DIKKOP. Zij is ver heen, kameraad Hector, zij is ver heen; zij is al
twee maanden op weg.
ARMADO. Wat bedoelt gij?
DIKKOP. Wel als gij niet een eerlijk Trojaan met haar speelt, dan
is de arme deerne verloren; zij heeft leven, het kind speelt al op;
het is van u.
ARMADO. Infamoneert gij mij voor de potentaten? gij zult sterven.
DIKKOP. Dan zal Hector gegeeseld worden om Jacquenetta, die door hem
leven heeft, en gehangen worden om Dikkop, die door hem dood is.
DUMAINE. Allervoortreffelijkste Pompejus!
BOYET. Roemruchte Pompejus!
BIRON. Grooter dan groot, groote, groote, groote Pompejus! Pompejus
de Reus!
DUMAINE. Hector siddert.
BIRON. Pompejus is ontvlamd.--Meer Ate's, meer Ate's! hitst hen
aan! hitst hen aan!
DUMAINE. Hector moet hem uitdagen.
BIRON. Ja, al had hij maar zooveel bloed in 't lijf, als een vloo
voor haar avondmaal gebruikt.
ARMADO. Bij de morgenster, ik daag u uit.
DIKKOP. Ik wil niet vechten met een morgenster, als een schubbejak;
hakken wil ik; ik wil vechten met het zwaard.--Ik bid u, geef mij
mijn wapens van straks weer.
DUMAINE. Plaats voor de ontvlamde helden!
DIKKOP. Ik wil in mijn hemdsmouwen vechten.
DUMAINE. Resolute Pompejus!
MOT. Meester, laat mij uw bovensten knoop eens losmaken. Ziet gij niet,
dat Pompejus zich reeds ontkleedt om te vechten? Wat wilt gij? Gij
zult uw geheele reputatie te grabbelen gooien.
ARMADO. Edele heeren en soldaten, vergeeft mij; ik wil niet in mijn
hemdsmouwen vechten.
DUMAINE. Dit moogt gij niet weigeren. Pompejus heeft u uitgedaagd.
ARMADO. Dierbare vrienden, ik mag en wil weigeren.