1) niets 2) bevreesd 3) onkosten

[p.82]

Wy staen noyt vroeger op om eenigh Heer te groeten,

Of dat 1) wy door de stadt een Prins geleyden moeten,

795 Wy streelen niet een mensch, oock niet den grootsten

[Vorst.

Dat is maer voor het volck dat na den eer-sucht dorst.

Ons geest is nimmermeer gequelt met hooge saken,

Om ons door al het lant een grooten naem te maken,

Of ons de werelt prijst, of ons de werelt laeckt,

800 Wy zijn als buyten schoots en werden niet geraeckt.

Al is de gansche kunst van roovers in-genomen,

Noch zijn wy niet beschroomt om daer ontrent te komen;

Wy singen menighmael oock in het dichste Wout,

Daer sich een vinnigh 2) heir van felle moorders hout.

805 Wy zijn niet eens beducht, schoon al de winden blasen,

Wy leven onbeschroomt hoe seer de baren rasen;

Wy vreesen geenen brant of hoogen water-vloet.

Die niet verliesen kan wat schaet hem tegenspoet?

Schoon dat het gansche rijck moet tol of schattingh geven,

810 Wy leyden even-wel een onbekommert leven;

Geen hooft-gelt op het volck, geen lasten op het lant

En worden oyt geverght aen onsen vrijen stant.

Wat dient'er meer geseyt? wy zijn geduchte 3) lieden,

Die geen verheven Vorst, geen Prins en kan gebieden.

815 Al waer de gulde son de werelt opendoet 4)

Daer gaen wy sonder schroom, als op ons eygen goet.

Wy leven over-al als Prinsen van den lande;

Niet hebben even-wel en is hier niemant schande.

Wy trecken t' onsen dienst geheel het aertsche dal,

820 Wy hebben niet een sier, en wy besitten 't al.

Ick heb u, edel Helt, ons wijse nu beschreven,

Jacob Cats · 第 60 / 86 题