BIRON. Mijn jonkvrouw peinst? Voogdesse, zie mij aan.
Lees in het venster van mijn hart, mijn oog,
Wat need'rig aanzoek daar uw antwoord wacht:
Leg een'gen dienst mij op voor uwe liefde.
ROSALINE. 'k Had vaak, mijn heer Biron, van u gehoord,
Eer ik u zag; de groote tong der wereld
Verklaart u voor een man, vervuld van spot,
Van steek'lig vergelijken, scherpe zetten,
Die gij voor alles in gereedheid hebt,
Wat in 't bereik komt van uw geestigheid.
Om de' alsem uit uw weeld'rig brein te wieden
En daardoor mij te winnen, zoo gij 't wenscht,--
Want zonder dit, neen, ben ik niet te winnen,--
Moet gij dit gansche jaar, en dag aan dag,
Spraaklooze kranken troosten, steeds verkeeren
Met arme kermers; en ik leg u op,
Met al het drieste vuur van uw vernuft
Aan krachtloos leed een glimlach af te dwingen.
BIRON. Den strot des doods een wilden lach te ontpersen?
Dit kan niet zijn; 't is een onmoog'lijk doen;
Geen ziel in doodstrijd geeft aan scherts gehoor.
ROSALINE. Nu, zoo wordt best een spotgeest uitgebannen,
Wiens krachten uit den voozen bijval stammen,
Dien dwaze lachers schenken aan een nar;
Heel de opgang van een scherts ligt in het oor
Van wie haar hoort, niet in de tong van hem,
Die haar bedacht; dus, zoo eens kranken oor,
Doof voor de kreten zijner eig'ne smart,
Uw ijd'len spot verwelkomt,--ga dan voort,
Ik neem u dan met dit gebrek en al;
Maar is 't zoo niet, werp dan den spotgeest uit,
En ik zal, om uw beet'ring recht verblijd,
U van dit boos gebrek gereinigd vinden.
BIRON. Een jaar? Nu, 't loopt ten eind; geen hinderpaal!
Twaalf maanden scherts ik in een hospitaal.
PRINSES (tot den Koning). Ja, waarde vorst, en hiermeê neem ik
afscheid.
KONING. Neen, gun dat wij een eindweegs u geleiden.
BIRON. Niet als een blijspel-einde is dit ons scheiden,
Hans heeft Griet niet; doch met der dames gunst
Wierd onze klucht een blijspel, hoog're kunst.
KONING. Nu, slechts een jaar, dan eindt dit in geluk.
BIRON. Een jaar! te lang voor een comediestuk!
(Armado komt weder op.)