DOM. Signor Arm--, Arma--, recommandeert u. Er is schelmerij aan den
gang; de brief zal u meer zeggen.
DIKKOP. Heer, de bevatting er van omhelst, om zoo te zeggen, mij.
KONING. Een schrijven van den roemruchten Armado.
BIRON. Hoe laag het onderwerp moog' wezen, ik hoop in God op
hoogdravende woorden.
LONGAVILLE. Een hoogdravende hoop voor een lagen hemel; God verleene
ons geduld!
BIRON. Om te hooren, of om ons lachen te verbijten?
LONGAVILLE. Om gelaten te hooren, heer, of met mate te lachen, of
ons van beide te onthouden.
BIRON. Nu, vriend, onze vroolijkheid moge dan zoo hoog klimmen,
als de stijl het toelaat.
DIKKOP. Het onderwerp, heer, loopt over mij, van wege Jacquenetta. De
aard er van is, dat ik betrapt werd, dat het een aard had.
BIRON. Nu, wat is dan die aardigheid?
DIKKOP. Ik zal u den aard zeggen, heer, en den loop en wat volgt,
alle drie. Ik werd met haar gezien, heer, bij het heerenhuis op een
aarden bank, en ik zat aardig met haar te keuvelen, en ik werd gevat,
toen ik haar in het park volgde; en dat is nu alles in alles, heer,
de aard en de loop en het vervolg. Nu, wat den aard betreft, een jonge
man heeft er aardigheid in met een meisje te praten,--en den loop,
heer, wel, ik liep haar na.
BIRON. En is er nog een vervolg bij, vriend?
DIKKOP. Het vervolg, heer,--dat zal mijn straf wel zijn; en God
behoede de onschuld!
KONING. Wilt gij dezen brief met aandacht hooren?
BIRON. Alsof het een orakel ware.
DIKKOP. Zoo is de onnoozelheid van den mensch; hij luistert naar wat
het vleesch zegt.
KONING. (leest). "Groote stedehouder, onderregent van het hemelgewelf,
en eenig beheerscher van Navarre, aardsche God mijner ziel,
voedster-vader van mijn lichaam,"--
DIKKOP. Nog geen woord van Dikkop.