PRINSES. Ik kan u niet verstaan; mijn leed is dof. 762

BIRON. 't Eenvoudig woord dringt best in 't oor van 't leed;

Erkent des konings hart uit deze teekens:

Om uwentwil verspilden we onzen tijd

En speelden met onze eeden. Uwe schoonheid

Heeft ons vervormd, ons denken en ons doen

In 't tegendeel verkeerd van onze ontwerpen;

En wat in ons belachlijk schijnen mocht,--

Zooals de liefde vol verkeerdheid is,

Moedwillig, rustloos, ijdel als een kind,

Door 't oog verwekt, en daarom, als het oog,

Vol vreemde vormen, hulsels en gestalten,

Veranderlijk van richting, zooals 't oog

Van beeld tot beeld in stâge wiss'ling rolt,--

Indien het bont gewaad van dart'le liefde,

Dat wij aantogen, in uw hemelsche oogen

Niet goed stond aan onze' eed en onzen erns

Welnu, die hemelsche oogen, die ons gispen,

Verleidden ons er toe. Zoo onze liefde

U toebehoort, behoort u ook de dwaling,

Die liefde pleegt. Wij zijn ons zelve ontrouw,

Zijn eens ontrouw, om eeuwig trouw te zijn

Aan haar, die beide ons maken,--schoonen, u!

En deze trouwbreuk, zondig op zichzelf,

Wordt zóó gelouterd, wordt de reinste deugd.

PRINSES. We ontvingen uwe brieven, vol van liefde,

Uw gaven, de afgezanten uwer liefde,

En achtten die, in onzen juff'ren-raad,

Als luchte scherts, galanterie en spel,

Als opsmuk, die den tijd een aanzien geeft;

Maar verder moest bij ons, naar onze schatting,

't Geloof niet gaan; en daarom hebben wij

Uw min met de eigen munt, met scherts, betaald.

DUMAINE. In onze brieven was veel meer dan scherts.

LONGAVILLE. In onze blikken ook.

ROSALINE. Wij dachten 't anders.

KONING. Zoo schenkt ons nu, in de uiterste minuut,

Uw liefde nog.

PRINSES. De tijd is veel te kort

Om zoo voor 't leven een verdrag te sluiten.

Neen, neen, mijn vorst, gij steekt te diep in schuld,

In zwaren meineed; daarom, hoor mij aan.

Zoo ge om mijn min,--schoon zonder een'gen grond,-- 802

Iets wilt volbrengen, doe dan dit om mij:

Uw eeden, neen, vertrouw ik niet,--maar ijl

Fluks naar een woeste, kale kluiz'narij,

Recht ver van al de vreugden dezer wereld;

Toef daar, tot met het twaalfde hemelteeken

Éénmaal de zon haar kringloop heeft voleind.

Indien dit streng en afgezonderd leven

Het aanbod van uw vurig bloed niet dooft,

Zoo koude en vasten, dun gewaad, hard bed,

De bonte bloesems van uw min niet knakken,

Als die de proef doorstaat en liefde blijkt,

Kom dan na de' afloop van het jaar mij vord'ren,

Mij vord'ren als het loon, door u verdiend;

En bij deez' maagdenhand, die de uwe kust,

Dan wil ik de uwe zijn; maar tot dien tijd

Begraaf ik in een rouwhuis nu mijn kommer,

En regen daar de tranen van mijn leed,

Bij 't droef herdenken van mijns vaders dood.

Wilt gij dit niet, dan scheide hand van hand,

En geen van ons heeft woord en hart verpand.

KONING. Indien ik dit, en meer dan dit, niet doe,

En traag aan rust mijn krachten prijs wil geven,

Dan drukk' terstond de dood mijn oogen toe!

Mijn hart zal enkel in uw borst nog leven.

BIRON. [En wat voor mij, mijn liefde? wat voor mij?

ROSALINE. Gij moet gelouterd worden van uw zonden;

Besmet zijt gij met feilen en met eedbreuk;

Daarom, zoo gij mijn gunst verwerven wilt,

Moet gij tot boete een jaar lang, zonder rust,

Het smart'lijk bed van kranken gaan bezoeken.]

DUMAINE. En wat gunt gij, mijn lief, wat gunt gij mij?

Een vrouw?

CATHARINA. En, driewerf lief, deez' drie er bij:

Welzijn, een baard, en echte mannentrouw.

Veel Gemin, geen Gewin · 第 62 / 73 题