MOT. Het stokpaard is vergeten!
ARMADO. Noemt gij mijn liefste een stokpaard?
MOT. Neen, meester; het stokpaard is maar een veulen en uw liefste
misschien een merrie met dienstjaren. Maar hebt gij uw liefste dan
vergeten?
ARMADO. Bijna had ik dit gedaan.
MOT. O, vergeetachtige leerling! leg u toch met de borst op haar toe.
ARMADO. Met de borst en in de borst, knaap!
MOT. En buiten de borst, meester; dat wil ik u alle drie aantoonen.
ARMADO. Wat wilt gij toonen?
MOT. Mijzelf een man, als ik in het leven blijf; en dit met, in en
buiten, nu terstond: met de borst bemint gij haar, omdat gij het
niet met uw hersens kunt doen; in de borst bemint gij haar, omdat
uw hart op haar verliefd is; en buiten de borst bemint gij haar,
omdat gij buiten uzelf zijt, dat gij haar niet bezitten moogt.
ARMADO. Ik ben het, alle drie.
MOT. En driemaal zooveel,--en toch volstrekt niets.
ARMADO. Haal den boer mij hier; hij moet mij een brief bestellen.
MOT. Een welbedachte boodschap; een knol de boodschapper voor een ezel!
ARMADO. Ha, wat zegt ge?
MOT. Wel, heer, gij moet den ezel op het paard sturen, want hij is
zeer langzaam ter been. Maar ik ga.
ARMADO. De weg is niet lang. Ga!
MOT. Zoo snel als lood, heer.
ARMADO. Wat meent gij, jeugdig vernuft?
Is lood niet een metaal, plomp, traag en zwaar?
MOT. O minime, goede meester; of liever, meester, niet waar.
ARMADO. Wat! lood niet traag? dat is het wel.
MOT. Gij zegt dit, meester, veel te snel.
Is dat lood traag, dat wegsnort uit een buks?
ARMADO. O, zoete rook der redekunst!
Hij acht mij een kanon; nu, de kogel zij hij;--
Ik schiet u naar den boer.
MOT. Dan poef! zie, 'k ben voorbij!
(Mot af).
ARMADO. Een recht scherpzinnig jongske; behendig, vol talent!--
Met verlof, ik zucht u in 't gelaat, firmament!
Droefgeestigheid, kom! want mijn moed is ten end.--
Mijn heraut weer terug? 70
(Mot komt terug, met Dikkop.)
MOT. Een wonder, meester: een kop met een geschaafde scheen!
ARMADO. Een wonder, een enigma; kom, de pointe meteen!
DIKKOP. Neen, niets van igma of van pointe! geen zalf uit de doos,
heer! O beste heer, weegbree, niets dan een weegbreeblad, geen pointe,
geen pointe; en geen zalf, heer, maar weegbree!
ARMADO. Bij mijn dapperheid, gij dwingt lachen af; uw onnoozele
gedachte prikkelt mijn milt; het zwoegen van mijn longen verwekt bij
mij een bespottelijken glimlach. O, vergeef mij, mijn gesternte! Houdt
de gedachtenlooze een enigma voor een zalf en een pointe voor een mes!
MOT. Houden de wijzen het voor iets anders?
Is een pointe niet iets, dat snijdt?
ARMADO. Neen, page, 't is een toespraak, een epiloog, om zaken,
Om precedenten, die voorafgaan, begrijpelijk te maken.
Ik wil een voorbeeld geven:
Een vos en een aap en een hommel er bij
Waren drie in getal; oneven waren zij.
Ziedaar de moraal, nu volgt de pointe.
MOT. Ik wil er de pointe aanzetten. Zeg de moraal nog eens.
ARMADO. Een vos en een aap en een hommel er bij.
Waren drie in getal; oneven waren zij.
MOT. Toen kwam een gans uit de deur aanzwieren,
Die bracht het in 't effen; zij waren met hun vieren.
Nu wil ik met uw moraal beginnen; en volg
gij dan met mijn pointe.
Een vos en een aap en een hommel er bij
Waren drie in getal; oneven waren zij.
ARMADO. Daar kwam een gans uit de deur aanzwieren,
En bracht het in 't effen; zij waren met hun vieren.
MOT. Een goede pointe, die eindigt in een gans; kunt gij meer
verlangen?
DIKKOP. Hoe slim heeft de knaap daar een gans van de hand gezet.--
Gij zijt niet bekocht, heer, is 't gansje maar vet.--
De knaap is een leeperd, en hem veel te mans;
Laat zien: een vette pointe, dat is een vette gans.
ARMADO. Kom hier, kom hier; hoe kwam dit gesprek toch aan?
106
MOT. Ik zeide, dat een kop zijn scheen zeer had gedaan.
Toen riept gij om de pointe.
DIKKOP. En ik om de weegbree, ja, zoo is 't gegaan.
Toen kwam dien knaap zijn pointe, de vette gans, die gij kocht;
En de markt was gedaan.
ARMADO. Maar zeg mij, hoe kan een kop zijn scheen zeer doen?
MOT. Dat zal ik u tastbaar maken.
DIKKOP. Neen, gij hebt er het gevoel niet van,
Mot; ik wil deze pointe zeggen:
Ik, Dikkop, zat in 't hok, zag 't open en liep heen;
Toen viel ik over den drempel en schaafde mijn scheen.
ARMADO. Nu spreken wij niet verder van 't geval.
DIKKOP. O, van dat vallen heb ik al genoeg.
