winter; deze Ver, de Lente; de een door den
uil, de ander door den koekoek bijgestaan.--Ver, begin.