XXII.

('T AVONTUUR VERWONNEN.)

Die arm is, en genoegt[131] met 'tgeen hij heeft ontvangen,

De wankel Avontuur heeft inden strik gevangen.

_Job_ 1:

't Geen God gegeven had, dat nam hij t' zijnder tijd:

Des Heeren heil'gen naam zij hoog gebenedijd!

Daar in een biezen hut zich de armoede geneerde,

Daar 't hoofd de zoldering, en daar de voeten de eerde

Geraakten te gelijk, en daar een vuren plank

Te zamen was den disch en ook de zitte-bank,

Daar 't goudgeel kaf en stroo men op den vloer uitspreedden[132],

Om rusten inden nacht de moegeslaafde leden,

Daar 't water was den drank, en droogen visch het brood,

Daar lavenisse en spijs gehaald werd uit de sloot,

Daar aan den kouden heerd de tanden mosten knappen,

En daarmen liep bekleed met duizenderlei lappen,

Daar den huisvader (laas!) was eenen blinde-man,

En daarmen leven most van 't geen de vrouwe span[133],

Daar vijftien zonen en drie jonge dochters waren,

Daar 't al bij daag te bed most om de keers te sparen,

En daarmen naauwe een bieze, of daarmen naauwe een lamp

Ontstak, wanneer daar 's nachts kwam 't een of 't ander ramp:

En daar nog niettemin 't genoegen werd gevonden,

Aldaar lag de Avontuur, die lichte-schooi[134], gebonden.

Want daar 't genoegen is, al valt schoon de armoê zuur,

Daar vreest men geen Fortuin, noch wankele Avontuur.

De complete werken van Joost van Vondel. Vergelijking van de Verlossinge der Kindren Israels met de Vrijwording der Vereenigde Nederlandsche Provinciën, [etc.] · 第 51 / 105 题