[p.111]
25 Al wie tot sestigh jaer op aerden is gelaten,
Stelt ons de Roomsche wet ontlast van alle staten;
En in een ander rijck, na tienmael seven jaer,
Is yeder, of hy doot en al begraven waer.
Ick wil u nu voortaen met geenen staet belasten,
30 Eet, drinckt, leeft voor u self, en noot geduerigh gasten.
Ontfronst uw aengesicht en toont een bly gelaet,
Dat sal u beter zijn, als sitten in den raet;
Een ampt en is maer ramp voor hoogh geklommen jaren,
't Is voor u meer als tijt het pack te laten varen.
35 Ick wensch u veel gelucx, vermits uw ouden dagh
Nu, buyten alle sorgh, in stilte leven magh."
Soo haest als dese stem was in de lucht geresen,
Het scheen een donderslagh aen desen man te wesen.
Hy stont gelijck verbaest, sijn gansche lichaem beeft,
40 Soo dat syn koude tongh hem aen de lippen kleeft.
Wat doet hy? flucx naer huys, hy laet een baer bereyden,
En krijght' er huylers by die om de doot kist schreyden.
Hy leyt sich in de kist ten vollen uytgestreckt,
En met een swarte sprey geheelijck overdeckt.
45 Hy laet hem menighmael door sael en kamers dragen,
En doet sijn rasse doot van yder een beklagen.
Hier quam een taelman 1) by, die, met een droeve stem,
Een deftigh lijck-geschrey quam maken over hem.
Hy kon oock met een glimp het selsaem schouspel drijven,
50 Want hy liet op de baer met swarte letters schrijven:
Wie aen den Roomschen staet geen dienst meer doen en kan,