ARMADO. Vriend Dikkop, ik wil u vrij man doen zijn.
DIKKOP. Een vrijman met welk meisje?--O, ik ruik alweer een pointe,
een gans hierin.
ARMADO. Bij mijn ziel en zaligheid, ik meen: in vrijheid gesteld,
gelibereerd; gij waart ingekerkerd, ingesperd, gecaptiveerd, met
boeien belast.
DIKKOP. Ach, ja; en nu wilt gij mij ontlasten en mij loslaten?
ARMADO. Ik stel u in vrijheid, ontsla u van hechtenis, en leg u,
in stede hiervan, niets anders op dan dit: breng dezen zendbrief
aan de landelijke maagd Jacquenetta. Daar hebt gij een remuneratie,
want het beste bewijs van mijn groot gemoed is mijn grootmoedigheid
jegens mijn ondergeschikten. Mot, volg!
(Armado af.)
MOT. Als een vervolg, ja; ik kom.--Vriend Dikkop, adieu.
DIKKOP. Mijn lief ons menschenvleesch! mijn robijntje! mijn kneu!
(Mot af.)
Nu wil ik zijn remuneratie eens bekijken. Remuneratie! o dat is het
Latijnsche woord voor twee blanken; twee blanken, remuneratie.--"Wat
kost dat lint?" "Twee stuivers."--Neen, ik geef er een remuneratie
voor"; nu, ik krijg het er voor.--Remuneratie!--Wel, het is een mooier
naam dan een Fransche kroon. Ik wil nooit meer koopen en verkoopen
zonder dit woord. 143
(Biron komt op.)
BIRON. O, mijn brave schelm van een Dikkop, dat treft bijzonder goed.
DIKKOP. Ik bid u, heer, hoeveel rood lint kan een mensch krijgen voor
een remuneratie?
BIRON. Wat is een remuneratie?
DIKKOP. Wel, heer, twee blanken.
BIRON. Nu, dan krijgt gij er een tweeblanken-lint voor.
DIKKOP. Ik dank uw edelheid. God zegen u, heer.
BIRON. Wacht, kerel, ik kan juist uw dienst gebruiken.
Wanneer gij graag bij mij in gunst wilt zijn.
Doe dan, mijn goede schelm, wat ik u vraag.
DIKKOP. En wanneer moet ik 't doen, heer?
BIRON. O, dezen nadenmiddag.
DIKKOP. Zeer goed, heer, 'k zal het doen, vaarwel!
BIRON. Wat! en gij weet niet, wat het is.
DIKKOP. Ik zal 't wel weten, heer, als ik
't gedaan heb.
BIRON. Wel, kerel, van te voren moet gij
't weten.
DIKKOP. Dan kom ik morgenochtend bij u, heer.
BIRON. 't Moet dezen middag nog gebeuren. Luister, 't is slechts dit:--
Van middag jaagt hier de prinses in 't park;
Zij heeft in haar gevolg een schoone dame;
Wanneer een tong ooit lieflijk spreken wil,
Dan noemt zij hààr naam: Rosaline. Vraag
Naar haar; en dit verzegelde geheim
Reikt ge aan haar blanke hand. Ga, doe dit goed;
Hier hebt gij een douceur.
(Hij geeft hem een schelling.)
DIKKOP. Douceur!--O, lieve douceur, beter dan remuneratie; tien
stuivers en vier duiten beter. Allerliefste douceur!--Ik zal het doen,
heer, alsof het gedrukt was.--Douceur!--remuneratie!
(Dikkop af.)
BIRON. O, ik verliefd! ik, vroeger liefdes geesel!
Een echte speurhond van verliefde zuchten,
Een censor, ja, een nachtpatrouilleman,
Een straffe, schoolsche leeraar voor het jongske,
Van trotscher stof dan eenig menschenkind!
Dat grienend, boos, stikziend, geblinddoekt knaapje,
Dat oude kind, die reusdwerg, Don Cupido,
Sonnettenkoning, vorst van armenkruising,
Gezalfde souverein van o's en ach's,
Patroon der pruttelaars en lanterfanters, 185
Grootheer van schorten, vorst van wat de broek draagt,
Machthebber, op wiens wenk de boden draven
Van 't echtsgerechtshof,--o, mijn klein, zwak hart!--
Ik nu zijn adjudant! ik vlieg voor hem,
En draag zijn kleuren als een goochlaars-bandel!
Wat! ik verliefd? ik smeek? Ik zoek een vrouw?
Een vrouw! iets wat een Duitsche klok gelijkt,
Steeds na te zien en eeuwig in de war,
Dat zelf, terwijl het ons bedrijf moet reeg'len,
Steeds, zal het niet verkeerd gaan, reeg'ling eischt!
Daarvoor meineedig zijn, het ergst van alles!
En van de drie, dan de ergste juist te minnen!
Een bleek, fijn ding, met zwart fluweelen wenkbrauw,
Met twee pikballen in 't gelaat voor oogen,
En, bij mijn ziel, ja, een, die 't kwaad zou doen,
Al had zij Argus tot eunuuk en wachter!
En ik, ik zucht om haar, ik waak om haar!
Ik smeek om haar! Maar 't zij zoo, 't is een straf,
Die mij Cupido oplegt om 't verachten
Der almacht van zijn schrikb're, kleine macht.
Nu, 'k minne, smeeke, zuchte, schreie en tier';
Die mint de jonkvrouw, die de kamenier!
(Biron af.)